Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/I.6:I.6 Enkele algemene methodologische opmerkingen
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/I.6
I.6 Enkele algemene methodologische opmerkingen
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS600889:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Beantwoording van de vragen die dit boek aan de orde stelt, vergt een tamelijk klassiek juridisch-dogmatisch onderzoek. Ik beoog een begrip dat in het positieve recht en in de dogmatiek een centrale plaats inneemt te verduidelijken en te analyseren. Daartoe benader ik dat begrip op een rechtshistorische, een rechtstheoretische en een positiefrechtelijke wijze. Die verschillende perspectieven leiden tot bevindingen van zeer verschillende aard. Beoogd is zowel die bevindingen binnen één perspectief met elkaar te vergelijken als de betekenis van de onschuldpresumptie vanuit de verschillende perspectieven tegen elkaar af te zetten.
Gevolg van deze aanpak is dat dit boek een gelaagde structuur heeft. Sommige thema’s worden op meerdere plaatsen in dit boek vanuit verschillende perspectieven en met uiteenlopende mate van diepgang besproken. Dat heeft meerdere voordelen. Ten eerste is daardoor eenvoudig inzichtelijk wat geldend recht is en wat theoretische achtergrond en/of kritische bespiegeling. Daarnaast en belangrijker zou het alternatief (identificatie van deelthema’s en per deelthema steeds integratie van historische, rechtstheoretische, en positiefrechtelijke analyse) minder recht doen aan de centrale vragen van dit onderzoek. Vergelijking met elkaar van de betekenis en normatieve kracht van verschillende deelaspecten van de onschuldpresumptie op detailniveau vereist immers vergelijking binnen dezelfde juridische en sociale context en vanuit hetzelfde perspectief. De gekozen benadering stelt dan ook beter in staat over de onschuldpresumptie als geheel meer overkoepelende constateringen te doen vanuit één perspectief en daaraan conclusies te verbinden. Bijgevolg zal iemand die alles over één subthema wil weten, daarvoor soms wel meerdere paragrafen van dit boek moeten raadplegen. De lezer kan daarvoor gebruik maken van interne verwijzingen in de voetnoten.
Een tweede gevolg van de gekozen structuur is dat elk deel van dit boek zijn eigen methodologische keuzes met zich brengt. Die specifiekere methodologie behandel ik per boekdeel afzonderlijk. Het type bronnen dat ik in mijn onderzoek betrok, hoe daaruit een selectie is gemaakt en welke stilzwijgende assumpties aan bepaalde uitspraken en conclusies ten grondslag liggen, bespreek ik aldaar.1 Hier slechts nog het volgende.
Dit onderzoek heeft niet primair een toetsend doel. De centrale onderzoeksvraag is dan ook geen normatieve. Dat neemt niet weg dat toch allerlei normatieve uitspraken zullen worden gedaan. Bestudering van alle aspecten van de onschuldpresumptie en behandeling daarvan vanuit verschillende invalshoeken leidt tot systematische vergelijking en oordelen waarbij coherentie en consistentie maatstaven vormen. Ook wordt ervan uitgegaan dat Nederland in beginsel dient te voldoen aan internationaal aangegane verplichtingen. De enigszins latente aanwezigheid van dergelijke maatstaven is mijns inziens niet problematisch, gelet op de brede rechtswetenschappelijke steun daarvoor.
Daarnaast worden met name in hoofdstukken III en IV de diverse bestaande grondslagen en argumenten voor de presumptie van onschuld kritisch tegen het licht gehouden. Ik zal daarbij niet zozeer komen tot een geheel eigen afweging, maar vooral de bestaande argumenten voor (en tegen) de onschuldpresumptie identificeren en mij afvragen of zij hun actualiteitswaarde hebben behouden en of juridische en maatschappelijke ontwikkelingen moeten leiden tot een andere waardering. Dat is te meer belangrijk nu rechtsbeginselen dikwijls met een zekere vanzelfsprekendheid worden benaderd. Zij dreigen dan te verworden tot dogma’s die aan daadwerkelijk inzicht in en afweging van allerlei achterliggende belangen in de weg staan in plaats van daaraan bij te dragen. Oók waar die rechtsbeginselen fundamentele mensenrechten betreffen, is het daarom belangrijk de voornaamste argumenten voor en tegen het bestaan van die rechten steeds opnieuw te bezien en te waarderen.2
Het onderzoek is op 1 september 2017 afgesloten. Wetgeving, rechtspraak en literatuur van later datum zijn slechts incidenteel verwerkt.