Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/4.1
4.1 Inleiding
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS609518:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Gerards 2012, p. 29; Heringa 1987, p. 116-117.
Zie ook paragraaf 3.1.
Methodologische opmerking: in HUDOC is gezocht op (combinaties en varianten van) de zoektermen ‘leave to appeal’, ‘procédure d’autorisation d’appel’, ‘permission to appeal’, ‘summary proceedings’, ‘filtering mechanism’, ‘admissibility of an appeal’, ‘recevabilité d’un recours’ en ‘grounds of appeal’. Voorts zijn interne verwijzingen in de beslissingen nagegaan en is gebruik gemaakt van verwijzingen in wetenschappelijke literatuur.
Paragraaf 3.10b.
Aangeduid met ‘(civiel)’; opgemerkt zij dat het EHRM in zeer algemene zin overweegt dat de eisen van artikel 6 EVRM in strafzaken strenger zijn dan in civiele en administratieve zaken, maar dat in concrete zaken moeilijk kenbaar is hoe dat ‘strenger’ zijn uitwerkt, zie bijv. EHRM 27 oktober 1993, nr. 14448/88 (Dombo Beheer b.v./Nederland) en EHRM 17 april 2012, nr. 21539/07 (Steiniger/Oostenrijk).
Voor de normering van rechtsmiddelen vormt het mensenrecht op een eerlijk proces een belangrijke aanvulling op het mensenrecht op beroep. Waar het recht op beroep verplicht tot het wettelijk openstellen en vormgeven van één of meer rechtsmiddelen, bevat het recht op een eerlijk proces nadere eisen aan vooral de procedurele vormgeving van die rechtsmiddelen. Hoewel het recht op een eerlijk proces in verschillende rechtsbronnen is of zal worden opgenomen, staat in dit hoofdstuk alleen de in Nederland meest invloedrijke bepaling uit het verdragsrecht centraal: artikel 6 EVRM.1 Enkele zoekslagen op de hieronder in een voetnoot genoemde zoekwoorden in IVBPR-zoeksystemen vulde de jurisprudentie over artikel 14 lid 5 IVBPR niet wezenlijk aan. Daarnaast bestaan nog geen aanwijzingen dat het mogelijk in de Grondwet op te nemen recht op een eerlijk proces meer garanties voor rechtsmiddelen zal inhouden dan het EVRM.2 In dit hoofdstuk is daarom de specifieke vraag aan de orde welke ruimte artikel 6 EVRM geeft voor de toepassing van verlofstelsels in strafzaken.
Bij de beschrijving en analyse van artikel 6 EVRM zijn de voor verdragsrecht gebruikelijke interpretatiemethoden toegepast.3 De informatie over de totstandkoming van artikel 6 EVRM is beperkt, maar de jurisprudentie van het EHRM over deze bepaling is zeer omvangrijk. Kennis is genomen van uitspraken en ontvankelijkheidsbeslissingen van het EHRM over leave to appeal en verwante manieren van vormgeving van rechtsmiddelen.4 Dat leverde in totaal circa 3500 uitspraken en beslissingen op, waarvan een deel in dit hoofdstuk is verwerkt. Ik breng in herinnering dat het EHRM aan leave to appeal een betekenis toekent die enigszins afwijkt van wat in dit boek als verlofstelsel wordt beschouwd. Zowel inhoudelijke als vrije toegangsbeoordeling worden waarschijnlijk met de term leave to appeal gevangen, maar niet altijd duidt het EHRM daarmee ook afgescheiden toegangsbeoordeling aan.5 Waar nodig komt de betekenis van deze verschillen voor de bevindingen in dit hoofdstuk nadrukkelijk aan de orde. Gelet op het soms beperkte aantal beslissingen over strafrechtelijke vervolging is in dit hoofdstuk ook een aantal civiele en bestuursrechtelijke zaken verwerkt.6
De opbouw van dit vierde hoofdstuk is als volgt. In paragraaf 2 komt het toepassingsbereik van artikel 6 EVRM aan de orde en staat de vraag centraal of het recht op een eerlijk proces van toepassing is op rechtsmiddelen en verlofstelsels in het bijzonder. Omdat het antwoord op die vraag positief is, vervolgt paragraaf 3 met een uiteenzetting van de eisen die het recht op een eerlijk proces stelt aan de voorwaarden voor toegang tot beroep. In het bijzonder wordt stilgestaan bij het recht op access to court en de relevantie daarvan voor inhoudelijke en vrije toegangsbeoordeling. Daarna volgt in paragraaf 4 een analyse van de procedurele eisen die artikel 6 EVRM stelt aan de behandeling in beroep, in het bijzonder met het oog op afgescheiden toegangsbeoordeling. Waar in de paragrafen 3 en 4 wordt ingegaan op de eisen die artikel 6 EVRM stelt aan verlofachtige toegangsbeoordeling als zodanig, gaat paragraaf 5 in op de gevolgen van weigering van verlof voor de mogelijkheid om in beroep oneerlijke berechting in eerdere aanleg te herstellen. Paragraaf 6 bevat conclusies. Om de (beperkte) betekenis van artikel 6 EVRM voor verlofachtige toegangsbeoordeling te illustreren, sluit paragraaf 7 dit hoofdstuk af met close reading van de uitspraak van het EHRM in de zaak Lalmahomed/Nederland.