HvJ 13 november 1990, zaak C-106/89, Jur. 1990, p. 1-4135 (Marleasing): ‘8. (…) Bij de toepassing van het nationale recht, ongeacht of het daarbij gaat om bepalingen die dateren van eerdere of latere datum dan de richtlijn, moet de nationale rechter dit zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn, ten einde het hiermee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 189, derde alinea, EEG-Verdrag te voldoen.’
HR, 17-01-2025, nr. 22/04594
ECLI:NL:HR:2025:8
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-01-2025
- Zaaknummer
22/04594
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑01‑2025
ECLI:NL:HR:2025:8, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑01‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:3635
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2025/97
Viditax (FutD) 2025011702
FutD 2025-0105
Sdu Nieuws Belastingzaken 2025/58
NTFR 2025/167 met annotatie van dr. D. Molenaar
NLF 2025/0140 met annotatie van Werner Gelderblom
V-N 2025/5.19 met annotatie van Redactie
FED 2025/39 met annotatie van M. Chin-Oldenziel
BNB 2025/50 met annotatie van J.J.P. SWINKELS
Beroepschrift 17‑01‑2025
[…], 25 januari 2023
Kenmerk Hoge Raad 22/04594
Zaakaanduiding v.o.f. [X] / Staatssecretaris van Financiën
Motivering van het beroepschrift in cassatie, kenmerk 22/04594 tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam (hierna: ‘het Hof’) van 1 november 2022, kenmerken gerechtshof 21/00232 en 21/00233
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw bericht van 15 december 2022 heb ik de eer het volgende op te merken.
Ik draag de volgende middelen van cassatie voor.
Eerste middel
Schending van het Nederlandse recht, met name van Post b.3 van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 behorende Tabel I.
Tweede middel
Schending van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, met name het rechtszekerheidsbeginsel door aan een duidelijke wettekst, te weten ‘het gelegenheid geven tot sportbeoefening’ voorbij te gaan en een doorslaggevende betekenis toe te kennen aan het woord ‘accommodatie’ dat in de tekst van de wet niet voorkomt.
Derde middel
Schending van het recht door een de tekst in een richtlijn van de Europese Unie die is gericht tot de Lidstaten van de Europese Unie directe werking toe te kennen.
Vierde middel
De uitspraak is onbegrijpelijk omdat het Hof zonder enige motivering bij een zeer duidelijke tekst van een Nederlandse wet een tekst uit een richtlijn van de Europese Unie gaat ‘uitleggen’, die de werking van de tekst van de Nederlandse beperkt.
Vijfde middel
Voor het geval dat al van belang zou zijn, heeft het Hof een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan het woord ‘sportaccommodaties’
Toelichtingen
Algemeen
1.
In deze zaak gaat het om het antwoord op de vraag hoe de tekst van Post b.3 van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 behorende Tabel I moet worden uitgelegd?
Deze tekst luidt:
‘het geven van gelegenheid tot sportbeoefening en baden’
2.
Het belang ligt daarin dat, gelet op artikel 9 van de Wet op de omzetbelasting 1968, dat diensten die kwalificeren als ‘het gelegenheid geven tot sportbeoefening’ onder het verlaagde omzetbelastingtarief vallen. In de peridiode waarover deze zaak gaat (2013 tot en met 2017) was dat 6%.
3.
In deze zaak is niet in hel: geding van de diensten van v.o.f [X] waarover het geding gaat, zijn aan te merken als ‘sportieve activiteiten’.
4.
De vraag is in het bijzonder of de tekst van post 14 van de bijlage III
‘het recht gebruik te maken van sportaccommodaties;’
van de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 (hierna: ‘Richtlijn’) , gelet op artikel 98, tweede lid daarvan, op basis waarvan lidstaten een verlaagd omzetbelasting tarief kunnen toepassen, met zich meebrengt dat door een ‘richtlijn conforme interpretatie’, het al dan niet aanwezig zijn van een ‘sportaccommodatie’ een voorwaarde is voor de toepassing van het verlaagde omzetbelastingtarief.
5.
V.o.f [X] is van mening dat bij een zozeer duidelijke tekst van Nederlandse wet op dit punt, de tekst in de Richtlijn die beperkter is dan die van de Nederlandse wet, niet aan haar kan worden tegengeworpen.
Toelichting op het eerste middel
6.
Over dit onderwerp, de vraag over hoe Post b.3 van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 moet worden uitgelegd zijn er al meerdere uitspraken gegaan en heeft de Advocaat-Generaal De Wit op 10 augustus 2008 in de zaak over ‘De Vierdaagse’ een conclusie genomen, conclusie nummer 43.169, ECLI:NL:PHR:2007:AZ3758. Ik verzoek deze conclusie als hier ingelast te beschouwen.7
7.
Het Hof is naar de mening van v.o.f. [X] bij een overduidelijk tekst van de Nederlandse wet‘richtlijnconform gaan interpreteren’. De verplichting tot richtlijnconforme uitleg houdt, om te beginnen, in dat (instellingen van) lidstaten hun nationale recht zoveel als mogelijk in overeenstemming met richtlijnen van de EU dienen uit te leggen.
8.
Dit kan zowel resulteren in een uitleg ten voordele als ten nadele van burgers. Door de beperking tot ‘zoveel als mogelijk’ dwingt de verplichting tot richtlijnconforme uitleg niet tot interpretaties van nationaal recht contra legem.1. De nationale rechter hoeft ‘wit’ in de nationale wet dus niet richtlijnconform als ‘zwart’ uit te leggen.2. Anders zou ook strijd ontstaan met door het Hof van Justitie erkende algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het beginsel van rechtszekerheid.3. In dit verband moet worden herhaald en benadrukt dat richtlijnen tot lidstaten zijn gericht en niet tot burgers.
9.
Voetnoten en citaten overgenomen van W.J. Blokland, JCDI:ADS494136:1
10.
De vergelijking die de hiervoor aangehaalde Blokland maakt (wat volgens een nationale wet ‘wit’ is kan niet richtlijnconform als ‘zwart’ worden uitgelegd, gaat in feite op voor wat het Hof in deze uitspraak heeft gedaan.
11.
Waar de Nederlandse wet. het woord ‘accommodatie’ niet gebruikt, is dat er natuurlijk niet ‘richtlijnconform in te redeneren’. Dat is een verkeerde redeneerwijze en doet ook afbreuk aan met de door het Hof van Justitie erkende algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het beginsel van rechtszekerheid.
12.
Een burger moet na lezing van de Nederlandse wettekst weten waaraan hij toe is. Een mogelijke onjuiste implementatie van een EU richtlijn kan niet ten nadele van hem worden uitgelegd.
Toelichting op het tweede middel
13.
Zoals hiervoor als toelichting op het eerste middel al is aangegeven is er geen ruimte voor een richtlijn conforme interpretatie ten nadele van een burger als de tekst van de Nederlandse wet heel duidelijk is. Er bestaat dan zeker geen ruimte om een begrip, dat die beperking inhoudt (accommodatie) richtlijn conform ten nadele van de burger er in te interpreteren. Dat doorbreekt dan tevens de rechtszekerheid waar de burger, op de wettekst van zijn eigen staat op mag vertrouwen.
Toelichting op het derde middel
14.
Door te oordelen zoals het: Hof heeft gedaan, heeft het in feite een in een Europese richtlijn opgenomen bepaling (die is gericht tot de lidstaten van de Europese Unie) toegepast als ware die direct werkend jegens niet-leden (de burgers). Dat is in strijd met het recht.
Toelichting op het vierde middel
15.
Onder 5.5 stelt het Hof, zonder dat te motiveren, dat de Tabelpost richtlijnconform moet worden geïnterpreteerd, terwijl de tekst van de Nederlandse wet zeer duidelijk is.
16.
Wat het Hof eerst had behoren te doen is beoordelen of de dienst op basis van de geldende Nederlandse wettekst onder de Tabelpost kan worden gebracht. Het zonder enige motivering de handeling direct houden tegen de tekst van de richtlijn is onbegrijpelijk en is een motiveringsgebrek.
17.
Zo een duidelijke tekst behoeft niet richtlijn conform te worden geïnterpreteerd als die heel duidelijk is, ook al wijkt die tekst af van de richtlijn. Als het Hof dat had willen doen, had het Hof, gelet op het rechtzekerheidsbeginsel, dat moeten motiveren. Nu die ontbreekt is de uitspraak onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk en kan alleen daarom al niet is stand blijven.
Toelichting op het vijfde middel
18.
Het Hof geeft onder 5.10 blijk van een onjuiste rechtsopvatting over de duiding van de feiten en past daardoor het recht onjuist toe, voorts is de opmerking en daardoor de uitspraak onbegrijpelijk. Het Hof verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 10 augustus 2007, 43 169. ECLI:NL:HR:AZ3758 (hierna: ‘Vierdaagse arrest’). Het Hof overweegt:
‘Anders dan de organisatoren van de vierdaagse, beschikt belanghebbende niet over een exclusief aan haar ter beschikking staand ‘parcours’ op het strand, zodat ook geen sprake kan zijn van ‘ter beschikking stelling van een sportaccommodatie door belanghebbende.’
19.
Onder punt 1 van de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland (waartegen het beroep was gericht) staat:
‘De hoofdactiviteiten zijn blokarten en powerkiten en vinden plaats bij Strandpaviljoen [A] op het strand bij [Q]. Eiseres is geen eigenaar of huurder van het strandpaviljoen, maar heeft in het strandpaviljoen het exclusieve gebruiksrecht van een deel van de onderste verdieping, te weten een ontvangstruimte, een opslagruimte en een verkleedruimte. Zij mag daarnaast voor haar activiteiten gebruik maken van de andere delen van die verdieping, waar onder meer toiletten zijn gelegen. Het blokarten en powerkiten vindt plaats op een door de gemeente aangewezen stuk strand voor het strandpaviljoen. Dit stuk strand is 1 kilometer lang en afhankelijk van het getij ongeveer 400 meter breed. Voor haar activiteiten gebruikt eiseres afhankelijk van het aantal deelnemers, per event, ongeveer 15 of 20 procent van het strand.’
20.
In het proces-verbaal van de zitting bij het Hof op 30 augustus 2022 staat dat
‘Partijen hebben (…) desgevraagd eenparig aan het Hof bevestigd dat (…) de door belanghebbende aangeboden activiteiten kwalificeren als sportieve activiteiten;
Het hof er vanuit kan gaan het geschil enkel betrekking heeft op de activiteiten die belanghebbende aanbiedt op het evenemententerrein van het strand’
21.
Gelet op de vaststaande feiten is het onbegrijpelijk, dat gelet op en in vergelijking de feiten en overwegingen in het Vierdaagse arrest het Hof het aan belanghebbende ter beschikking staande ‘evenementenstrand’ met wat daar omheen aan faciliteiten ter beschikking staan, geen ‘accommodatie’ zou zijn en dat ‘parcours’ bij de vierdaagse dat wel zou zijn.
22.
Ook het gebruik van het woord ‘exclusief’ ter beschikking staan is onbegrijpelijk in de overweging van het Hof. Dat zou dan impliceren dat een accommodatie die niet exclusief ter beschikking zou staan, bijvoorbeeld in medegebruik, niet zou kwalificeren voor de toepassing van het verlaagde tarief, maar een exclusief gebruiksrecht (bijvoorbeeld huur) wel. Dat verschil is onnavolgbaar. Bijvoorbeeld een organisatie die gelegenheid geeft tot sportbeoefening in een gehuurde ruimte met sporttrainingsapparatuur zou wel het verlaagde tarief kunnen toepassen, maar twee organisaties die in diezelfde ruimte niet huren maar op basis van een medegebruiksovereenkomst gebruiken zouden dan niet het verlaagde tarief mogen toepassen. Dat is onnavolgbaar en is trouwens in strijd met het neutraliteitsbeginsel in de omzetbelasting.
23.
Overigens is het parcours bij de vierdaagse evenals het evenementenstrand openbaar gebied, waar ook niet sporters op kunnen komen.
Conclusie en verzoek
Om meerdere gronden kan de uitspraak van het Hof, behoudens die over de boetebeschikking van de rechtbank Noord-Holland alsmede de toegekende proceskostenvergoeding en de immateriële schadevergoeding, niet in stand blijven.
Ik verzoek u daarom de uitspraak van het Hof voor zover die betrekking heeft op de overige elementen (de hoofdzaak) te vernietigen en de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 februari 2021 met de kenmerken HAA 18/4800 en met HAA 18/4801 te bevestigen.
Verder verzoek ik u te bepalen dat de proceskosten in cassatie worden vergoed en dat de immateriële wordt aangepast, gelet op de verstreken tijd totdat het arrest wordt gewezen.
Hoogachtend,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 17‑01‑2025
S. Prechal, ‘Richtlijnconforme uitleg: Alice in Wonderland’, WFR 1991/1596; R.A. Wolf, NL-omzetbelasting of EU-btw? (oratie Amsterdam VU), Den Haag: Sdu Uitgevers 2013, p. 24.
S. Prechal, Directives in EC Law, Oxford (GB): Oxford University Press 2005, p. 213.
Uitspraak 17‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting; art. 9, lid 2, letter a, Wet OB 1968 en Tabel I, post b.3, bij de Wet OB 1968; punt 14 van Bijlage III bij BTW-richtlijn 2006; verlaagd tarief; gelegenheid geven tot het beoefenen van sport; blokarten en powerkiten op het strand met gebruikmaking van instructie- en kleedruimte in een strandpaviljoen.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/04594
Datum 17 januari 2025
ARREST
in de zaak van
de vennootschap onder firma [X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 1 november 2022, nrs. 21/00232 en 21/002331., op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland, (nr. HAA 18/4800 en HAA 18/4801) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over de periode 2013 tot en met 2016 en een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het jaar 2017.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.F. Karamat-Ali, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
1.2
Belanghebbende heeft verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade in het geval de procedure dusdanig lang duurt dat daarmee spanning en frustratie bij belanghebbende wordt verondersteld.De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek om vergoeding van immateriële schade en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende organiseert voor bedrijven en particulieren tegen vergoeding buitensportactiviteiten op en rond het strand. Die sportactiviteiten betreffen met name blokarten en powerkiten. Deze activiteiten vinden plaats op een door de gemeente voor het beoefenen van strandsporten aangewezen openbaar stuk strand (hierna: het evenementenstrand) in de nabijheid van een strandpaviljoen. Dit stuk strand is 1 kilometer lang en, afhankelijk van het getij, ongeveer 400 meter breed.
2.2
Belanghebbende heeft in het strandpaviljoen exclusief de beschikking over een ontvangstruimte, een opslagruimte en een kleedruimte met douchegelegenheid. De ontvangstruimte gebruikt belanghebbende voor het geven van instructie aan de deelnemers voorafgaande aan het sporten. Deelnemers gebruiken de kleedruimte om zich om te kleden en te douchen. In het kader van de hiervoor omschreven activiteiten mag tevens gebruik worden gemaakt van de toiletvoorzieningen van het strandpaviljoen.
2.3
Belanghebbende heeft ter zake van de vergoedingen die zij voor het blokarten en kitesurfen heeft ontvangen, op aangifte omzetbelasting voldaan naar het verlaagde tarief. Zij stelt zich op het standpunt dat zij haar afnemers gelegenheid biedt tot sportbeoefening zoals bedoeld in artikel 9, lid 2, letter a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) in samenhang gelezen met post b.3 van de bij de Wet behorende Tabel I (hierna: Tabel I).De Inspecteur stelt zich daarentegen op het standpunt dat de prestaties van belanghebbende niet kunnen worden aangemerkt als het geven van gelegenheid tot sportbeoefening in de hiervoor bedoelde zin, omdat het strandpaviljoen niet een sportaccommodatie is. Daarom is volgens de Inspecteur het verlaagde tarief niet van toepassing. Op die grond heeft de Inspecteur de naheffingsaanslagen opgelegd.
3. De oordelen van het Hof
3.1
Voor het Hof was in geschil of de hiervoor in 2.1 en 2.2 weergegeven prestaties tezamen kunnen worden aangemerkt als het in post b.3 van Tabel I bedoelde gelegenheid geven tot sportbeoefening en of zij daarom aan het verlaagde tarief zijn onderworpen. Het Hof heeft aangenomen dat de activiteiten die belanghebbende haar deelnemers op het evenementenstrand aanbiedt (zoals blokarten en powerkiten) zijn aan te merken als het beoefenen van sport.
3.2
Het Hof heeft vooropgesteld dat post b.3 van Tabel I in overeenstemming met BTW-richtlijn 2006 moet worden uitgelegd. Het heeft – onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 november 2016, Pavlína Baštová, C-432/15, ECLI:EU:C:2016:855 (hierna: het arrest Baštová) – geoordeeld dat het Unierechtelijke begrip sportaccommodatie in post 14 van Bijlage III van BTW-richtlijn 2006 betrekking heeft op een ruimte die voor sportbeoefening en lichamelijke opvoeding is bestemd. Naar het oordeel van het Hof volgt uit punt 65 van het arrest Baštová dat het verlenen van het gebruiksrecht van een accommodatie niet zijnde een sportaccommodatie, niet onder die tabelpost valt, ook niet als die accommodatie wordt gebruikt met het doel sportbeoefening of lichamelijke opvoeding voor ogen.
3.3
Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de ruimte in het strandpaviljoen niet kan worden aangemerkt als een sportaccommodatie. Deze ruimte is, gelet op de aard en inrichting, evident niet bestemd voor het beoefenen van sport, aldus het Hof. Dat de ruimte wel wordt gebruikt met het oog op sportbeoefening, maakt dat naar het oordeel van het Hof niet anders.Ook het evenementenstrand kan naar het oordeel van het Hof niet worden aangemerkt als een sportaccommodatie in de zin van post 14 van Bijlage III van BTW-richtlijn 2006, omdat belanghebbende niet beschikt over een exclusief aan haar ter beschikking staand parcours op dat strand, maar het gebruik plaatsvindt volgens het principe ‘wie het eerst komt, die het eerst maalt’. Onder die omstandigheden kan volgens het Hof niet worden gezegd dat de zaak van belanghebbende vergelijkbaar is met de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 10 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3758.
3.4
Het Hof heeft in dit kader ten slotte geoordeeld dat voor de beoefening van blokarten en powerkiten het gebruik van een sportaccommodatie niet noodzakelijk is, zodat het verlaagde tarief reeds daarom toepassing mist. Zou dat anders zijn, dan is het belang hiervan bijkomstig aan de begeleiding die belanghebbende aanbiedt, aldus het Hof.
4. Beoordeling van de middelen
4.1
De middelen richten zich tegen de hiervoor in 3.2 tot en met 3.4 weergegeven oordelen van het Hof. Zij lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
4.2
Bij de beoordeling van deze middelen stelt de Hoge Raad het volgende voorop.
4.2.1
Op grond van artikel 9, lid 2, letter a, van de Wet in samenhang gelezen met post b.3 van Tabel I is het geven van gelegenheid tot sportbeoefening onderworpen aan het verlaagde tarief. Met deze bepalingen heeft de wetgever uitvoering gegeven aan artikel 98, leden 1 en 2, van BTW-richtlijn 2006 in samenhang gelezen met punt 14 van Bijlage III van die richtlijn. Wat betreft de uitleg van de in post b.3 van Tabel I opgenomen bewoordingen “het geven van gelegenheid tot sportbeoefening” heeft de Hoge Raad geoordeeld dat deze zo veel mogelijk moeten worden uitgelegd in overeenstemming met punt 14 van de hiervoor genoemde Bijlage III.Volgens dit punt 14 mogen de lidstaten het recht gebruik te maken van sportaccommodaties onder een verlaagd tarief brengen. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat deze regeling betrekking heeft op het recht accommodaties te gebruiken die voor sportbeoefening en lichamelijke opvoeding zijn bestemd, en die ook worden gebruikt met dat doel voor ogen. Daarbij moet, aldus het Hof van Justitie, in het bijzonder in aanmerking worden genomen dat het begrip ‘gebruik (…) van sportaccommodaties’ verband houdt met diensten inzake de beoefening van sport en met lichamelijke opvoeding, en dat dergelijke diensten voor de heffing van omzetbelasting zo veel mogelijk als één geheel moeten worden beschouwd.2.
4.2.2
In aanmerking genomen dat post b.3 naar zijn bewoordingen niet is beperkt tot het recht gebruik te maken van sportaccommodaties maar deze tabelpost wel zo veel mogelijk richtlijnconform moet worden uitgelegd, heeft de Hoge Raad uitgaande van de hiervoor in 4.2.1 bedoelde rechtspraak van het Hof van Justitie geoordeeld dat dienstverlening bestaande in het geven van gelegenheid tot sportbeoefening onder terbeschikkingstelling van een accommodatie die is ingericht om daarin sport te beoefenen en/of die noodzakelijk is voor dat doel, bijvoorbeeld voor het verblijf van de sporters om zich gereed te maken voor het beoefenen van de sport en/of het beëindigen daarvan, valt onder het bereik van post b.3 van Tabel I. Voor toepassing van post b.3 van Tabel I maakt het dan ook niet uit dat het eigenlijke sporten geheel of gedeeltelijk plaatsvindt op een openbare weg, een openbaar terrein of openbaar water, mits daarbij een accommodatie als hiervoor bedoeld ter beschikking wordt gesteld.3.
4.3
De door het Hof vastgestelde feiten, zoals hiervoor in 2.1 en 2.2 weergegeven, laten geen andere conclusie toe dan dat de dienstverlening van belanghebbende jegens haar afnemers bestaat uit het met gebruikmaking van door haar ter beschikking gestelde sportattributen geven van gelegenheid om op het evenementenstrand sporten als blokarten en powerkiten te beoefenen, en dat daarvan deel uitmaakt het door de sporters doen gebruiken van een aan belanghebbende exclusief ter beschikking gesteld deel van het strandpaviljoen voor instructie ter voorbereiding van het sporten en voor omkleeddoeleinden voorafgaand aan het sporten en na afloop daarvan. Uit de door het Hof vastgestelde feiten volgt dat dit gebruik door sporters ook feitelijk plaatsvindt.
4.4
Zoals hiervoor in 4.2 is overwogen, kan van het geven van gelegenheid tot sportbeoefening als bedoeld in post b.3 van Tabel I ook sprake zijn wanneer het eigenlijke sporten geheel of gedeeltelijk plaatsvindt op openbaar terrein, mits dit sporten gepaard gaat met het ter beschikking stellen van een accommodatie die wordt gebruikt door de sporters met het oog op de voorbereiding voor het beoefenen van de sport en/of de afronding daarvan. Post b.3 van Tabel I sluit dus niet uit dat de eigenlijke sportbeoefening op openbaar terrein buiten een accommodatie plaatsvindt. Anders dan het Hof heeft geoordeeld, sluit post b.3 van Tabel I dus ook niet dienstverlening uit die betrekking heeft op het beoefenen van een sport waarvoor als zodanig het gebruik van een sportaccommodatie niet noodzakelijk is, maar waarbij wel in het kader van het gelegenheid geven tot sportbeoefening, als geheel, een accommodatie wordt gebruikt voor het geven van instructie en/of voor het zich gereed maken voor het sporten door de sporters. De hiervoor in 3.3 en 3.4 weergegeven oordelen van het Hof dat post b.3 van Tabel I niet van toepassing kan zijn, geven daarom blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De middelen slagen in zoverre.
4.5.1
Uit hetgeen hiervoor in 4.4 is overwogen, volgt dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. De middelen voor het overige behoeven geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4.5.2
De stukken van het geding laten geen andere slotsom toe dan dat de door belanghebbende aangeboden dienstverlening, als geheel genomen, uitsluitend verband houdt met de beoefening van sport, waaronder het ontvangen van de nodige instructie in een accommodatie, begeleiding, en het gebruik van kleedruimten ter voorbereiding op het eigenlijke sporten en na afloop daarvan. Deze dienstverlening valt daarom binnen de reikwijdte van post b.3 van Tabel I. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.
5. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
5.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht om bij overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade.
5.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 7 december 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 500.
6. Proceskosten
6.1
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof.Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers 22/04594 en 22/04595 zowel in de cassatieprocedure als in hoger beroep met elkaar samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
6.2
Gelet op artikel VI van de Ministeriële regeling van 8 november 20244.en de op die regeling gegeven toelichting moeten de hiervoor in 6.1 bedoelde vergoedingen worden berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt, dat wil zeggen naar een waarde per punt van € 907.5.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 500,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 548,
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 3.628, oftewel € 1.814, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op de helft van € 1.814, oftewel € 907, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- draagt de Inspecteur op aan het Hof het griffierecht te betalen voor de behandeling van het hoger beroep van € 541.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑01‑2025
Vgl. HvJ 10 november 2016, Pavlína Baštová, C-432/15, ECLI:EU:C:2016:855, punten 63 en 65.
Vgl. voor dit een en ander HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:854, rechtsoverweging 4.2.2 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 8 november 2024, nr. 5868220, tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht, het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet griffierechten burgerlijke zaken, Stcrt. 2024, 38002.
Vgl. HR 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1657, rechtsoverweging 2.7.3.