Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/8.2.2
8.2.2 De rechtszekerheid van de debiteur
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS370155:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Evenzeer als bescherming tegen bewijsnood, wordt in de doctrine als vetjaringsmotief breed aanvaard de bescherming tegen gegronde, maar niet meer verwachte vorderingen. Zie Asser/Hartkamp 4-1 (2004), nr 653; Valk, diss. p. 72; Spiro (1975), p. 11 e.v.; Staudinger-Peters (2004), § 194 Rnr 5; MilKo-Grothe (2003), Rnr 6; Palandt-Heinrichs (2002), § 194 Rnr 8; Diepenbrock (2006), p. 329 e.v.; McGuire (2004), p. 3; Law Commission (1998) p. 12. Wiersma, PP 2003. p. 13, is een van de weinigen, zo niet de enige (een met zijn opvatting overeenstemmende stellingname ben ik niet tegengekomen), die meent dat de verjaring uitsluitend dient ter voorkoming van bewijsmoeilijkheden.
Zo bijvoorbeeld het Allgemeines Landrecht für die preussischen Staaten van 5 februari 1794 I 9 § 569.
Zoals hiervoor uiteen werd gezet, is een belangrijk doel van verjaring de gedaagde tegen ongegronde vorderingen te beschermen. Daarmee wil niet gezegd zijn dat de verjaring zich zou willen beperken tot ongegronde vorderingen. Integendeel, een prominent doel van de verjaring is ook de afdwingbaarheid van vorderingen die wél gegrond zijn aan tijdsgrenzen te onderwerpen.1
Men zou in de gedachtevorming hieromtrent vier situaties kunnen onderscheiden. Ten eerste is het mogelijk dat de debiteur ondanks substantieel tijdsverloop zich van de vordering op zichzelf nog wel bewust is, maar hij haar gegrondheid betwist. Ten tweede is denkbaar dat hij van het bestaan van de vordering nooit heeft geweten. Ten derde kan het zich voordoen dat de debiteur het bestaan van de vordering vergeten is. Ten vierde is er de mogelijkheid dat de debiteur niet over de verschuldigdheid van de vordering twijfelt en hij haar ook niet vergeten is. Wij zullen zien dat in alle vier die situaties de verjaring een belang dient, maar dat dit belang in de derde en name de vierde situatie minder klemmend is. Voorts zal blijken dat het vertrouwensbeginsel aan dat belang steeds op verschillende wijzen accent geeft.
Ten eerste dus de situatie waarin de debiteur de vordering niet vergeten is, maar hij haar gegrondheid betwist. De veronderstelling in deze paragraaf is dat de vordering gegrond is, maar die zekerheid bestaat in werkelijkheid, voordat de rechter onherroepelijk uitspraak heeft gedaan, veelal niet. Het kan heel goed zijn dat de debiteur oprecht in de veronderstelling verkeert niets te hoeven voldoen of zulks tenminste vatbaar voor discussie acht. Zelf heeft hij het praktisch beschouwd niet in zijn macht aan de onzekerheid een einde te maken, omdat het initiatief tot een procedure niet bij hem, maar bij de crediteur ligt. De dreiging van een betwiste maar niet definitief gefalsificeerde vordering bezwaart de positie van de debiteur. Hij kan haar immers bij de inschatting van zijn vermogenspositie niet negeren omdat de kans bestaat dat zij toch gegrond blijkt te zijn. Enigerlei voorziening is dus onvermijdelijk. Voorzieningen leggen echter beslag op het te activeren vermogen, zodat hun onafzienbare handhaving belastend is. De debiteur heeft er gelet op deze problematiek van de vermogensplanning belang bij de vordering op enig moment uit de boeken te kunnen schrappen.
Voorts zal over het algemeen de debiteur niet tot in lengte van dagen blijven reserveren, maar er op enig moment op gaan vertrouwen dat hij wel niet meer zal hoeven voldoen: als de crediteur van oordeel was geweest dat de vordering wel verschuldigd was, dan had hij haar toch wel ingesteld. Zodra die ontwikkeling zich voordoet verschiet het verjaringsbelang van kleur, in die zin dat de verjaring niet meer is gericht tegen de noodzaak van het eindeloos beschikbaar houden van middelen, maar ter bescherming van gerechtvaardigd vertrouwen.
Ten tweede zijn er gevallen waarin de debiteur de vordering niet betwist, maar hij haar nooit heeft gekend, bijvoorbeeld doordat hij bij haar ontstaan niet zelf betrokken is geweest. Dat kan zich voordoen als de vordering is voortgevloeid uit de fout van iemand voor wie hij kwalitatief aansprakelijk is, zoals een kind, een werknemer of een vertegenwoordiger, of uit de gedraging van een compagnon of een erflater. Ook in die situatie is het verlate geldend maken van de vordering voor de debiteur bezwaarlijk. Bij gebrek aan bekendheid heeft hij weliswaar deze specifieke vordering nooit ingecalculeerd, maar in algemene zin zal de prudente debiteur wel rekening houden met het ontstaan van vorderingen buiten zijn invloed. De periode waarover hij dat doet, kan echter niet oneindig zijn. Als hij na het verstrijken van die periode alsnog wordt aangesproken, kan hem dat in verlegenheid brengen. Met name gecumuleerde periodiek verschuldigde bedragen kunnen tot serieuze problemen leiden. Ook afgezien van die directe financiële nood is het in bredere zin, uit economisch en psychologisch oogpunt, hinderlijk door een oude vordering te worden overvallen; de beoordeling van de actuele vermogenspositie blijkt niet te kloppen en toekomstplannen moeten worden gewijzigd.
Het belang van de debiteur krijgt extra reliëf in het besef dat goed te begrijpen is waarom de debiteur zijn vermogen niet meer op nakoming heeft ingericht. De debiteur koestert weliswaar niet ten aanzien van de litigieuze vordering het vertrouwen dat zij niet meer zou worden ingesteld — hij kende haar immers niet —, maar wel zal de debiteur in algemene zin aannemen dat als er buiten zijn medeweten enige vordering was ontstaan, de crediteur van die vordering werk zou hebben gemaakt. Blijft die actie uit, dan ontstaat bij de debiteur het gerechtvaardigde vertrouwen dat er geen vordering is.
Ten derde verdient overweging de situatie waarin de debiteur de vordering door tijdsverloop vergeten is. Zoals de kwaliteit van bewijs door tijdsverloop afneemt, zo verliezen ook de middelen die het bewustzijn van de vordering in stand houden aan kracht. Bij de inrichting van zijn vermogenspositie zal de debiteur, met name bij het treffen van voorzieningen, rekening houden met uitstaande verplichtingen. Die anticiperende maatregelen treft hij logischerwijze niet ter voldoening van vorderingen waarvan hij niet meer weet dat zij bestaan. Net als voor de debiteur die de vordering nooit heeft gekend, is het dus voor de debiteur die zijn vordering vergeten is, bezwaarlijk alsnog te moeten voldoen.
Ook hier krijgt het belang van de debiteur door het vertrouwensbeginsel extra gewicht, opnieuw niet door verwachtingen omtrent de litigieuze vordering — die was de debiteur immers vergeten — maar weer op een meer abstract niveau: de debiteur gaat op enig moment veronderstellen dat, mocht hij een vordering vergeten zijn, de crediteur hem op enig moment tot nakoming aangemaand zou hebben. Blijft die aanmaning uit, dan zal er wel geen vergeten vordering zijn en hoeft hij met een dergelijke vordering dus ook geen rekening meer te houden.
Men kan hier bij het belang van de debiteur wel een bedenking hebben. Waar de debiteur in de eerste twee situaties geen verwijt trof — het lag praktisch gezien niet in zijn macht aan de onzekerheid een einde te maken (de eerste situatie) of hij kende de vordering nooit (de tweede situatie) — zou men de debiteur van de vergeten vordering kunnen tegenwerpen dat het vergeten, en dus ook het overvallen worden door die vergeten vordering, slechts kon geschieden bij de gratie van zijn eigen nalatigheid; had hij de vordering gewoon op korte termijn voldaan, dan was er niets aan de hand geweest. Zijn belang bij verjaring is met andere woorden door eigen toedoen gecreëerd.
Dat verwijt treft nog sterker de debiteur in de vierde situatie, de debiteur die de vordering van meet af aan gekend heeft en haar ook niet vergeten is. Dat het antwoord op de vraag waarom de verjaring hem dan nog zou moeten beschermen niet geheel vanzelfsprekend is, blijkt uit het feit dat vroeger in verschillende rechtsstelsels voor een beroep op verjaring goeder trouw ten aanzien van de ongegrondheid van de vordering vereist was.2 Iedere moeilijkheid die door tijdsverloop ontstaat, zoals geblokkeerd kapitaal en onzekerheid, kan door de debiteur zelf teniet worden gedaan door te voldoen aan zijn verplichting.
Nu doet zich wel het feit voor dat wanneer de debiteur in zijn niet-voldoening volhardt, toch op enig moment bij hem het op zichzelf gerechtvaardigde vertrouwen ontstaat dat de crediteur zijn vordering verder laat rusten. De crediteur kan dat welbewust doen uit persoonlijk of zakelijk gemotiveerde coulance of omdat hij opziet tegen mogelijke rompslomp en kosten van het geldend maken; mogelijk is natuurlijk ook dat hij haar eenvoudig vergeten is. Als de debiteur zijn vermogen in lijn met die verwachting heeft ingericht, treft het verlate geldend maken hem evenzeer als de debiteuren in de drie hiervoor beschreven situaties. Dat echter dit belang is geboren uit de welbewuste niet-voldoening door de debiteur doet echter toch wel wat af aan zijn beschermwaardigheid.
De conclusie luidt dat in alle vier hiervoor besproken gevallen de verjaring voor de debiteur van wezenlijke betekenis is, waarbij wel met name ten aanzien van de bewust onvoldaan gelaten vordering en in wat mindere mate ten aanzien van de vergeten vordering de kanttekening past dat het belang bij verjaring door de debiteur zelf in het leven is geroepen.
De vraag is evenwel welk praktisch gevolg men eigenlijk aan die laatste nuancering zou kunnen verbinden. Strikt materieel beschouwd is wellicht verdedigbaar, om een denkbare regel te noemen, dat de verjaring niet ten dienste staat aan de debiteur te kwader trouw. Maar hoe zou men die regel moeten operationaliseren naast, bijvoorbeeld, de regel dat de verjaring wel ten dienste staat aan de debiteur die een vordering vreest (de eerste situatie)? Men zou rechtsgevolg moeten toekennen aan de persoonlijke perceptie van de debiteur op die vordering. Bewijslevering daaromtrent is in veel gevallen moeilijk voorstelbaar; hoe laat zich aantonen dat de debiteur geen twijfel koesterde maar geheel zeker was over de verschuldigdheid van de vordering? Een gelegenheidsaarzeling is snel verzonnen en nauwelijks te ontmaskeren. Enige differentiatie naar gelang de kennis en verwachting van de debiteur is met andere woorden veelal lastig te vertalen naar positief recht.
In deze paragraaf werd het rechtszekerheidbelang van de debiteur besproken en in de voorgaande paragraaf het bewijsbelang van de debiteur. Dat zijn beide belangen van de individuele debiteur. Thans komt de vraag aan de orde of naast deze belangen, met de verjaring ook nog een bovenindividueel belang wordt gediend.