Hof Amsterdam, 14-01-2020, nr. 200.166.688/01
ECLI:NL:GHAMS:2020:92
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
14-01-2020
- Zaaknummer
200.166.688/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2020:92, Uitspraak, Hof Amsterdam, 14‑01‑2020; (Hoger beroep)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2017:4441
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2014:2852
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2018:1960
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:1345, Bekrachtiging/bevestiging
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2017:1749
ECLI:NL:GHAMS:2018:1960, Uitspraak, Hof Amsterdam, 12‑06‑2018; (Hoger beroep)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2017:4441
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2017:1749
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2020:92
ECLI:NL:GHAMS:2017:4441, Uitspraak, Hof Amsterdam, 31‑10‑2017; (Hoger beroep)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2018:1960
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2020:92
ECLI:NL:GHAMS:2017:1749, Uitspraak, Hof Amsterdam, 09‑05‑2017; (Hoger beroep)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2018:1960
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2020:92
ECLI:NL:GHAMS:2015:1855, Uitspraak, Hof Amsterdam, 12‑05‑2015; (Hoger beroep)
- Vindplaatsen
JERF Actueel 2020/44
ERF-Updates.nl 2020-0038
Uitspraak 14‑01‑2020
Inhoudsindicatie
Wilsbekwaamheid erflaatster bij opmaken van testament. Artikel 3:34 BW
Partij(en)
arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM, als nevenzittingsplaats van het
gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
afdeling civiel recht en belastingrecht
team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.166.688/01
zaaknummer rechtbank : C/16/335042 / HA ZA 13-33
arrest van de meervoudige familiekamer van 14 januari 2020
inzake
1. [appellante sub 1] ,
wonend te [woonplaats 1] ,
2. mr. Johannes Cornelis Jacobus SMALLENBROEK,
in zijn hoedanigheid van (opvolgend) executeur/afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van [X] ,
kantoorhoudend te Leiderdorp,
APPELLANTEN,
advocaat: mr. J. van der Steenhoven te Amsterdam,
tegen:
1. [geïntimeerde sub 1] ,
wonend te [woonplaats 2] ,
2. [geïntimeerde sub 2],
wonend te [woonplaats 3] ,
GEÏNTIMEERDEN,
advocaat: mr. B. Breederveld te Alkmaar.
1. Het geding in hoger beroep
Appellanten worden hierna wederom gezamenlijk als appellanten aangeduid en afzonderlijk als [appellante sub 1] respectievelijk mr. Smallenbroek. Geïntimeerden worden hierna gezamenlijk [geïntimeerden] genoemd en afzonderlijk [geïntimeerde sub 1] respectievelijk [geïntimeerde sub 2] .
Het hof heeft in deze zaak op 12 juni 2018 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot die datum wordt verwezen naar dat arrest.
Bij voormeld tussenarrest heeft het hof een nader onderzoek door de deskundige dr. C.M.A.A. Roks (hierna: de deskundige), neuroloog, bevolen, alsmede [geïntimeerden] toegelaten tot het bewijs van hun stelling dat op 1 augustus 2011 bij erflaatster sprake was van vasculaire dementie en dat deze stoornis een redelijke waardering van de bij de wilsverklaring betrokken belangen heeft belet, althans de wilsverklaring onder invloed van de stoornis is gedaan.
Op 30 november 2018 heeft de deskundige een nader rapport, met bijlagen, uitgebracht.
[geïntimeerden] hebben zes getuigen voorgebracht. Van het verhoor van die getuigen is proces-verbaal opgemaakt.
Vervolgens hebben [geïntimeerden] een ‘Slotakte, tevens akte naar aanleiding van deskundigenbericht en getuigenverhoren, tevens akte tot overlegging producties’ genomen en appellanten gelijktijdig een memorie na deskundigenbericht en na enquête.
Ten slotte is arrest bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1.
Namens [geïntimeerden] is bij hun ‘Slotakte, tevens akte naar aanleiding van deskundigenbericht en getuigenverhoren, tevens akte tot overlegging producties’ nog een vijftal producties (producties 19-22) overgelegd. Hiertegen is door appellanten bezwaar gemaakt. Nu de producties eerst in de allerlaatste fase van de procedure zijn overgelegd terwijl voor het overleggen van producties geen gelegenheid was geboden, appellanten daar niet meer op hebben kunnen reageren en niet is gesteld of gebleken dat de betreffende producties niet eerder in het geding hadden kunnen worden gebracht, zullen deze vijf producties wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.
wilsbekwaamheid
2.2
Zoals in het tussenarrest van 9 mei 2017 reeds is overwogen, komen de grieven er in de kern op neer dat appellanten betwisten dat bij erflaatster, de moeder van [appellante sub 1] en [geïntimeerden] , sprake was van een geestesstoornis en dat in verband daarmee haar wil tot het maken van het testament van 1 augustus 2011, in welk testament [geïntimeerden] als erfgenamen zijn uitgesloten, heeft ontbroken. [geïntimeerden] blijven bij hun (primaire) standpunt dat de uiterste wilsbeschikking nietig is omdat erflaatster leed aan vasculaire dementie zoals deze in ieder geval na het ondertekenen van het testament is vastgesteld, hetgeen samen met het geestelijke vermogen van erflaatster in het algemeen er de oorzaak van is dat erflaatster niet in staat was haar wil te verklaren en haar in de uiterste wilsbeschikking neergelegde verklaring niet in overeenstemming is met haar wil.
2.3
De vraag ligt derhalve voor, zoals eveneens reeds in het tussenarrest van 9 mei 2017 is overwogen, of erflaatster ten tijde van het opmaken van haar uiterste wilsbeschikking op 1 augustus 2011 wilsonbekwaam was. Ter beantwoording van deze vraag is in de tussenarresten van 9 mei 2017, 31 oktober 2017 en 12 juni 2018 een (nader) onderzoek door een onafhankelijk deskundige noodzakelijk geacht en bevolen en de deskundige benoemd om dit onderzoek te verrichten. Tevens zijn [geïntimeerden] bij arrest van 12 juni 2018 toegelaten tot het bewijs van hun stelling dat op 1 augustus 2011 bij erflaatster sprake was van vasculaire dementie en dat deze stoornis een redelijke waardering van de bij de wilsverklaring betrokken belangen heeft belet, althans dat de wilsverklaring onder invloed van de stoornis is gedaan.
2.4.
In zijn deskundigenrapport van 28 februari 2018 heeft de deskundige naar aanleiding van door hem verricht onderzoek de aan hem voorgelegde vragen of bij erflaatster sprake was van een stoornis van de geestvermogens en zo ja, of op 1 augustus 2011 sprake was van deze stoornis en of deze stoornis een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsverklaring betrokken belangen heeft belet of dat de wilsverklaring onder invloed van de geestelijke stoornis is gedaan, als volgt beantwoord:
“1. Was bij de erflaatster sprake van een stoornis van de geestvermogens.
Antwoord: Er is voldoende onderbouwing om vast te stellen dat er bij mw [X] (erflaatster; hof) sprake was van cognitieve stoornissen.
De eerste melding die ik daarvan kon vinden in het medische dossier is van de specialist ouderengeneeskunde J.T.H. Hoijtink. Op 3-9-2010 spreekt hij van een cerebro vasculair accident gepaard gaande met cognitieve stoornissen, tijdsoriëntatie, fatische stoornissen en stoornissen in de executieve functies met verlies van overzicht en planning. Het onderzoek voor deze verklaring vond plaats op 4-8-2010. Hij stelt vast dat deze cognitieve stoornissen mw [X] belemmeren in het zorg dragen voor haar financiële zaken. Deze beoordeling is verricht in het kader van een onderbewindstelling. Later geeft dhr Hoijtink in een toelichting per mail (dd 31-8-2017) aan dat de cognitieve stoornissen beperkt zijn in ernst en dat er geen sprake is van dementie.
(…)
15 november vindt er mailcontact plaats tussen [getuige A] en dhr Hoijtink. [getuige A] geeft in deze mail aan mw [X] in staat te achten de wijziging in het testament te beoordelen. Echter gezien de onderbewindstelling wil ze hiervan medische bevestiging. Op 24 december antwoordt dhr Hoijtink dat hij mw [X] op 24-11-2010 wederom heeft gesproken en haar wilsbekwaamheid daarbij heeft beoordeeld. Hij acht haar naar aanleiding van deze beoordeling in staat de essentie van een testament te begrijpen en hierover bewuste keuzes te maken.
Naar aanleiding van deze tweede beoordeling heb ik ook enkele vragen gesteld aan collega Hoijtink.
(…) vraag 4. Vond u dat mevrouw in de maanden tussen de twee beoordelingen achteruit was gegaan?
Antwoord collega Hoijtink; Nee, ik trof in november dezelfde mw. [X] aan als in augustus 2010. Met dezelfde (lichte) symptomatologie en ook met dezelfde ideeën.
Naar aanleiding van de eerste verklaring afgegeven op 3-9-2010 vraagt notaris [W] op 25 juli 2011 een toelichting. De bewoordingen in deze verklaring, die handelde over de onderbewindstelling, waren zodanig dat zij zich afvroeg of mw [X] is staat zou kunnen zijn een testament op te maken. Op 27 juli 2011 gaf dhr Hoijtink het antwoord dat een zelfde vraag in november 2010 heeft geleid tot een tweede huisbezoek (24-11-2010) waaruit dhr Hoijtink concludeerde dat mw [X] is staat is de essentie van een testament te begrijpen en hierover bewuste keuzes te maken.
26-1-2011 staat in de journaalregels van de huisarts vermeld dat mw [X] is gevallen. Er leek geen fractuur. (…) Er volgde een röntgenfoto op 2-2-2011 waarbij geen fractuur werd beschreven,. (…) 5-2-2011 volgde een verpleeghuisopname vanwege mogelijk toch een fractuur die door de zoon werd gevonden en aanhoudende pijn en een zorgprobleem. 7-2-2011 werd ze op eigen verzoek en op verzoek van partner en dochter weer naar huis vervoerd. In de korte verpleeghuisopname is in de nacht verwardheid beschreven passend bij een delier. De huisarts beoordeelde Mw [X] op 7-2-2011 als iets in de war. (…) Op 16-2 en 25-2-2011 meldt de huisarts een duidelijke verbetering waarbij niets werd vermeld over de cognitieve stoornissen. Op 28-2, 8-3 en 21-3-2011 werd door de huisarts een urineweginfectie vastgesteld en met antibiotica behandeld. 22-3-2011 beschrijft de huisarts dat het veel beter gaat met mw [X] en dat ze weer loopt.
Op 8-7-2011 vindt er een gesprek plaats met de huisarts, Mw [X] en echtgenoot. De conclusie uit dit gesprek luidt; algehele achteruitgang. De anamnese meldt; “paar maanden geleden gevallen, gestruikeld/uitgegleden over gladde vloer. (…) Zorgen om dikke enkels, looppatroon en vergeetachtigheid. Lichamelijk onderzoek meldt duidelijke woordvindstoornissen van mw, geheugen niet goed te beoordelen. (…) Op 18-7-2011 vindt wederom een gesprek met de huisarts plaats over de gang van zaken. De huisarts beschrijft hierbij; “het geheugen lijkt wel goed, echter houdt woordvindstoornissen en toch ook wisselend in de war volgens zorg. Er volgt een verwijzing naar de geriatrie met als toegangspad (soort zorgpad wat aangevraagd wordt lijkt me) “functionele achteruitgang”. Reden van verwijzing en vraagstelling luidt; “algehele achteruitgang, mn woordvindstoornissen, achteruitgang looppatroon en mogelijk ook cognitieve stoornissen.
Over de verwijzing van de huisarts naar de geriater heb ik per mail nog een aantal aanvullende vragen gesteld aan collega De Kort (de huisarts van erflaatster; hof) en per brief heb ik antwoorden ontvangen (zie bijlage 2).
Vraag 1. Ik las in het medisch dossier dat u mevrouw 18-7-2011 heeft verwezen naar de geriater. U geeft daarbij in het dossier aan dat ze het eens is met de verwijzing. Is dat iets wat ze in deze tijd zelf goed kon aangeven?
Antwoord collega De Kort: Ik heb bij de verwijzing aangegeven dat mevrouw dat wel wilde. Blijkbaar achtte ik haar daar dus toe in staat.
Vraag 2. U schrijft in de verwijzing dat er naast lichamelijke klachten mogelijk ook cognitieve stoornissen waren. Bij beoordeling van de geriater was er inmiddels een ernstige dementie. Maakte mevrouw tijdens de gesprekken met u ook al een (ernstig) demente indruk of leken er toen slechts lichte cognitieve stoornissen te bestaan?
Antwoord collega De Kort; In het eerste gesprek wat ik destijds met haar had vielen de herhalingen en woordvindstoornissen op. Op basis daarvan kan ik geen diagnose stellen, noch de ernst van een mogelijke diagnose dementie inschatten.
(…)
Al met al lijkt er dus een beeld te bestaan van een cognitieve stoornis zonder dat er dementie is vastgesteld. Maar vooral lijkt er sprake te zijn van een algehele achteruitgang die mogelijk is versterkt door een bedlegerige periode na een val met veel pijn. Het gaat hier zover ik kan beoordelen over een zeer kwetsbare vrouw met multiproblematiek. Uit de rapporten van dhr Hoijtink maar ook uit het dossier van de huisarts kan ik niet opmaken dat er sprake is van dementie voor de datum 1 augustus 2011.
2. Zo ja, was op 1 augustus 2011 sprake van deze stoornis en heeft deze stoornis een redelijke waardering van de bij uiterste wilsverklaring betrokken belangen belet ofwel is de wilsverklaring onder invloed van de geestelijke stoornis gedaan?
Als ik de samenvatting vanuit het medisch dossier van hierboven lees dan kom ik tot het antwoord nee. Er zijn echter na 1 augustus op medisch vlak wel zaken gebeurd die hier twijfel zouden kunnen geven. Cruciaal blijft natuurlijk wel hoe mw [X] op 1 augustus was. Hierover is van een medicus geen informatie en is er alleen een gedetailleerde beschrijving van de 2 getuigen die bij het tekenen van het testament aanwezig waren.
Zoals boven vermeld is er 18-7-2011 een verwijzing gestuurd voor beoordeling van de geriater. Niet met de vraagstelling dementie maar met de vraagstelling; ‘Algehele achteruitgang, mn woordvindstoornissen, achteruitgang looppatroon en mogelijk ook cognitieve stoornissen”. Er is in het dossier van de huisarts geen test over specificatie van de cognitieve stoornissen te vinden maar dit lezende lijkt de huisarts op dat moment geen ernstige dementie te signaleren. In mijn praktijk waar ik veel patiënten met dementie beoordeel signaleer ik dat bij een ernstig gevorderde dementie een huisarts geen bevestiging nodig heeft van een medisch specialist. Hoe ernstig de cognitieve stoornissen ten tijde van de verwijzing waren is uit het dossier en uit de aanvullende antwoorden van collega De Kort niet op te maken.
Uit het medisch dossier van de huisarts blijkt een progressief ziektebeeld met wisselende periodes van verwardheid. (…)
Op 31-10-2011 vond een consult plaats bij de geriater collega Janse en collega neuroloog Smidt.
Conclusie van dit polikliniek bezoek:
1. Ernstige fatische stoornissen, waardoor geheugen niet goed te beoordelen.
Waarschijnlijk al forse cognitieve stoornissen in het kader van een (vasculaire dementie)
(…)
Het ziektebeeld is dus uiteindelijk geduid als vasculaire dementie. Een diagnose die mij de meest logische lijkt. Ergens is er progressie opgetreden en afgaand op de gegevens die beschikbaar zijn is dit een snelle progressie geweest. Dit blijkt bv uit de beoordeling van collega Hoijtink op 4-8-2010. Hij nam een deel van de MMSE af. Dit betrof een deel waar mevrouw maximaal 23 punten kon halen. Ze haalde er 17. Dit betekent dat er tussen deze beoordeling en de beoordeling van de geriater op 31-10-2011 minimaal een achteruitgang van 16 punten is. Deze achteruitgang voldoet aan snelle progressie die in meerdere studies wordt gedefinieerd als meer dan 6 punten per jaar op de MMSE. Verder blijkt snelle progressie aan het overlijden wat vrij snel na de diagnose volgde op 25-4-2012 (…).”
2.5.
In zijn nadere deskundigenbericht van 30 november 2018 heeft de deskundige vervolgens onder meer als volgt aanvullend aan het hof bericht:
“Naar aanleiding van de eerste versie van mijn rapport zijn er aanvullende vragen gesteld door mr. dr. B. Breederveld, dd 9-8-2018. Van mr. J. van der Steenhoven ontving ik geen aanvullende vragen.
(…)
Ik heb inderdaad kennis kunnen nemen van het volledige medische dossier.
Ik heb geen toegang tot uitgebreide verpleegrapporten.
(..)
Vraag 3
Dr Janse rapporteert dat op 31 oktober 2011 sprake is van een diep demente vrouw ten gevolge van vasculaire dementie met een MMSE van 1. Onderschrijft u deze diagnose als de meest logische en door dr Janse vastgestelde diagnose? (…)
Het volgende staat letterlijk in mijn verslag en lijkt me het antwoord op uw vraag: “het ziektebeeld is dus uiteindelijk geduid als vasculaire dementie. Een diagnose die mij de meest logische lijkt.” De term diep demente vrouw komt niet voor in het verslag van collega Janse.
Vraag 4
Prof Scheltens rapporteert dat het ziektebeeld op 31 oktober 2011 en het enige neurologisch onderzoek daaraan voorafgaand door dr Hoijtink op 4 aug 2010 hetzelfde beeld laten zien van vasculaire dementie. Onderschrijft U zijn beoordeling? Indien niet kunt u dan aangeven waarom niet.
Dr Hoijtink concludeert geen vasculaire dementie. Ik kan uit het rapport van professor Scheltens niet opmaken dat hij de beoordeling van collega Hoijtink wel als zodanig interpreteert. (…)
Vraag 5
Ervan uitgaande dat u de beoordeling van prof Scheltens onderschrijft, kunt u dan onderschrijven dat de vasculaire dementie al bestond tijdens het onderzoek van dr Hoijtink op 4 aug 2010?
Ik heb geen reden om aan het oordeel van collega Hoijtink te twijfelen en hij concludeerde dat er geen dementie was.
(…)
Vraag 7
Op dementie.nl kunt U vinden dat het normale ziektebeloop van vasculaire dementie 3-5 jaar betreft.
Gezien het bovenstaande lijkt het ziekteverloop te passen bij het normale ziekteverloop van vasculaire dementie. Ziet U gegevens die afwijken van een normaal ziektebeloop?
Op dementie.nl trof ik geen 3-5 jaar. Wel de volgende zinsnede: “De levensverwachting bij vasculaire dementie loopt uiteen. Gemiddeld leven mensen nog vijf jaar na de diagnose.” De diagnose is door geriater Janse gesteld en mevrouw is dus binnen een jaar na de diagnose overleden. Naar mijn mening dus een snel progressief beloop zoals ik in mijn rapport uitgebreid heb beschreven.
(…)
Vraag 9.
Heeft u (…) bij uw overwegingen ter zake uw conclusie in aanmerking genomen dat zowel de nieuwe huisarts als de verpleging letterlijk een sterke algehele achteruitgang beschrijven van gesteldheid van mevrouw [X] al in de periode maart tot en met juli 2011 en niet eerst na 1 augustus 2011 zoals U postuleert. (informatie die Scheltens ontbrak)
Uit het dossier blijkt bijvoorbeeld dat er vele recidiverende urineweg infecties met delirante periodes waren in maart 2011. U schrijft in uw rapport dat dergelijke episodes zoals de val (eind januari 2011) en de recidiverende urineweg infecties (maart en juli 2011) het proces van vasculaire dementie kunnen versnellen. Verklaart dat dan niet de geconstateerde algehele achteruitgang die in juli 2011 werd gerapporteerd, waardoor het proces van de vasculaire dementie versneld is?
Er heeft waarschijnlijk ook voor 1 augustus al een achteruitgang plaats gevonden. In het medisch dossier betreft dit mn een algehele achteruitgang en niet een cognitieve achteruitgang, wel met momenten van verwardheid rondom infecties. De huisarts beschrijft op 18 juli 2011 nog dat er woordvindproblemen zijn maar dat het geheugen nog wel goed lijkt. De volgende journaalregel is van 1 september waar mevrouw erg verward is volgens verpleegkundige. Dit was na een lange autorit. De huisarts heeft contact gehad naar aanleiding hiervan en mevrouw zou bij dat contact (mogelijk telefonisch maar dat is niet genoteerd) alweer een stuk zijn opgeknapt. Er is op dat moment nog een urineweginfectie uitgesloten.
(…)
Afgaande op de aantekeningen van de huisarts is er ook voor augustus al een achteruitgang op lichamelijk vlak. Meest waarschijnlijk dat de opeenstapeling van deze lichamelijke factoren (val, infecties) uiteindelijk bij deze zeer kwetsbare mevrouw ook tot cognitieve achteruitgang heeft geleid.
(…)
Vraag 11
Onderschrijft u het navolgende. Uitgaande van de vastgestelde MMSE van 1 op 31 oktober 2011 en het ontbreken van enige indicatie van nieuwe events in augustus, september of oktober 2011 kan het niet anders dan dat er sprake is van een verder natuurlijk beloop van de vasculaire dementie in die periode, hetgeen ook blijkt uit de hetero anamneses. U schrijft dat gem 6 punten per jaar de MMSE score achteruitgaat dat is 0.5 punt per maand. Drie maanden voor de constatering van de MMSE van 1 zou dan bij natuurlijk verloop van de vasculaire dementie niet hoger dan 3 geweest kunnen zijn dat is per eind juli 2011. Zo nee, kunt u aangeven wat er aan deze benadering onjuist zou kunnen zijn?
Nee dit onderschrijf ik niet. Zoals eerder gezegd dit is niet een normaal natuurlijk beloop van vasculaire dementie maar een uitzonderlijk snel beloop. Terugrekenen van een MMSE van 1 naar een MMSE 3 maanden eerder is niet mogelijk. Dementie heeft geen lineair verloop en zeker vasculaire dementie niet wat gekenmerkt wordt door een grillig beloop (zie ook dementie.nl). Ook is de MMSE geen lineaire maat wat deze berekening terug in de tijd zeer onbetrouwbaar maakt.
(…)
Uit het verslag van dhr Hoijtink maak ik op dat er items van de MMSE zijn gevraagd die maximaal tot een score van 23 kunnen leiden. (…) Ik heb geen enkele reden aan te nemen dat er items zijn weggelaten door dhr Hoijtink. (…) In mijn betoog staat niet dat een MMSE van 17 vergelijkbaar is met een MMSE van 23 (6 punten meer). In mijn betoog staat dat mevrouw 17 punten heeft gehaald uit de 23 die er voor haar te halen waren.
(…)
Vraag 14
In welke mate heeft u bij uw onderzoek het oordeel van dr. Hoijtink laten meewegen, die mevrouw [X] slechts éénmaal (daadwerkelijk) heeft onderzocht op 4 augustus 2010, hiervan pas een maand later verslag heeft gedaan en twee maanden later alleen een gesprekje heeft gevoerd met mevrouw [X] , en vervolgens een jaar later een verklaring voor de notaris heeft afgegeven zonder mevrouw [X] opnieuw te onderzoeken?
Ik heb het oordeel van dhr Hoijtink laten meewegen in de zin dat hij een gedegen onderzoek heeft gedaan op 4 augustus 2010 en een herbeoordeling op 24-11-2010. Ik begrijp niet wat er relevant is aan dat het verslag een maand later definitief is gemaakt, dit heeft mijn oordeel niet beïnvloed. Ook is voor mij onduidelijk waarom de herbeoordeling als een gesprekje wordt benoemd.
(…)
Vraag 17
Heeft u in dat verband mede bij uw oordeel betrokken de verklaringen van de diverse kleinkinderen van mevrouw [X] . en van [geïntimeerde sub 2] , die haar hebben gesproken een dag na 1 augustus 2011 in verband met haar verjaardag en welke verklaringen deel uitmaken van het procesdossier?
Nee, zoals in het verslag gemeld heb ik wel zeer tegenstrijdige verslagen van familie en vrienden aangetroffen waarbij het niet in mijn vermogen ligt te beoordelen waar in deze tegenstrijdigheid de waarheid ligt.
(…)
7 november 2018 verzond ik versie 2 van het rapport naar beide raadslieden. Op 15 november ontving ik een ontvangstbevestiging en mededeling dat er geen verdere vragen of opmerkingen waren van mr. J. Van der Steenhoven. Op 27-11 ontving ik aanvullende vragen en opmerkingen van mr. dr. Breederveld (…). Voor het grootste deel beschouw ik deze opmerkingen als interpretatie van mijn verslag. Er waren nog een aantal aanvullende vragen die ik hieronder beantwoord.
(…)
De verwijsreden bij mw [X] was algehele achteruitgang en niet specifiek dementie.
(…)
18 juli 2011 is mevrouw door de huisarts beoordeeld die constateerde dat er woordvindproblemen waren, een goed geheugen en periodes met verwardheid. De nachtelijke onrust van de nacht tevoren lijkt daarbij te passen.”
2.6.
De door [geïntimeerden] in het kader van het aan hen opgedragen bewijs voorgebrachte getuigen zijn [getuige A] , notaris te [plaats a] (hierna: [getuige A] ), [getuige B] , kandidaat-notaris te [plaats b] (hierna: [getuige B] ), [getuige C] , notarieel secretaresse (hierna: [getuige C] ), [getuige D] , notarieel medewerker (hierna: [getuige D] ), [geïntimeerde sub 2] en [T] , de echtgenote van [geïntimeerde sub 1] en schoondochter van erflaatster (hierna: [T] ).
2.7.
De getuige [getuige A] heeft omtrent hetgeen te bewijzen is opgedragen niet ter zake dienend verklaard. De getuige [getuige B] heeft - voor zover hier van belang - het volgende verklaard:
“Ik heb (…) eerder een schriftelijke verklaring afgelegd. Ik blijf bij de inhoud van deze verklaring.
Er kwam een telefoontje en er werd een afspraak gemaakt voor een bespreking. Die bespreking werd gevoerd met mevrouw [W] , de notaris. Na die bespreking hebben we samen besproken wat er aan de hand was, wat er zou kunnen gebeuren en wat wij daarin zouden kunnen betekenen en hoe we het zouden gaan aanpakken. (…) toen heb ik de concept-akte gemaakt. Ik heb een toelichting daarbij gemaakt en die verzonden.
Ik heb zelf dat gesprek niet gedaan, maar ik denk dat [appellante sub 1] destijds heeft gebeld.
Er kwam een verzoek om een wijziging door te voeren. (…) ik weet niet wie dat verzoek heeft gedaan. Later in de maand juli is nog een keer een wijziging doorgevoerd. (…) We hebben in die maand ook contact gehad met de arts de die medische verklaring heeft opgesteld en aan het eind van de maand kwam ook het antwoord. De arts was de heer Hoijtink. (…) Na dat antwoord vond mevrouw [W] dat positief genoeg om een afspraak te maken om de akte te tekenen. (…)
Aan wie hebt u het concept met toelichting verzonden? Aan mevrouw [X] sr. en dat is ook zo geadresseerd. (…) het was aan haar eigen adres verzonden. (…) Gewoonlijk stuurden wij testamenten voor echtparen in één enveloppe. Dat is in dit geval waarschijnlijk ook gebeurd.”
2.8.
De getuige [getuige C] heeft – voor zover hier van belang – als volgt verklaard:
“Ik heb eerder een schriftelijke verklaring afgelegd. (…) Ik blijf bij de inhoud van de verklaring.
Ik weet nog dat ik mee ben geweest met mevrouw [W] . We gingen met de auto. Om een testament te passeren. Zij heeft in de auto nog kort uitgelegd wat we gingen doen en waar we op moesten letten. Toen we daar aankwamen werden we binnengelaten en hebben we eerst nog even wat gepraat. Mevrouw [W] is begonnen over de inhoud van het testament. Nadat zij dat heeft doorgenomen met wat pauzes is uiteindelijk het testament getekend. Ik had het idee dat mevrouw [X] begreep wat het testament inhield. Ik leidde dat af aan haar antwoorden en reactie. Het testament is van A tot Z doorgenomen. (…) Aanwezig bij het passeren waren mevrouw [W] , [getuige D] , ikzelf, de dochter van [Y] en [X] en [Y] en [X] . [appellante sub 1] is ondertussen weggeweest en is niet bij het gehele gesprek aanwezig geweest. (…) [De twee testamenten] zijn afzonderlijk behandeld. Ik weet dat die van meneer eerst is behandeld en daarna die van mevrouw. (…) Toen het testament van mevrouw behandeld werd, was [Y] daarbij aanwezig? Ja, maar mevrouw [W] is ook naar de keuken gegaan met mevrouw [X] en heeft daar apart met haar gesproken. (…) Is aan mevrouw [X] uitdrukkelijk meegedeeld dat zij twee van haar kinderen zou onterven? Ja en wat er verder was geregeld. (…) U vraagt mij naar de vragen van het stappenplan. Ik weet het niet precies meer, maar ik weet wel dat mevrouw [W] dubbele vragen heeft gesteld om te controleren of mevrouw het nog voldoende wist. Met dubbele vragen bedoel ik dat ze iets vroeg en een half uur of drie kwartier later dezelfde vraag nog een keer stelde om te kijken of mevrouw het dan nog wist. Dat was dan ook zo. (…) Er zijn die dag meerdere pauzes ingelast omdat we merkten dat mevrouw moe werd.”
2.9.
De getuige [getuige D] heeft – voor zover van belang – als volgt verklaard:
“Ik heb eerder een schriftelijke verklaring afgelegd. (…) Ik sta nog steeds achter de inhoud van de verklaring.
Op het moment dat we daar aankwamen zijn we ontvangen door de dochter. Er is vervolgens een informeel gesprek geweest, koetjes en kalfjes. (…) Mevrouw [W] is toen begonnen met het aangeven wat we daar kwamen doen. Toen is gevraagd aan mevrouw, zij was degene met wie wij zorgvuldig moesten omgaan, of zij wist wat wij kwamen doen. Dat heeft ze toen verteld in haar eigen bewoording. Toen zijn wij gestart met het doornemen van het testament. Ik kan mij niet herinneren welke woorden zij gebruikte maar het had wel te maken met de strekking van de inhoud van het testament. Vervolgens is met pauzes het testament doorgenomen en tot slot ondertekend. (…) Mijn algehele indruk van mevrouw [X] was dat zij op dat moment een testament kon maken, dat zij wist wat er in stond en akkoord was met de inhoud en dat zij op een gegeven moment vermoeid was. (…) De situatie was dat er een medische verklaring was gevraagd en dat ik als getuige de situatie nauwlettend in de gaten moest houden of iemand wel tekeningsbevoegd was. Met tekeningsbevoegd bedoel ik dat de persoon in kwestie de akte kon tekenen en de inhoud begrijpt. (…) situatie op het moment van tekenen zelf was zo dat het kon. Ze wist wat er in haar testament stond en stond daar achter. (…) in mijn ogen was zij helder van geest en was zij in staat de akte te tekenen”.
2.10.
[geïntimeerde sub 2] heeft, als partij-getuige, onder meer als volgt verklaard:
“Ik ben er van overtuigd dat zij (erflaatster; hof) op dat moment niet in staat was om een testament te begrijpen want zij was dementerend. Er zijn allerlei dingen gebeurd en uit de manier waarop zij dingen deed en de manier waarop zij dingen organiseerde was voor mij duidelijk dat zij het niet meer snapte. Zij deed bijvoorbeeld in gezelschap haar kunstgebit uit. (...) Ze begreep niet meer waar ik was als ik bijvoorbeeld in Frankrijk was dan vroeg ze kom gezellig even langs en dat zei ik dat wordt moeilijk want ik ben in Frankrijk. Ze wist ook de naam van mijn jongste dochter niet meer. (…) Eind augustus heb ik haar gezien. Ze was toen erg huilerig. Ze zei steeds ik vind het zo erg en toen ik haar vroeg wat is er dan zo erg toen kon ze het niet zeggen. Ze zei altijd dat ze het vreselijk fijn vond dat ik er was. (…) Ze kon niks organiseren in de keuken. Ze zette de kopjes in de ijskast en andere dingen in de oven. (…) Mijn vader was een extreem dominante en wilskrachtige man. Mijn moeder was een hele zachtaardige vrouw. Mijn vaders wil was wet. Ik denk dat mijn moeder toch wel heel erg mijn vader volgde in alles en dat zij niet sterk genoeg was om hem tegen te spreken.”
2.11.
[T] heeft - voor zover hier van belang - als volgt verklaard:
“Die dag zelf, op 1 augustus 2011, was ik niet aanwezig, maar wel een dag later op haar verjaardag. Ook was ik de week daarvoor geweest en ook kwam ik de week daarna weer dus ik ben tijdens die periode veel langs geweest. Het was erg moeilijk om met mijn schoonmoeder een gesprek te voeren. (…) ze kon niet meer goed haar zinnen formuleren. (…) Mijn schoonmoeder kon haar eigen verjaardag niet meer organiseren, dat moesten anderen doen. (…) Er kwamen mensen op bezoek (…) Sommige mensen herkende ze, mensen die vaak kwamen. Sommige mensen herkende ze niet. Bij telefoontjes wist ze achteraf niet wie ze aan de telefoon had.”
2.12.
Nu [geïntimeerden] zich erop beroepen dat bij erflaatster sprake was van vasculaire dementie, hetgeen samen met het geestelijke vermogen van erflaatster volgens hen de oorzaak ervan is dat erflaatster niet is staat was haar wil te verklaren en dat haar in de uiterste wilsbeschikking van 1 augustus 2011 neergelegde verklaring niet in overeenstemming is met haar wil, is het aan hen te (stellen en te) bewijzen dat erflaatster ten tijde van het opmaken van de uiterste wilsbeschikking leed aan een stoornis van de geestvermogens en voorts dat deze stoornis toen een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsverklaring betrokken belangen heeft belet ofwel dat de wilsverklaring onder invloed daarvan is gedaan. Dat, zoals [geïntimeerden] betogen, niet vlak voor 1 augustus 2011 om een medische verklaring is verzocht en dat volgens hen het Stappenplan Wilsbekwaamheid niet is gevolgd, maakt dat, ook indien dat laatste juist zou zijn, niet anders.
2.13.
Naar het oordeel van het hof zijn [geïntimeerden] niet in het (aan hen opgedragen) bewijs geslaagd. Daartoe is het volgende redengevend, in onderlinge samenhang beschouwd.
2.14.
De deskundige komt naar aanleiding van zijn onderzoek tot de conclusie dat bij erflaatster weliswaar sprake was van cognitieve stoornissen, niet zijnde dementie, maar dat deze stoornissen een redelijke waardering van de bij uiterste wilsverklaring van 1 augustus 2011 betrokken belangen niet hebben belet. De deskundige komt tot die conclusie op basis van de omstandigheden dat dr. J.T.H. Hoijtink, specialist ouderengeneeskunde (hierna: Hoijtink), op 4 augustus 2010 geen dementie heeft geconstateerd, dat Hoijtink eind november 2010 een zelfde beeld van erflaatster had als in augustus daarvoor en haar in staat achtte de essentie van een testament te begrijpen en om hierin een bewuste keuze te maken en dat de huisarts erflaatster op 18 juli 2011 (derhalve kort voor het maken van de uiterste wilsbeschikking) weliswaar naar een geriater heeft verwezen, maar dat dit niet met de vraagstelling dementie was maar vanwege een algehele (lichamelijke) achteruitgang en mogelijke cognitieve stoornissen en dat de huisarts op dat moment geen ernstige dementie lijkt te signaleren. De deskundige benoemt dat op 31 oktober 2011 vervolgens door de klinisch geriater dr. A. Janse (hierna: Janse) wordt geconcludeerd dat bij erflaatster sprake is van ernstige fatische stoornissen en waarschijnlijk al forse cognitiestoornissen in het kader van een (vasculaire) dementie en dat uiteindelijk de diagnose vasculaire dementie is gesteld, waarbij kennelijk een snelle progressie is opgetreden. De deskundige wijst erop dat dementie geen lineair verloop heeft (en zeker vasculaire dementie niet) en dat de MMSE (mini mental-state examination) geen lineaire maat is, hetgeen een berekening daarvan terug in de tijd zeer onbetrouwbaar maakt. De deskundige blijft ook na de aanvullende vragen bij zijn eerdere conclusie.
Het hof acht de conclusie van de deskundige inzichtelijk en voldoende gemotiveerd onderbouwd en zal deze conclusie daarom volgen, in die zin dat niet is komen vast te staan dat de cognitieve stoornissen een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsverklaring van 1 augustus 2011 betrokken belangen hebben belet. Dat de deskundige opmerkt dat na 1 augustus 2011 op medisch vlak een en ander is voorgevallen dat aanleiding tot twijfel aan zijn conclusie kan geven, doet daaraan niet af. Er is, zoals de deskundige in zijn rapport concludeert, geen medisch bewijs voor de vaststelling dat erflaatster op 1 augustus 2011 leed aan vasculaire dementie en vanwege het grillige, niet lineaire verloop van vasculaire dementie kan niet, zo begrijpt het hof uit het deskundigenrapport, worden vastgesteld dat de op of na 31 oktober 2011 geconstateerde dementie op 1 augustus 2011 aanwezig moet zijn geweest. Daarenboven geldt dat ook indien vanwege de nadien vastgestelde dementie op 1 augustus 2011 wel sprake moet zijn geweest van (een mate van) dementie bij erflaatster, daaruit niet zonder meer volgt dat dit tot wilsonbekwaamheid had geleid. Zoals onder andere uit de in het tussenarrest van 9 mei 2017 in 3.8 onder A weergegeven brief van prof. dr. Ph. Scheltens, neuroloog VUmc Alzheimercentrum (hierna: Scheltens), blijkt, impliceert een diagnose van dementie niet automatisch dat een patiënt geheel of deels wilsonbekwaam is en impliceert geen enkele dementie, dus ook niet in vasculaire vorm, wilsonbekwaamheid. Dit hangt af van vele factoren, waaronder de ernst van de dementie en de bekwaamheid waarvoor.
2.15.
[geïntimeerden] hebben in hun akten na het deskundigenbericht en het aanvullende deskundigenbericht aangevoerd dat de deskundige niet over de verpleegrapporten heeft beschikt, dat - anders dan de deskundige kennelijk meent - uit de processtukken niet kan worden afgeleid dat erflaatster een heldere indruk maakte, dat juist is dat in het medische dossier van erflaatster gegevens ontbreken die een geestelijke stoornis op 1 augustus 2011 onderbouwen, maar dat wel hetero anamneses van 2 augustus 2011 beschikbaar zijn (de verklaringen van de kleinkinderen [kleinkind 1] , [kleinkind 2] en [kleinkind 3] ) waaruit zulks volgt, dat de verklaringen van Hoijtink waarop de deskundige zich baseert niet consistent zijn en dat de huisarts in het ziektebeeld wel voldoende aanleiding zag om erflaatster naar een geriater door te verwijzen om een dementie zorgpad in te zetten. Voorts hebben [geïntimeerden] aangevoerd dat de arts prof. Graig Ritchie (hierna: Ritchie), wiens rapport volgens [geïntimeerden] als belangrijk deskundigenrapport is aan te merken, op basis van de beschikbare informatie heeft geconcludeerd dat erflaatster in maart 2011 al haar wilsbekwaamheid had verloren, dat Janse eind oktober 2011 de diagnose vasculaire dementie heeft gesteld met een MMSE score 1, zodat erflaatster in augustus 2011 wel dement moet zijn geweest, dat gelet op het grote verval in de MMSE score in een periode van 14 maanden (van 17 in augustus 2010 naar 1 in oktober 2011) aannemelijk is dat erflaatster op 1 augustus 2011 in verband met haar geestelijke gesteldheid niet in staat was de gevolgen van haar handelen te overzien en dat het beeld dat Janse op 22 november 2011 van erflaatster rapporteerde gelijk is aan het beeld dat Hoijtink van erflaatster had op 24 november 2010, waarbij Janse heeft geconcludeerd dat sprake was van een diep demente vrouw. Verder heeft [geïntimeerde sub 1] in de akte na deskundigenbericht nog op verschillende passages uit het rapport van de deskundige gereageerd.
2.16.
Deze bezwaren van [geïntimeerden] leiden niet tot een ander oordeel. In de eerste plaats geldt dat de deskundige weliswaar niet over de verpleegrapporten heeft beschikt, maar dat geen feiten en/of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot het oordeel moeten leiden dat de deskundige zonder deze rapporten niet tot zijn conclusie heeft kunnen komen. Van de vaststelling door de deskundige dat erflaatster ook een heldere indruk maakte, kan voorts niet worden gezegd dat dit niet juist is. De deskundige stelt op basis van het aan hem verstrekte dossier vast dat de processtukken twee beelden van erflaatster geven: ten eerste een zeer demente indruk en ten tweede een juist heldere indruk. Hij komt tot deze vaststelling op basis van de zich in het dossier bevindende (getuigen)verklaringen. Zo bevinden zich in het dossier (de door [geïntimeerden] aangehaalde) verklaringen van de kinderen van [geïntimeerden] die verklaren dat erflaatster in de zomer van 2011 en op haar verjaardag op 2 augustus 2011 een warrige, verwarde en niet heldere indruk maakte, niet goed uit haar woorden kon komen en geestelijk niet in staat leek om helder na te denken en een waardeoordeel te geven. Daartegenover bevinden zich in het dossier verklaringen van verschillende derden, waaronder van [N] , oud-anesthesist en een vriendin van erflaatster en wijlen [Y] (productie 22), [P] , gediplomeerd verpleegkundige en verzorgster van erflaatster (productie 23), en [R] , een vriend van erflaatster en [Y] (productie 24), die een ander beeld van erflaatster schetsen. In deze verklaringen komt onder andere naar voren dat erflaatster in de zomer van 2011 helder van geest was, wist wat zij wilde, een goed beoordelingsvermogen had en dat haar geheugen nog goed werkte. Volgens [R] was erflaatster op haar verjaardag in 2011 als vanouds en vol belangstelling. Ook [S] , de schoonzus van erflaatster (productie 8 bij conclusie van antwoord) heeft verklaard dat zij in de maanden juli en augustus (2011; hof) gewoon met erflaatster kon praten en dat zij normaal contact hadden.
Vanwege deze andersluidende verklaringen kan, anders dan [geïntimeerden] betogen, ook niet worden gezegd dat de verklaringen van de kleinkinderen van erflaatster over de toestand van erflaatster op 2 augustus 2011 de stelling genoegzaam schragen dat bij erflaatster op 1 augustus 2011 sprake was van een geestelijke stoornis in een zodanige mate dat deze een redelijke waardering van de op die dag in de uiterste wilsbeschikking neergelegde wilsverklaring betrokken belangen heeft belet. De door de kleinkinderen beschreven verwardheid van erflaatster past bij de vaststelling van de verschillende medici - zoals blijkt uit het deskundigenbericht en de overige stukken van het dossier - dat erflaatster verwarde perioden kende. Deze verwardheid en de vastgestelde cognitieve stoornissen brengen echter zoals hiervoor is overwogen nog niet mee dat erflaatster wilsonbekwaam was ten tijde van het opmaken van haar uiterste wilsbeschikking op 1 augustus 2011.
Ook het betoog van [geïntimeerden] dat de verklaringen van Hoijtink waarop de deskundige zich baseert, niet consistent zijn en daarom, zo begrijpt het hof, niet betrouwbaar, treft geen doel. De deskundige heeft, op basis van de aan hem - onder meer door Hoijtink - verstrekte informatie, geconcludeerd dat Hoijtink gedegen onderzoek heeft gedaan en dat hij, de deskundige, geen reden heeft om aan het oordeel van Hoijtink te twijfelen. Volgens [geïntimeerden] roept met name het door hen (als productie 13 bij memorie na deskundigenbericht tevens akte uitlating producties, tevens akte uitlating nader verzoek) overgelegde mailbericht van [L] (hierna: [L] ), financieel adviseur van [geïntimeerden] , over een gesprek tussen haar en Hoijtink op 16 juli 2012 twijfels op over de consistentie van de verklaringen van Hoijtink. In dit mailbericht schrijft [L] onder meer dat erflaatster volgens Hoijtink ingewikkelde vragen nooit zou begrijpen en dat Hoijtink heeft gezegd dat hij medio 2011 eerst een verklaring had afgegeven waarin stond dat erflaatster leed aan vasculaire dementie. Nu dit echter een eenzijdige weergave van het gesprek betreft waarvan Hoijtink heeft weersproken dat het een juiste weergave betreft en de uitlatingen van [L] geen (voor wat betreft de gestelde medio 2011 afgegeven verklaring) dan wel (voor wat betreft het begrip van ingewikkelde vragen) onvoldoende steun vinden in de overige stukken van het dossier, kan niet worden gezegd dat dit mailbericht aan de verklaringen van Hoijtink afbreuk doet. Indien en voor zover [geïntimeerden] bedoeld hebben te betogen dat Hoijtink niet de juiste informatie aan de deskundige heeft verstrekt (omdat hij de vragen van de deskundige per mail heeft beantwoord en niet een afschrift van een formulier wilsbekwaamheid, dat hij zou hebben gebruikt, aan de deskundige heeft verstrekt), geldt dat voor een dergelijke vaststelling geen enkel aanknopingspunt is gebleken. Ook bevreemdt niet het gegeven dat Hoijtink met erflaatster de familierelatie en het willen onterven van [geïntimeerden] heeft besproken, nu dit (blijkens de bij het rapport van de deskundige gevoegde informatie) tijdens het eerste gesprek op 4 augustus 2010 op initiatief van erflaatster en [Y] reeds aan de orde was en het tweede gesprek met Hoijtink uitdrukkelijk vanwege het aanpassen van de uiterste wilsbeschikking heeft plaatsgevonden. Ook de stelling van [geïntimeerden] dat de huisarts in het ziektebeeld van erflaatster wel voldoende aanleiding zag om erflaatster naar een geriater door te verwijzen om een dementie zorgpad in te zetten, is niet juist. Blijkens het rapport van de deskundige heeft de huisarts erflaatster naar de geriater verwezen vanwege algehele achteruitgang en mogelijk cognitieve stoornissen en met als toegangspad “functionele achteruitgang”.
2.17.
Met betrekking tot de (in het tussenarrest van 9 mei 2017 onder 3.9 aangehaalde) verklaring van Ritchie van 31 maart 2016 geldt dat deze - blijkens die verklaring - is gebaseerd op informatie afkomstig van [geïntimeerde sub 1] en niet op het medische dossier van erflaatster, alsmede dat Ritchie in zijn e-mailbericht van 13 september 2017 (productie 42 bij nadere akte te vragen volledige proceskostenveroordeling) aan [appellante sub 1] schrijft: ‘I gave my report on good faith that the information I was receiving was accurate. There is however doubt regarding the level of accuracy and therefore places my opinion on insecure foundations. In the case of providing retrospective opinion of capacity, one relies entirely on the honesty and integrity of informants and the agreed validity of any reports or other materials. When these are called into question – as they are here – then one can only conclude that the opinion expressed in the report I wrote cannot to be seen as conclusive or indeed in its own right accurate. I would prefer therefore that this report be withdrawn from any further considerations (…).’ Gelet op deze omstandigheden zal het hof aan de verklaring van Ritchie van 31 maart 2016 voorbij gaan.
2.18.
Ook volgt het hof [geïntimeerden] niet in hun betoog dat Janse eind oktober 2011 de diagnose vasculaire dementie heeft gesteld met een MMSE score 1, zodat erflaatster in augustus 2011 wel dement moet zijn geweest. In de eerste plaats geldt, zoals hiervoor reeds is overwogen, dat de enkele diagnose vasculaire dementie op of na 31 oktober 2011 nog niet meebrengt dat erflaatster op 1 augustus 2011 wilsonbekwaam was. Ook niet indien eind oktober 2011 sprake was van een MMSE score 1. Daarbij komt dat naar de deskundige verwoordt in zijn rapport het terugrekenen van een MMSE van 1 naar een MMSE drie maanden eerder niet mogelijk is. Dementie heeft geen lineair verloop en zeker niet vasculaire dementie, wat gekenmerkt wordt door een grillig verloop. Er is sprake geweest van een snelle progressie van de vasculaire dementie bij erflaatster. Volgens de deskundige zijn er verschillende verklaringen mogelijk waarom er zo’n snelle progressie is geweest, zoals een delier (door andere somatische aandoeningen zoals infecties) die niet altijd herstelt en die tot een cognitieve en functionele achteruitgang kan leiden of een andere diagnose die niet is overwogen en derhalve niet is aangetoond of uitgesloten. Daarnaast geldt dat in de terugkoppeling van Janse aan de huisarts van 22 december 2011 over het consult van erflaatster op 31 oktober 2011 melding wordt gemaakt van ernstige fatische stoornissen, waardoor het geheugen niet goed is te beoordelen, en dat waarschijnlijk sprake is van forse cognitiestoornissen in het kader van een (vasculaire) dementie. Uit dit bericht volgt derhalve niet dat op 31 oktober 2011 de diagnose (vasculaire) dementie is gesteld. En hoewel zowel Hoijtink in november 2010 als Janse in november 2011 een zelfde beeld van erflaatster schetsen, was blijkens het deskundigenrapport de ernst van de door Hoijtink geconstateerde cognitieve stoornissen op dat moment beperkt. Ook spreekt Janse, zoals de deskundige ook opmerkt, niet van een diep demente vrouw. Volgens Scheltens (in zijn in overweging 3.11 van het tussenarrest van 9 mei 2017 aangehaalde brief van 6 maart 2017) is voorts een MMSE score van 1 dermate laag, dat deze erg onwaarschijnlijk is voor iemand die toen nog thuis woonde. Scheltens wijst erop dat uit het huisartsenjournaal naar voren komt dat erflaatster in de periode november-december 2011 vele malen een urineweginfectie had met bijbehorende verwardheid (hetgeen als een delirante episode moet worden geduid bij een patiënte bij wie de drempel voor een dergelijk delier verlaagd is), waarmee de wisselingen in het beloop heel goed zijn te verklaren en dat de MMSE van 1 als momentopname valt te duiden. De MMSE score kan daarom volgens Scheltens niet worden gebruikt om te beargumenteren dat er vier maanden daarvoor van wilsonbekwaamheid sprake moet zijn geweest.
2.19.
Gelet op al het voorgaande kan evenmin worden gezegd dat een verval in de MMSE score in de periode tussen 4 augustus 2010 en 31 oktober 2011, ook zonder de vaststelling dat bij erflaatster op 1 augustus 2011 sprake was van dementie, aannemelijk maakt dat erflaatster op die datum in verband met haar geestelijke gesteldheid niet in staat was de gevolgen van haar handelen te overzien.
2.20.
Aan de opmerkingen tot slot van [geïntimeerde sub 1] op de verschillende passages van het rapport van de deskundige zal het hof eveneens voorbij gaan. Niet alleen beschikte [geïntimeerde sub 1] niet over de volledige medische informatie, ook zijn aan deze opmerkingen nagenoeg geen conclusies verbonden. De door [geïntimeerden] aangevoerde bezwaren tegen en opmerkingen over het deskundigen rapport geven derhalve geen aanleiding om niet van de in het rapport geformuleerde conclusies uit te gaan.
2.21.
De verschillende hiervoor weergegeven getuigenverklaringen steunen evenmin de stelling van [geïntimeerden] dat erflaatster op 1 augustus 2011 niet in staat was haar wil te bepalen en dat haar in de uiterste wilsbeschikking van die datum neergelegde verklaring niet in overeenstemming is met haar wil. De door [geïntimeerde sub 2] en [T] beschreven verwardheid en het gemoed van erflaatster kunnen, zoals hiervoor reeds is overwogen, een dergelijke conclusie niet dragen. De getuigen [getuige D] en [getuige C] hebben weliswaar over de gang van zaken bij het passeren van de uiterste wilsbeschikking van erflaatster op onderdelen niet gelijkluidend verklaard, maar dat doet niet af aan de betrouwbaarheid van hun beider verklaring dat erflaatster naar hun overtuiging de inhoud van de uiterste wilsbeschikking begreep en dat dit overeenkwam met haar wil, alsmede dat erflaatster huns inziens conform haar wil kon beschikken. Daarnaast blijkt uit de verklaringen van de getuigen [getuige B] , [getuige C] en [getuige D] dat zij bij hun eerder afgelegde schriftelijke verklaringen blijven. Uit deze schriftelijke verklaringen volgt dat de notaris oog had voor en overleg had over de situatie van erflaatster (waaronder haar leeftijd, de omstandigheid dat iemand anders dan erflaatster het eerste contact legde met de notaris en de verhoudingen binnen de familie) en dat zij een medische verklaring heeft gevraagd en de uiterste wilsbeschikking in het bijzijn van getuigen heeft verleden teneinde zich te overtuigen van de wil en wilsbekwaamheid van erflaatster. De getuigen [getuige C] en [getuige D] hebben ieder verklaard dat zij als getuigen moesten letten op de indruk die erflaatster maakte; of ze voldoende helder van geest was, de indruk gaf de inhoud van de uiterste wilsbeschikking te begrijpen en ermee in te stemmen en of sprake was van druk van buitenaf. Volgens deze getuigen maakte erflaatster op 1 augustus 2011 een heldere indruk en gaf zij meermalen in haar eigen, duidelijke bewoordingen aan dat zij de inhoud van de uiterste wilsbeschikking, zoals deze werd besproken en voorgelezen, begreep en wilde. Tevens hebben deze getuigen verklaard dat de notaris de inhoud van de uiterste wilsbeschikking zeer uitgebreid aan erflaatster heeft toegelicht en regelmatig de inhoud van hetgeen zij voorlas heeft samengevat en heeft gevraagd of erflaatster het begreep en of het in overeenstemming was met haar wil. Erflaatster antwoordde daarop steeds bevestigend. Uit deze verklaringen volgt derhalve dat erflaatster kennelijk in staat was haar wil te bepalen en dat de inhoud van de uiterste wilsbeschikking overeen kwam met haar wil.
2.22.
Anders dan [geïntimeerden] hebben betoogd, is op grond van voornoemde getuigenverklaringen en de (in het tussenarrest van 9 mei 2017 onder 2.14 aangehaalde en verder hierna in 2.27 weergegeven) verklaring van [Y] van 22 november 2012 ook voldoende komen vast te staan dat bij het tot stand komen van de uiterste wilsbeschikking van erflaatster de nodige zorgvuldigheid in acht is genomen. Aan erflaatster is een concept van de uiterste wilsbeschikking met daarop een uitgebreide toelichting toegezonden. Dit concept met toelichting is blijkens de verklaring van [Y] door erflaatster en hem besproken, hetgeen de stelling van [geïntimeerden] weerlegt dat erflaatster geen betrokkenheid bij het tot stand komen van haar uiterste wilsbeschikking heeft gehad. De toelichting was volgens [Y] eenvoudig voor hen te begrijpen en de inhoud kwam overeen met hetgeen erflaatster en hij wensten. In de toelichting staan het doel, de strekking en de gevolgen van de uiterste wilsbeschikking duidelijk omschreven. Hoewel hierin, zoals [geïntimeerden] betogen, niet uitdrukkelijk staat vermeld dat [geïntimeerden] worden onterfd, is dat niet onbegrijpelijk omdat het een impliciete onterving betreft. Er staat immers vermeld wie de erfgenamen zijn, te weten de echtgenoot en de dochter [appellante sub 1] . Nadat naar aanleiding van opmerkingen op het concept aanpassingen waren gemaakt, is de uiterste wilsbeschikking voor het ondertekenen door erflaatster door de notaris uitgebreid doorgenomen en voorgelezen. Dat de betrokken notaris een voor erflaatster onbekende notaris was die de uiterste wilsbeschikking heeft opgesteld doet aan het voorgaande niet. Blijkens de verklaring van [Y] van 22 november 2012, was deze notaris door een vriend van hem aangeraden naar aanleiding van de door hem uitgesproken wens om zich te laten adviseren over de mogelijkheden van juridische onterving van [geïntimeerden] Met [appellante sub 1] had dit derhalve niets van doen. Voorts geldt dat de notaris blijkens de verschillende getuigenverklaringen in lijn met het Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid heeft gehandeld, door in de eigen woonomgeving van erflaatster uitgebreid de tijd te nemen voor het verlijden van de uiterste wilsbeschikking, adequate en controlerende vragen te stellen en (ook) met erflaatster alleen te spreken. . [appellante sub 1] was tijdens het verlijden van het testament op momenten wel aanwezig, maar van enige actieve betrokkenheid is niet gebleken. In dit kader is nog van belang dat het hof geen acht slaat op het gespreksverslag met de notaris van 13 juli 2012. Het was niet mogelijk de notaris hierover te bevragen en appellanten hebben de juistheid van het gespreksverslag bestreden.
2.23.
Mede gelet op het voorgaande zijn voor de juistheid van de stelling van [geïntimeerden] dat erflaatster onvoldoende in staat was de gevolgen van haar uiterste wilsbeschikking te overzien en dat zij niet de intentie had [geïntimeerden] te onterven, geen, althans onvoldoende aanknopingspunten gebleken. Ditzelfde geldt voor de stelling van [geïntimeerden] dat de verklaring van [Y] van 22 november 2012 door [appellante sub 1] is georkestreerd. Uit (het slot van) de verklaring valt op te maken dat erflater de tijd heeft genomen zijn gevoelens aan het papier toe te vertrouwen om vervolgens die verklaring aan de notaris te zenden en haar te verzoeken een en ander vast te leggen in een akte. Dat de goederen van erflaatster op 8 december 2010 onder bewind zijn gesteld doet voorts evenmin af aan al hetgeen hiervoor is overwogen. De enkele omstandigheid dat erflaatster niet in staat werd geacht zorg te dragen voor haar financiële zaken, brengt immers nog niet mee dat haar wil tot het maken van de uiterste wilsbeschikking van 1 augustus 2011 moet worden geacht te hebben ontbroken.
2.24.
[geïntimeerden] hebben voorts nog weersproken dat sprake was van een verwijdering tussen hen en erflaatster die de aanleiding zou zijn voor de aanpassing van haar uiterste wil en gesteld dat derhalve geen motief voor onterving bestond. Ter adstructie hebben zij (als productie 2 bij memorie van antwoord) een foto van erflaatster met [geïntimeerde sub 2] overgelegd waarop zij naast elkaar afgebeeld staan en erop gewezen dat erflaatster steeds contact met [geïntimeerden] heeft onderhouden. De overgelegde foto en het gestelde contact doen echter niet af aan het feit dat uit verschillende stukken van het dossier naar voren komt dat erflaatster zich onheus door [geïntimeerden] behandeld voelde en in hen teleurgesteld was geraakt, hetgeen haar kennelijk heeft doen besluiten [geïntimeerden] niet tot erfgenamen te benoemen. Zo verklaart erflaatster in haar (als productie 7 bij bijlage 11 bij CvA overgelegde) verklaring van 14 augustus 2011 dat zij zich door [geïntimeerden] verloochend en verraden voelde. [geïntimeerden] hebben betwist dat deze verklaring van erflaatster afkomstig is. Volgens hen was erflaatster niet in staat om te typen en zou zij [appellante sub 1] nooit [V] noemen zoals in die verklaring staat. Alleen [appellante sub 1] noemt zich zo volgens [geïntimeerden] Dit laatste is evenwel feitelijk niet juist gelet op de verklaring van [Y] van 22 november 2012 en de (in 2.7 van het tussenarrest van 9 mei 2017 weergegeven) medische verklaring van erflaatster van 15 maart 2011 waarin eveneens van [V] wordt gesproken. Voorts geldt dat ook indien zou moeten worden aangenomen dat erflaatster de betreffende, door haar ondertekende verklaring niet zelf heeft getypt, die enkele omstandigheid nog niet meebrengt dat de inhoud niet overeenkomstig de wil van erflaatster is. Ook het betoog van [geïntimeerden] dat de wil van [Y] wet was en dat erflaatster - zo begrijpt het hof - slechts de wil van [Y] heeft gevolgd, kan hen niet baten. Volgens de getuigen [getuige D] en [getuige C] stond erflaatster niet onder druk en ook overigens is niet gebleken dat de uiterste wilsbeschikking niet overeenkomt met wat erflaatster zelf wilde. Dit geldt te minder nu erflaatster, zoals [Y] in zijn verklaring van 22 november 2012 heeft beschreven, in 2010 [geïntimeerden] , anders dan [Y] nog niet wilde onterven, maar dat enige tijd daarna ook voor haar ‘de maat vol’ was. Dit wijst er niet op dat erflaatster enkel [Y] volgde in diens wens.
2.25.
Gelet op al het voorgaande was bij erflaatster weliswaar sprake van cognitieve stoornissen, maar is niet komen vast te staan dat erflaatster op 1 augustus 2011 leed aan vasculaire dementie, althans aan een stoornis in een zodanig ernstige vorm dat de uiterste wilsverklaring van erflaatster van 1 augustus 2011 onder invloed daarvan is gedaan of dat die stoornis een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsverklaring betrokken belangen heeft belet. De daarop ziende grieven van appellanten slagen en de primaire stelling van [geïntimeerden] faalt. Voor zover de grieven zien op de vaststelling van de feiten of inhouden dat de rechtbank teveel nadruk op de stellingen van [geïntimeerden] heeft gelegd, ontbreekt daarbij zelfstandig belang. In zoverre behoeven de grieven dan ook geen bespreking.
Bedrog
2.26.
Nu de primaire stelling van [geïntimeerden] faalt, ligt hun subsidiaire stelling voor dat de uiterste wilsbeschikking van erflaatster van 1 augustus 2011 vernietigbaar is wegens bedrog dan wel misbruik van omstandigheden. Aan deze stelling hebben [geïntimeerden] ten grondslag gelegd dat tussen hen enerzijds en [appellante sub 1] anderzijds sprake is van een verstoorde familierelatie mede vanwege het geldelijk gewin dat [appellante sub 1] voor ogen stond bij het beheer van het vermogen van erflaatster. [appellante sub 1] heeft, zo stellen [geïntimeerden] , op onduidelijk wijze vermogen/gelden (€ 700.000,-) aan de huwelijksgoederengemeenschap van erflaatster en [Y] onttrokken waarna een conflict is ontstaan. Daarnaast heeft [appellante sub 1] naar aanleiding van een incident waarbij erflaatster op instigatie van [geïntimeerden] op 5 februari 2011 voor revalidatie in een verpleeghuis was opgenomen, zich uitsluitend negatief uitgelaten over [geïntimeerden] Zij heeft opzettelijk en bewust onjuiste mededelingen aan erflaatster gedaan door te stellen dat [geïntimeerden] erflaatster dement zouden willen laten verklaren en erflaatster op 5 februari 2011 hebben ontvoerd. Vervolgens heeft [appellante sub 1] erflaatster op basis van deze “slechte gedragingen” van [geïntimeerden] bewogen tot een aanpassing van haar uiterste wilsbeschikking. Volgens [geïntimeerden] was bij [appellante sub 1] sprake van een vooropgezet plan en heeft zij er in dat kader tevens voor gezorgd dat de voormalig vermogensbeheerder/adviseur en executeur, [IJ] (hierna [IJ] ), en de voormalige huishoudster [F] (hierna: [F] ) van erflaatster en [Y] werden ontslagen.
2.27.
Appellanten hebben het volgende verweer gevoerd. De verhouding van [geïntimeerden] met erflaatster en [Y] is verstoord sinds het incident op 5 februari 2011 waarbij [geïntimeerden] erflaatster tegen haar wens en zonder noodzaak hadden laten opnemen in een verzorgingstehuis. Hierdoor was bij de ouders veel verdriet en ook woede, die zich uitte in de wens om [geïntimeerden] te onterven. Mede het advies van [appellante sub 1] heeft ertoe geleid dat alle kinderen per staak gelijke delen krijgen, zij het dat hetgeen [geïntimeerden] toekomt beperkt is tot een legaat ter grootte van hun legitieme portie terwijl hun kinderen eveneens een bedrag is gelegateerd. Met betrekking tot [IJ] stellen appellanten zich op het standpunt dat [IJ] het vertrouwen van erflaatster en [Y] had beschaamd en dat het hun eigen beslissing was [IJ] te ontslaan.
Ter adstructie van hun verweer hebben appellanten verwezen naar de verklaring van [Y] van 22 november 2012 en de medische verklaring van erflaatster van 15 maart 2011. In de medische verklaring uit erflaatster de uitdrukkelijke wens dat ten aanzien van de medische behandelingen waarvan in die akte sprake is, nooit contact wordt opgenomen met [geïntimeerden] omdat [geïntimeerden] het vertrouwen van erflaatster in ernstige mate hebben beschaamd. In de verklaring van [Y] van 22 november 2012 staat voorts, naast hetgeen in het tussenarrest van 9 mei 2017 in 2.14 reeds is weergegeven, onder andere het volgende:
“Ik wil hier expliciet verklaren dat mijn zoon [geïntimeerde sub 1] en dochter [geïntimeerde sub 2] systematisch de wil en keuzes van [X] (erflaatster; hof) alsook van mij niet hebben gerespecteerd en respecteren en naar eigen inzichten, intenties met leugens en onder valse voorwendselen, zonder met ons te overleggen, gehandeld hebben. Uitdrukkelijk tegen ons beider wil in. (…) Eind 2009 heb ik [F] ontslagen, ik was het beu dat [F] tegen derden vertelde dat [X] dement zou zijn. [geïntimeerde sub 2] en [F] bleken dezelfde mening te delen. (…) De wijze waarop [geïntimeerde sub 2] zich vanaf rond 2000 naar mij gedroeg omschrijf ik als onrespectvol en vol verwijten. De verhouding verslechterde. (…) Zij respecteerde onze keuzes niet. [appellante sub 1] echter wel, met wie ik vaak over eventuele verdere verzorging sprak maar zij liet de keuze bij [X] en mijzelf. (…) In april 2010 ben ik wegens een vermeende hartaanval opgenomen in ziekenhuis Gelderse Vallei. Mijn oudste zoon heeft de regie uit handen van de specialisten van de Gelderse Vallei genomen (…) Ik werd officieel ontslagen, maar [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben mij gezegd dat ik de dag na mijn ontslag naar het Bronovo ziekenhuis moest voor nadere aan mij onbekende en niet toegelichte onderzoeken en dit geheel en al buiten overleg met mijzelf. (…) Toen de ontslagbrief werd meegegeven bleek er geen verwijzing naar het Bronovo door de behandelend arts uit het Antonius Ziekenhuis te zijn bijgevoegd/afgegeven. Sindsdien ben ik verder gaan twijfelen aan de intenties en integriteit van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] (…) Met deze verklaring wil ik eenduidig helder maken dat ik mijn oudste zoon zelden zag en sprak. (…) Mijn oudste dochter hooguit een keer per week, maar meestal minder frequent een ochtend kwam om mij en [X] te bezoeken. (…)
Periode april 2010 – september 2010. (…) [X] en ik kregen het steeds moeilijker met de veelvuldige conflicten met [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] . (…) Het vertrouwen brokkelde verder af. (…) [appellante sub 1] bemoeide zich niet met onze problemen met [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] . (…) Tijdens de bezoeken (3x) in juli en augustus 2010 aan [getuige A] te [plaats a] hebben wij ons geschonden vertrouwen in [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] geuit. (…) De rol van executeur [IJ] is aan de orde geweest waarvan [getuige A] heeft nagegeven dat de heer [IJ] veel te veel regie had over de financiën en het vermogen van ons beiden (…) Ik heb [getuige A] direct kenbaar gemaakt tijdens ons eerste bezoek dat ik [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] wilde onterven. [X] vond dat nog te vroeg en ik heb met haar ingestemd. (…)
Periode december 2010-maart 2011 (…) Eind januari 2011 is [X] uitgegleden op het parket in de woonkamer van ons huis. (…) Ik heb [appellante sub 1] gevraagd extra thuiszorg te regelen voor [X] . (…) De zorg was goed geregeld. (…) Op 2 februari 2011 heeft [geïntimeerde sub 2] zonder dokter Van Es (de huisarts van erflaatster; hof) te consulteren en tegen de wil van [X] en mijzelf in, een ambulance geregeld en [X] naar de Gelderse Vallei laten brengen om röntgenfoto’s van haar te laten maken. [X] vond het vreselijk (…) Op 5 februari 2011 (…) kwamen [geïntimeerde sub 1] [en] [geïntimeerde sub 2] (…) onaangekondigd, plotsklaps langs. [geïntimeerde sub 1] stelde dat hij de röntgenfoto’s had gezien en dat [X] een forse fractuur in haar bekken had opgelopen (…). Dit bleek onjuist (…) [geïntimeerde sub 1] heeft onder valse voorwendselen (…) en in elk geval door middel van misbruik van zijn medische gezag de verpleegarts in opleiding geforceerd [X] in de Halderhof te laten plaatsen. (…) [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben mij – hun eigen vader – bewust misleid en daarmee hun moeder heel veel leed berokkend (…)
Periode maart 2011- juni 2011 (…) De niet onafhankelijkheid van de heer [IJ] en onze afhankelijkheid hiervan als een van ons zou wegvallen zat ons dwars. Op aanraden van [H] zijn de door [getuige A] opgemaakte testamenten voor advies naar mr. Coby [W] in Haarlem gestuurd met het verzoek de testamenten zo eenduidig mogelijk te maken en om ons te adviseren over de mogelijkheden van juridische onterving van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] maar niet in financiële zin. Mede omdat ik en [X] als executeur van onze wederzijdse testamenten geen behoefte meer hadden om door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] omver te worden gelopen, want dat gevoel hadden wij allebei heel sterk. Mr. [W] heeft hieraan gevolg gegeven. (…) De concept testamenten en de samenvatting hebben [X] en ik uitvoerig bestudeerd en besproken. (…)
Juli 2011. In juli 2011 hebben [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] mij en [appellante sub 1] als bewindvoerders van [X] bij het Kantongerecht onderuit proberen te halen door mij als een dronkenman en [appellante sub 1] te beschuldigen van onttrekking van € 700.000,- aan het vermogen van [X] . (…) Ik heb [geïntimeerde sub 1] in een persoonlijk gesprek gevraagd of hij weet had van de brief aan de Kantonrechter van 12 juli 2011 en of hij hieraan had meegewerkt. [geïntimeerde sub 1] ontkende dat hij er van wist en ontkende dat hij had meegetekend, [geïntimeerde sub 1] loog ons bewust voor. Toen was ook voor [X] de maat vol.
Periode juli 2011-oktober 2011. De samenvatting van onze testamenten opgesteld door mr. [W] was voor ons eenvoudig te begrijpen. [X] en ik waren het er samen over eens dat wij het zo goed vonden, omdat het de juridische mogelijkheden van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] om de langstlevende als executeur onder druk te zetten alsook de insinuaties richting [appellante sub 1] , ons enige loyale kind, te beperken, zonder een van de kinderen financieel te benadelen omdat de erfdelen nu in de lijn van de kinderen zou[den] blijven.(…)
Op 1 augustus 2011 is mr [W] bij ons thuis gekomen met 2 getuigen om de testamenten te passeren. Voordat mr [W] begon met het doornemen van de testamenten heeft zij [X] en mij expliciet gevaagd of wij de testamenten (…) hadden doorgenomen en begrepen alsook of wij ermee in konden stemmen. Wij hebben onafhankelijk van elkaar “ja” gezegd. Ik weet mij nog te herinneren dat ik tegen mr. [W] zei dat (…) de samenvatting zonder juridische taal voor [X] heel plezierig was.”
2.28.
In het licht van het onder meer met voormelde verklaring onderbouwde verweer van [appellante sub 1] hebben [geïntimeerden] hun stelling dat sprake is van bedrog door [appellante sub 1] waardoor erflaatster tot het maken van haar uiterste wilsbeschikking van 1 augustus 2011 is bewogen, onvoldoende onderbouwd. Van concrete gedragingen van of nalaten door [appellante sub 1] waaruit het opzet volgt om erflaatster tot het maken van de uiterste wilsbeschikking te bewegen of van opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededelingen of het opzettelijk verzwijgen van feiten die zij verplicht was aan erflaatster mee te delen of van andere kunstgrepen, is niet gebleken. Uit voornoemde verklaring blijkt juist dat de beslissing om [IJ] en [F] te ontslaan niet op instigatie van [appellante sub 1] is geschied en dat zij geen gelden aan het vermogen van erflaatster heeft onttrokken, alsmede dat de beslissing van erflaatster om [geïntimeerden] niet als erfgenaam aan te wijzen is voortgekomen uit de ervaringen en gevoelens van erflaatster met en over (het handelen van) [geïntimeerden] Voorts geldt dat evenmin van misbruik van omstandigheden door [appellante sub 1] is gebleken, nog daargelaten dat een uiterste wilsbeschikking niet vatbaar is voor vernietiging op de grond dat zij door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Het subsidiaire betoog van [geïntimeerden] faalt derhalve eveneens.
Slotsom
2.29.
De slotsom van het voorgaande is dat de grieven slagen en dat de vorderingen van [geïntimeerden] alsnog moeten worden afgewezen. Het bestreden arrest zal worden vernietigd en beslist zal worden als volgt.
2.30.
Het verzoek van appellanten om [geïntimeerden] te veroordelen in de volledige proceskosten zal het hof niet toewijzen. Een dergelijk verzoek is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van het hoger beroep, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij, achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn indien [geïntimeerden] hun vordering baseren op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kenden dan wel behoorden te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moesten begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure, in casu hoger beroep, past de rechter bovendien terughoudendheid gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM. Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen is in dezen geen sprake. Weliswaar hebben [geïntimeerden] stukken in het geding gebracht die op eenzijdige informatie van [geïntimeerde sub 1] waren gebaseerd, maar dit op zichzelf rechtvaardigt een dergelijke conclusie niet. [geïntimeerden] zullen wel als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de geliquideerde kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep, waaronder de kosten van de deskundige begrepen. Van de kosten van het hoger beroep maken ook deel uit de taxen ten behoeve van de getuige [getuige A] (te weten € 1.400,-, inclusief BTW en reiskosten) en de getuige [getuige C] (te weten € 50,-), welke bedragen het hof, nu daartegen geen bezwaren naar voren zijn gebracht, niet onredelijk hoog acht. Deze kosten blijven voor rekening van [geïntimeerden] De kosten van de procedure in eerste aanleg worden aan de zijde van appellanten begroot op € 267,- aan griffierechte en € 904,- (2 punten ad € 452,-) aan salaris advocaat, derhalve in totaal op € 1.171,-. De kosten van de procedure in hoger beroep worden aan de zijde van appellanten begroot op € 93,80 aan explootkosten, € 308,- aan griffierecht en € 3.222,- aan salaris advocaat (3 punten tarief II € 1.074,-). De door appellanten voorgeschoten, voor rekening van [geïntimeerden] komende kosten voor de deskundige bedragen in totaal € 1.425,-.
De gevorderde nakosten en de over de proceskosten gevorderde wettelijke rente zullen als onweersproken worden toegewezen zoals hierna te vermelden.
3. Beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis
en, opnieuw rechtdoende:
wijst het gevorderde af;
veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep, en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van appellanten gevallen, voor de procedure in eerste aanleg op € 1.171,- en voor de procedure in hoger beroep op
€ 401,80 aan verschotten, € 1.425,- aan voorgeschoten kosten van de deskundige en op € 3.222,- voor geliquideerd salaris van de advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit arrest tot de dag der algehele voldoening;
veroordeelt [geïntimeerden] in de nakosten, begroot op met € 133,- zonder betekening dan wel € 199,- in geval van betekening, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit arrest tot de dag der algehele voldoening;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.M.J. Peters, M.C. Schenkeveld en T.A.M. Tijhuis en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2020.
Uitspraak 12‑06‑2018
Inhoudsindicatie
Wilsbekwaamheid erflaatster bij opmaken van testament.
Partij(en)
arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM, als nevenzittingsplaats van het
gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
afdeling civiel recht en belastingrecht
team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.166.688/01
zaaknummer rechtbank : C/16/335042 / HA ZA 13-33
arrest van de meervoudige familiekamer van 12 juni 2018
inzake
1. [appellante sub 1] ,
wonend te [woonplaats 1] ,
2. mr. Johannes Cornelis Jacobus SMALLENBROEK,
in zijn hoedanigheid van (opvolgend) executeur/afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van [X] ,
kantoorhoudend te Leiderdorp,
APPELLANTEN,
advocaat: mr. J. van der Steenhoven te Amsterdam,
tegen:
1. [geïntimeerde sub 1] ,
wonend te [woonplaats 2] ,
2. [geïntimeerde sub 2],
wonend te [woonplaats 3] ,
GEÏNTIMEERDEN,
advocaat: mr. B. Breederveld te Alkmaar.
1. Het geding in hoger beroep
Appellanten worden hierna wederom gezamenlijk als appellanten aangeduid en afzonderlijk als [appellante sub 1] respectievelijk mr. Smallenbroek. Geïntimeerden worden hierna gezamenlijk [geïntimeerden] genoemd en afzonderlijk [geïntimeerde sub 1] respectievelijk [geïntimeerde sub 2] .
Het hof heeft in deze zaak op 31 oktober 2017 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot die datum wordt naar dat arrest verwezen.
Ingevolge het tussenarrest heeft de door het hof benoemde deskundige dr. C.M.A.A. Roks, neuroloog, op 28 februari 2018 zijn rapport uitgebracht.
Appellanten hebben een nadere akte inzake te vragen volledige proceskosten veroordeling genomen en [geïntimeerden] een memorie na deskundigenbericht tevens akte uitlating producties, tevens akte uitlating nader verzoek. Vervolgens hebben appellanten een akte na deskundigenbericht en overleggen getuigenverklaringen genomen.
Ten slotte hebben partijen wederom arrest gevraagd.
2. Beoordeling
2.1.
In het tussenarrest van 31 oktober 2017 heeft het hof dr. Roks tot deskundige benoemd om onderzoek te verrichten ter beantwoording van de volgende vragen:
1. Was bij erflaatster sprake van een stoornis van de geestvermogens?
2. Zo ja, was op 1 augustus 2011 sprake van deze stoornis en heeft deze stoornis een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsverklaring betrokken belangen belet ofwel is de wilsverklaring onder invloed van de geestelijke stoornis gedaan?
3. Heeft u overigens nog opmerkingen die voor de beoordeling van deze zaak van belang kunnen zijn?
Het hof heeft bij zijn opdracht de deskundige gewezen op het bepaalde in artikel 198 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met name op de verplichting om bij het onderzoek partijen in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en om in het schriftelijk bericht te doen blijken dat aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de inhoud van de opmerkingen en/of de verzoeken.
2.2.
Kort weergegeven houden de antwoorden van de deskundige het volgende in:
1. Er lijkt een beeld te bestaan van een cognitieve stoornis zonder dat dementie is vastgesteld. Uit de rapporten van de heer Hoijtink maar ook uit het dossier van de huisarts kan de deskundige niet opmaken dat sprake is van dementie voor de datum 1 augustus 2011.
2. Bij lezing van de samenvatting van het medisch dossier komt de deskundige tot het antwoord nee. Er zijn echter na 1 augustus 2011 op medisch vlak zaken gebeurd die hierover twijfel zouden kunnen geven. Cruciaal blijft hoe erflaatster op 1 augustus 2011 was. Hierover is van een medicus geen informatie en is er alleen een gedetailleerde beschrijving van de twee getuigen die bij het tekenen van het testament aanwezig waren.
3. Het is opvallend dat drie experts die de zaak tot heden hebben beoordeeld tot twee totaal verschillende conclusies komen. De meest waarschijnlijke verklaring die de deskundige daarvoor vindt is het verschil in informatie dat aan deze experts is aangeboden.
Tenslotte maakt de deskundige melding van twee vragen van [appellante sub 1] naar aanleiding van enkele stukken uit het medisch dossier, met name de CT-scan, die zij de deskundige aanvullend heeft gezonden. Deze vragen heeft de deskundige in zijn rapport beantwoord.
2.3.
In hun memorie na deskundigenbericht wijzen [geïntimeerden] erop dat het deskundigenbericht niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 198 lid 2 Rv tot stand is gekomen. Zij zijn niet door de deskundige in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen. De door [appellante sub 1] aan de deskundige gezonden aanvullende stukken en vragen zijn niet met (de advocaat van) [geïntimeerden] gedeeld. Bovendien heeft [appellante sub 1] nagelaten [geïntimeerden] een afschrift daarvan te verstrekken. Niet duidelijk is wat dit (het hof begrijpt: aanvullende) medische dossier omvat en van wie dit medische dossier is verkregen.
[geïntimeerden] zijn van mening dat zij alsnog door de deskundige in de gelegenheid dienen te worden gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen. Voorts verzoeken zij het hof een comparitie te gelasten, teneinde de deskundige een nadere toelichting te laten geven op hun in de memorie na deskundigenbericht gegeven reactie op de inhoud van het deskundigenrapport.
2.4.
Het hof deelt de mening van [geïntimeerden] dat het deskundigenrapport niet overeenkomstig de vereisten van artikel 198 lid 2 Rv tot stand is gekomen en acht het noodzakelijk dat [geïntimeerden] alsnog in de gelegenheid worden gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen, waarna de deskundige een nader rapport dient uit te brengen. Het hof zal niet daarnaast ook nog een comparitie gelasten voor het geven van een toelichting door de deskundige op de door [geïntimeerden] gegeven inhoudelijke reactie op het deskundigenrapport. [geïntimeerden] kunnen deze reactie deel laten uitmaken van de opmerkingen en verzoeken die zij thans alsnog aan de deskundige kunnen voorleggen.
[geïntimeerden] dienen hun opmerkingen en verzoeken rechtstreeks aan de deskundige te doen toekomen, met kopie aan appellanten. Deze dienen door de deskundige aan het door hem uit te brengen nadere rapport te worden gehecht, evenals de vragen van de zijde van appellanten waarvan hij in zijn thans voorliggende rapport melding heeft gemaakt. Teneinde misverstanden te voorkomen merkt het hof daarbij op dat op grond van de “medische verklaring” van erflaatster van 14 maart 2011 [appellante sub 1] ook na het overlijden van erflaatster als enige bevoegd is tot inzage in het medisch dossier van erflaatster en [appellante sub 1] tijdens de zitting bij het hof heeft toegezegd dat zij het patiëntdossier aan de deskundige ter beschikking zal stellen op voorwaarde dat dit bij de deskundige blijft.
Tenslotte dient de deskundige partijen het concept van zijn nadere rapport aan partijen te doen toekomen teneinde hen in de gelegenheid te stellen daarover opmerkingen te maken en vragen te stellen, alvorens zijn nadere rapport aan het hof te doen toekomen.
Uit het nadere rapport dient te blijken dat aan alle voornoemde voorschriften is voldaan.
2.5.
In het (eerdere) tussenarrest van 9 mei 2017 heeft het hof het noodzakelijk geacht te beschikken over nadere informatie met betrekking tot de totstandkoming van het testament van erflaatster van 1 augustus 2011, en in het bijzonder over:
a. de reden voor het inschakelen van notaris Wijts voor het maken van het testament in plaats van de vaste notaris (notaris Paardekooper);
b. de mate van betrokkenheid van notaris Paardekooper bij het maken van het testament;
c. de door notaris Wijts/haar kantoor verrichte handelingen en gehouden besprekingen met erflaatster en/of de vader vanaf het moment dat notaris Wijts werd ingeschakeld;
d. hetgeen met erflaatster is besproken tijdens het passeren van het testament.
2.6.
Het hof heeft appellanten in de gelegenheid gesteld deze informatie te verschaffen door het overleggen van schriftelijke verklaringen. Bij akte na tussenarrest hebben appellanten verklaringen overgelegd van notaris Paardekooper, kandidaat-notaris Ruuls en de notariële medewerkers, tevens getuigen bij het testament van erflaatster Gerrits en Grobben. Uit een bij de verklaring van Ruuls gevoegde verklaring van G.J. Hafkamp, klinisch geriater, van 27 juni 2017 blijkt dat notaris Wijts door dementie niet in staat is in rechte te getuigen.
2.7.
In hun reactie op deze verklaringen hebben [geïntimeerden] de wens te kennen gegeven in het kader van de bewijslevering Paardekooper, Ruuls, Gerrits en Grobben als getuigen te horen. Zij hebben daartoe onder meer aangevoerd dat de verklaringen van Gerrits en Grobben precies dezelfde inhoud hebben en kennelijk voorafgaand zijn opgesteld en (enkel) door de beide getuigen zijn getekend. Zij zijn van mening dat deze getuigen meer inhoudelijke vragen dienen te worden gesteld over de feiten en omstandigheden voorafgaande aan en tijdens het passeren van het testament.
Voorts verzoeken [geïntimeerden] het hof appellanten op te dragen het hele dossier van notaris Wijts met betrekking tot de totstandkoming van het testament van erflaatster in het geding te brengen dan wel [geïntimeerden] in de gelegenheid te stellen het dossier op te vragen en over te leggen.
2.8.
Het hof zal [geïntimeerden] overeenkomstig het door hen gedane bewijsaanbod toelaten tot het bewijs van hun stelling dat op 1 augustus 2011 bij erflaatster sprake was van vasculaire dementie en dat deze stoornis een redelijke waardering van de bij de wilsverklaring betrokken belangen heeft belet, althans de wilsverklaring onder invloed van de stoornis is gedaan, door middel van het horen van Paardekooper, Ruuls, Gerrits en Grobben als getuigen. [geïntimeerden] hebben niet toegelicht waarom zij naast het horen van Ruuls wensen dat het hof gebruik maakt van zijn bevoegdheid te bevelen dat het dossier wordt overgelegd, zodat het hof daaraan voorbij gaat.
2.9.
Na ontvangst van het nadere deskundigenbericht en na afloop van de getuigenverhoren zal het hof partijen in de gelegenheid stellen een akte te nemen met zowel een reactie op de inhoud van het nadere deskundigenrapport als een reactie op de inhoud van de afgelegde verklaringen, waartoe het hof de zaak naar een nader te bepalen rolzitting zal verwijzen.
2.10.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
3. Beslissing
Het hof:
beveelt een nader onderzoek door de deskundige dr. C.M.A.A. Roks, neuroloog naar aanleiding van door [geïntimeerden] te maken opmerkingen en in te dienen verzoeken als onder 2.4 overwogen;
bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest aan de deskundige zal toezenden;
bepaalt dat beide partijen vóór 17 juli 2018 kopieën van de overige gedingstukken aan de deskundige zullen doen toekomen, alsmede, na een verzoek daartoe van de deskundige, de andere door deze noodzakelijk geachte stukken, voor zover mogelijk;
wijst de deskundige op het bepaalde in artikel 198 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met name op de verplichting om bij het onderzoek partijen in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en om in het schriftelijk bericht te doen blijken dat aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de inhoud van de opmerkingen en/of verzoeken;
bepaalt dat de deskundige het onderzoek overigens zelfstandig – in de zin van artikel 198 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat wil zeggen niet onder leiding van het hof – zal verrichten;
bepaalt dat de deskundige een schriftelijk, ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van het hof vóór 18 december 2018;
laat [geïntimeerden] toe tot het bewijs van hun stelling dat:
op 1 augustus 2011 bij erflaatster sprake was van vasculaire dementie en dat deze stoornis een redelijke waardering van de bij de wilsverklaring betrokken belangen heeft belet, althans de wilsverklaring onder invloed van de stoornis is gedaan
door middel van het horen als getuige van:
O.G.M. Paardekooper,
A.N. Ruuls,
E.R. Gerrits,
en B.J.W. Grobben;
beveelt dat het getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. C.M.J. Peters, daartoe tot raadsheer-commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op een nader door de raadsheer-commissaris te bepalen dag en uur;
verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 17 juli 2018 voor opgave door de advocaat van [geïntimeerden] van verhinderdata van weerszijden (ook die van de getuigen) in de periode augustus, september, oktober en november 2018;
bepaalt dat partijen na ontvangst van het nadere deskundigenbericht en na afloop van de getuigenverhoren ieder een akte kunnen nemen met zowel een reactie op de inhoud van het nadere deskundigenrapport als een reactie op de inhoud van de afgelegde verklaringen, waartoe het hof de zaak naar een nader te bepalen rolzitting zal verwijzen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. Kleene-Eijk, C.M.J. Peters en M.C. Schenkeveld en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2018.
Uitspraak 31‑10‑2017
Inhoudsindicatie
Tussenarrest. Zie ECLI:NL:GHAMS:2015:1855 en ECLI:NL:GHAMS:2017:1749.
Partij(en)
arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM, als nevenzittingsplaats van het
gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
afdeling civiel recht en belastingrecht
team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.166.688/01
zaaknummer rechtbank : C/16/335042 / HA ZA 13-33
arrest van de meervoudige familiekamer van 31 oktober 2017
inzake
1. [appellante sub 1] ,
wonend te [woonplaats 1] ,
2. mr. Johannes Cornelis Jacobus SMALLENBROEK,
in zijn hoedanigheid van (opvolgend) executeur/afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van [X] ,
kantoorhoudend te Leiderdorp,
APPELLANTEN,
advocaat: mr. J. van der Steenhoven te Amsterdam,
tegen:
1. [geïntimeerde sub 1] ,
wonend te [woonplaats 2] ,
2. [geïntimeerde sub 2],
wonend te [woonplaats 3] ,
GEÏNTIMEERDEN,
advocaat: mr. B. Breederveld te Alkmaar.
1. Het geding in hoger beroep
Appellanten worden hierna wederom gezamenlijk als appellanten aangeduid en afzonderlijk als [appellante sub 1] respectievelijk mr. Smallenbroek. Geïntimeerden worden hierna gezamenlijk [geïntimeerden] genoemd en afzonderlijk [geïntimeerde sub 1] respectievelijk [geïntimeerde sub 2] .
Het hof heeft in deze zaak op 9 mei 2017 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot die datum wordt naar dat arrest verwezen.
Appellanten en [geïntimeerden] hebben een akte na tussenarrest respectievelijk een akte genomen.
Ten slotte hebben partijen wederom arrest gevraagd.
2. Beoordeling
2.1.
In het tussenarrest heeft het hof:
- partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de door het hof te benoemen deskundige, als aangewezen door de deskundigen van partijen gezamenlijk, als overwogen onder 3.13;
- appellanten in de gelegenheid gesteld schriftelijke verklaringen in het geding te brengen als overwogen onder 3.14 en 3.15.
2.2.
Appellanten hebben bij hun akte na tussenarrest de schriftelijke verklaringen in het geding gebracht en het hof meegedeeld dat de deskundigen van partijen gezamenlijk als deskundige hebben aangewezen dr. C.M.A.A. Roks, neuroloog, St. Elisabeth Ziekenhuis te Tilburg en dat dr. Roks, door middel van zijn “Roks Neuroloog B.V.” als tarief voor zijn werkzaamheden € 150,- per uur, vrijgesteld van btw, zal hanteren. [geïntimeerden] hebben in hun akte eveneens bericht dat de deskundigen van partijen dr. Roks als te benoemen deskundige hebben aangewezen.
2.3.
Het hof zal dr. Roks tot deskundige benoemen. Aan de deskundige zullen de volgende vragen worden gesteld:
1. Was bij erflaatster sprake van een stoornis van de geestvermogens?
2. Zo ja, was op 1 augustus 2011 sprake van deze stoornis en heeft deze stoornis een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsverklaring betrokken belangen belet ofwel is de wilsverklaring onder invloed van de geestelijke stoornis gedaan?
3. Heeft u overigens nog opmerkingen die voor de beoordeling van deze zaak van belang kunnen zijn?
2.4.
De betaling van het voorschot komt ten laste van partijen, ieder voor de helft.
2.5.
Nadat de deskundige zijn rapport bij het hof heeft ingediend zal het hof partijen in de gelegenheid stellen een akte te nemen met een reactie op zowel de inhoud van het deskundigenrapport als de inhoud van de door appellanten overgelegde schriftelijke verklaringen.
2.6.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
3. Beslissing
Het hof:
beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:
1. Was bij erflaatster sprake van een stoornis van de geestvermogens?
2. Zo ja, was op 1 augustus 2011 sprake van deze stoornis en heeft deze stoornis een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsverklaring betrokken belangen belet ofwel is de wilsverklaring onder invloed van de geestelijke stoornis gedaan?
3. Heeft u overigens nog opmerkingen die voor de beoordeling van deze zaak van belang kunnen zijn?
benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:
dr. C.M.A.A. Roks, neuroloog
St. Elisabeth Ziekenhuis
Postbus 90151
5000 LC Tilburg
telefoonnummer 013 – 5392552;
bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest aan de deskundige zal toezenden;
bepaalt dat beide partijen vóór 15 november 2017 kopieën van de overige gedingstukken aan de deskundige zullen doen toekomen, alsmede, na een verzoek daartoe van de deskundige, de andere door deze noodzakelijk geachte stukken, voor zover mogelijk;
wijst de deskundige op het bepaalde in artikel 198 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met name op de verplichting om bij het onderzoek partijen in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en om in het schriftelijk bericht te doen blijken dat aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de inhoud van de opmerkingen en/of verzoeken;
bepaalt dat de deskundige het onderzoek overigens zelfstandig – in de zin van artikel 198 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat wil zeggen niet onder leiding van het hof – zal verrichten;
bepaalt dat de deskundige een voorschot toekomt van € 1.500.-;
bepaalt dat partijen ieder een bedrag van € 750,- vóór 15 november 2017, althans binnen twee weken na ontvangst van de na te noemen nota, als voorschot van de deskundige zullen voldoen;
bepaalt dat partijen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak een nota met betaalinstructies zullen ontvangen;
bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van het desbetreffende voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek behoeft te beginnen;
bepaalt dat de deskundige een schriftelijk, ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van het hof vóór 30 januari 2018;
verwijst de zaak naar de rol van 30 januari 2018 voor deskundigenbericht;
bepaalt dat partijen vóór 27 februari 2018 ieder een akte kunnen nemen met een reactie op de inhoud van het deskundigenrapport en een reactie op de inhoud van de door appellanten overgelegde verklaringen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. Kleene-Eijk, C.M.J. Peters en M.C. Schenkeveld en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2017.
Uitspraak 09‑05‑2017
Inhoudsindicatie
Tussenarrest. Benoeming deskundige. Stoornis van de geestvermogens? Zo ja, is de wilsverklaring onder invloed van de geestelijke stoornis gedaan? Zie ECLI:NL:GHAMS:2015:1855 en ECLI:NL:GHAMS:2017:4441.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM, als nevenzittingsplaats van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
afdeling civiel recht en belastingrecht
team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.166.688/01
zaaknummer rechtbank : C/16/335042 / HA ZA 13-33
arrest van de meervoudige familiekamer van 9 mei 2017
inzake
1. [appellante sub 1] ,
wonend te [woonplaats 1] ,
2. mr. Johannes Cornelis Jacobus SMALLENBROEK,
in zijn hoedanigheid van (opvolgend) executeur/afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van [X] ,
kantoorhoudend te Leiderdorp,
APPELLANTEN,
advocaat: mr. J. van der Steenhoven te Amsterdam,
tegen
1. [geïntimeerde sub 1] ,
wonend te [woonplaats 2] ,
2. [geïntimeerde sub 2],
wonend te [woonplaats 3] ,
GEÏNTIMEERDEN,
advocaat: mr. B. Breederveld te Alkmaar.
1. Het geding in hoger beroep
Appellanten worden hierna gezamenlijk als appellanten aangeduid en afzonderlijk als [appellante sub 1] respectievelijk mr. Smallenbroek. Geïntimeerden worden hierna gezamenlijk [geïntimeerden] genoemd en afzonderlijk [geïntimeerde sub 1] respectievelijk [geïntimeerde sub 2] .
Appellanten zijn bij dagvaarding van 25 augustus 2014 in hoger beroep gekomen van een tweetal vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland, als nevenzittingsplaats van de rechtbank Oost-Nederland, van 26 juni 2013 en 18 juni 2014, gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers, [Y] en [appellante sub 1] als gedaagden, en mr. Smallenbroek in zijn hoedanigheid van (opvolgend) executeur van de nalatenschap van [X] als, zo begrijpt het hof, gevoegde partij aan de zijde van gedaagden.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, met producties.
Partijen hebben de zaak ter zitting van 16 maart 2017 doen bepleiten, ieder door zijn advocaat aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Appellanten hebben geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [geïntimeerden] zal afwijzen, subsidiair het arrest niet uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren althans aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde zal verbinden dat [geïntimeerden] zekerheid stellen tot een door het hof te bepalen bedrag, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en wettelijke rente.
Bij memorie van grieven hebben appellanten hun vordering in hoger beroep beperkt in die zin dat zij concluderen dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [geïntimeerden] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van, zo begrijpt het hof, het geding in beide instanties.
[geïntimeerden] hebben geconcludeerd dat het hof mr. Smallenbroek niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep en het bestreden vonnis van 18 juni 2014 zal bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van mr. Smallenbroek in de kosten van de procedure, en overigens met compensatie van de kosten.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
2. Feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist het volgende vast.
2.1. [in] 2012 is overleden mevrouw [X] (hierna: erflaatster). Zij was gehuwd met [Y] (hierna: de vader), die [in] 2014 is overleden.
Uit het huwelijk zijn vier kinderen geboren: [geïntimeerde sub 1] , [A] , [geïntimeerde sub 2] en [appellante sub 1] . [A] is [in] 2010 overleden.
2.2.Op 3 september 2010 heeft Drs. J.T.H. Hoijtink, specialist ouderengeneeskunde (psychogeriatrie en gerontopsychiatrie) (hierna: Hoijtink) een “medische verklaring in het kader van een onderbewindstelling” ondertekend met de volgende inhoud:
“Hierbij verklaar ik dat mevrouw [X]
geboren: [geboortedatum] 1928
(. . .)
Niet in staat is op behoorlijke wijze zorg te dragen voor haar financiële zaken.
Dit op grond van een Cerebro-Vasculair-Accident, gepaard gaande met cognitieve stoornissen, tijdsdesoriëntatie, fatische stoornissen en stoornissen in de executieve functies, met verlies van overzicht en planning.
Het onderzoek voorafgaande aan deze verklaring werd verricht door ondergetekende op 04-08-2010.”
2.3.Het vermogen van erflaatster is bij beschikking van 8 december 2010 onder bewind gesteld, waarbij de vader en [appellante sub 1] zijn benoemd tot bewindvoerders.
2.4.Per e-mail van 15 november 2010 heeft mr. O.G.M. Paardekooper, notaris te Nijmegen (hierna: notaris Paardekooper) aan Hoijtink het volgende geschreven:
“Op 15 oktober heb ik met u overleg gehad aangaande de verklaring welke u heeft afgegeven voor de onderbewindstelling van de goederen van mevrouw [X] (. . .)
Mevrouw [X] wil aanpassingen/aanvullingen maken op haar testament.
Gelet op de verklaring die er nu ligt, is er geen ruimte voor mij als notaris om haar ter zake handelingsbekwaam te achten. Naar aanleiding van de twee besprekingen welke ik mede met haar gehad heb acht ik haar daartoe wel in staat.
Mijn verzoek aan u was om te bekijken of u eveneens de mening toegedaan bent dat zij wel in staat is om de gevolgen van een testament te overzien en om daarop uw verklaring aan te passen. U zou -deelde u mij mede - daarvoor wellicht mevrouw [X] willen spreken.(…)”
2.5.Hoijtink heeft per e-mail van 24 december 2010 als volgt geantwoord:
“(. . .) heb ik mevrouw [X] (. . .) nogmaals thuis bezocht op 24-11-2010 en met haar gesproken. (. . .)
Hierbij verklaar ik dat na het huisbezoek van 24-11-2010 mijn conclusie luidt dat mw [X] weliswaar niet in staat is om zelfstandig haar financiële administratie te beheren, maar wel in staat is de essentie van een testament te begrijpen en hierover bewuste keuzes te maken.”
2.6.Eind januari 2011 is erflaatster thuis gevallen. Op 5 februari 2011 hebben [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] haar laten opnemen in verpleeghuis de [naam verpleeghuis] . Op 7 februari 2011 is zij op haar verzoek weer naar huis gebracht.
2.7.Op 15 maart 2011 heeft erflaatster een door notaris Paardekooper opgestelde notariële akte genaamd “medische verklaring” getekend, inhoudende een verbod aan de behandelend arts(en) tot verdere medische behandeling, met uitzondering van palliatieve bestrijding van ongemakken, voor het geval zij in een van de toestanden komt te verkeren als in de akte genoemd. Tevens is aan [appellante sub 1] volmacht gegeven voor alle in de verklaring genoemde (rechts)handelingen, is zij aangewezen als eerste contactpersoon en is haar volmacht gegeven om inzage te vragen en haar ook in die zin procesrechtelijk te vertegenwoordigen in haar patiëntdossiers, ook na haar overlijden. De akte bevat voorts de volgende tekst:
“Ik geef als uitdrukkelijke wens te kennen dat ten aanzien van de medische behandelingen waarvan in deze akte sprake is (. . .) nooit contact wordt opgenomen met de navolgende personen mijn zoon, de heer [geïntimeerde sub 1] , (. . .) en mijn dochter, mevrouw [geïntimeerde sub 2] (. . .).
De reden van dit uitdrukkelijk verzoek is ondermeer dat deze personen mijn vertrouwen in ernstige mate hebben geschaamd (hof: beschaamd).
Voor de goede orde sluit ik mijn zoon, [geïntimeerde sub 1] , voornoemd, en dochter [geïntimeerde sub 2] , voornoemd, uitdrukkelijk uit van alle bevoegden (hof: bevoegdheden) welke ik in deze verklaring aan mijn dochter [appellante sub 1] toeken.(…)”
2.8.In het dossier bevindt zich een “toelichting testament”, met - voor zover van belang - de volgende inhoud:
“Algemeen
(…)
Besproken is, dat, behalve uw dochter [appellante sub 1] , de kinderen zo weinig mogelijk uit uw nalatenschap ontvangen.
(. . .)
bepalingen omtrent verkrijgingen:
Legaten
Om uw zoon [geïntimeerde sub 1] en uw dochter [geïntimeerde sub 2] zo min mogelijk rechten in uw nalatenschap te geven, legateert u aan hen een bedrag ter grootte van hun legitieme portie (dat is de helft van een normaal erfdeel).
Om ervoor te zorgen dat elke ‘tak’ binnen het gezin (uw kinderen en hun kinderen) even veel ontvangt, is voor de kleinkinderen een legaat van een bedrag opgenomen.
Bepalingen legaten
U bepaalt, dat een kind en diens kinderen samen niet meer dan een erfdeel uit uw nalatenschap ontvangen.
(. . .)
Erfdelen
U benoemt uw echtgenoot/echtgenote en uw dochter [appellante sub 1] tot erfgenaam. Zij erven ieder een gelijk deel.
(. . .)
Aanspraken kinderen
(. . .)
De legitieme is bij alle erfgenamen tezamen in te vorderen.
Hier wordt van deze regel afgeweken: de legitieme moet worden ingevorderd bij de langstlevende, en is niet opeisbaar.
Een kind schiet er dus niets mee op lastig te worden…
(. . .)
Haarlem, 1 juli 2011”
2.9.Bij brief van 25 juli 2011 heeft mr. J.J. Wijts-van Nimwegen, notaris te Haarlem (hierna: notaris Wijts) aan Hoijtink het volgende geschreven:
“Aan mij is gevraagd om op korte termijn mevrouw [X] (. . .) een testament te laten tekenen.
Aan mij is een medische verklaring overhandigd die door u is opgemaakt op 4 augustus 2010 in verband met de onderbewindstelling van het vermogen van mevrouw [X] .
De bewoording van uw verklaring is zodanig dat ik mij afvraag of mevrouw [X] in staat zou kunnen zijn een testament op te maken.
Vriendelijk verzoek ik u mij te berichten of naar uw mening mevrouw [X] in staat is een testament op te maken.”
2.10.Het antwoord van Hoijtink in zijn e-mail van 27 juli 2011 luidt als volgt:
“De medische verklaring waarover U beschikt is opgesteld op 04-08-2010.
Deze medische verklaring ten behoeve van een onderbewindstelling riep ook in november 2010 bij een andere notaris de vraag op in hoeverre mevrouw [X] wilsbekwaam mag worden beschouwd wanneer het gaat om een testamentondertekening.
Dit heeft toen geleid tot een tweede huisbezoek waarbij de conclusie luidde dat mw. [X] weliswaar niet in staat is om zelfstandig haar financiële administratie te beheren, maar wel in staat is de essentie van een testament te begrijpen en hierover bewuste keuzes te maken.”
Een verklaring van Hoijtink gedateerd 27 juli 2012, bevat de volgende inhoud:
“Hiermee bevestig ik (. . .) mijn verklaring afgegeven in juli 2011 (. . .) ten behoeve van mevrouw [X] , aan Notaris Mr C. Wijts-van Nimwegen, te Haarlem, in het kader van het te passeren testament van mevrouw [X] .”
2.11.Bij testament, verleden op 1 augustus 2011 bij erflaatster thuis ten overstaan van notaris Wijts, in aanwezigheid van twee getuigen, heeft erflaatster over haar vermogen beschikt. Op grond van dit testament zijn [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] als erfgenamen uitgesloten. Aan hen komt een legaat toe ter grootte van hun legitieme portie. Aan de kinderen van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] is eveneens een breukdeel ter grootte van de legitieme portie van hun ouders gelegateerd. Daarbij geldt de beperking dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] , samen met hun kinderen, nooit meer kunnen verkrijgen dan hun versterferfdeel in de nalatenschap van erflaatster. De vader en [appellante sub 1] zijn samen en voor gelijke delen tot erfgenamen in de nalatenschap van erflaatster benoemd. De vader is benoemd tot executeur.
2.12.Na het overlijden van erflaatster [in] 2012 heeft notaris Wijts in een brief aan [appellante sub 1] , gedateerd 22 augustus 2012, het volgende meegedeeld:
“Zoals besproken kan door mij op dit moment geen verklaring van erfrecht worden afgegeven. De reden daarvan is, zoals jou bekend, dat je broer de heer [geïntimeerde sub 1] en je zuster mevrouw [geïntimeerde sub 2] mij hebben meegedeeld de geldigheid van het testament van je moeder te betwisten.
(. . .)
Voor de goede orde deel ik je mee dat iedere notaris zich er van dient te vergewissen of een testateur of testatrice in staat is een testament te maken. Dat is ook in het geval van het maken van het testament van je moeder uiteraard gebeurd.”
2.13.Uit de op 27 september 2012 door mr. Gerrit Herman Beens, notaris te Amersfoort, opgemaakte akte “verklaring van erfrecht” blijkt dat de vader en [appellante sub 1] de nalatenschap van erflaatster beneficiair hebben aanvaard. Voorts blijkt daaruit dat de vader zijn benoeming tot executeur heeft aanvaard.
2.14.Nadat [geïntimeerden] de vader en [appellante sub 1] op 5 november 2012 in de onderhavige zaak hebben gedagvaard, is op 22 november 2012 door notaris Paardekooper een akte “vastlegging verklaring” gepasseerd. Volgens deze akte heeft de vader verklaard dat hij zich uitdrukkelijk verzet tegen de vernietiging van het testament van erflaatster. Verkort weergegeven heeft de vader vervolgens het volgende verklaard. Vanaf rond 2010 is de verhouding tussen erflaatster en hemzelf enerzijds en [geïntimeerden] anderzijds verslechterd en is hun vertrouwen in [geïntimeerden] geschonden geraakt. Omdat zij hun belangen niet wilden laten behartigen door [geïntimeerden] , hebben zij in juli en augustus 2010 een aantal gesprekken gevoerd met notaris Paardekooper. Dit heeft geleid tot het vrijwillige bewind over de goederen van erflaatster. Na het verblijf van erflaatster in verpleeghuis [naam verpleeghuis] is in maart 2011 de akte medische verklaring van erflaatster gepasseerd.
Op advies van een vriend, [B] , zijn de door notaris Paardekooper opgemaakte testamenten naar notaris Wijts gestuurd met het verzoek de testamenten zo eenduidig mogelijk te maken en te adviseren over de mogelijkheden van juridische onterving van [geïntimeerden] , maar niet in financiële zin. Notaris Wijts heeft van de afwijkingen en aanvullingen ten opzichte van de vorige testamenten een samenvatting (het hof begrijpt: de “toelichting testament”) gemaakt en deze met de volledige concept-testamenten naar hun huisadres gezonden. Erflaatster en de vader hebben de concepten en de samenvatting uitvoerig bestudeerd en besproken. De samenvatting was voor hen eenvoudig te begrijpen. Zij waren het er samen over eens dat het zo goed was omdat het de juridische mogelijkheden van [geïntimeerden] de langstlevende als executeur onder druk te zetten zou beperken, zonder een van de kinderen financieel te benadelen, omdat de erfdelen nu in de lijn van de kinderen zouden blijven.
Op 1 augustus 2011 is notaris Wijts bij hen thuis gekomen met twee getuigen. Voordat zij begon met het doornemen van het testament heeft zij hen beiden gevraagd of zij de testamenten hebben doorgenomen en begrepen, en of zij ermee konden instemmen. Zij hebben onafhankelijk van elkaar “ja” gezegd.
2.15.Bij notariële akte, op 26 november 2012 verleden voor notaris Paardekooper, heeft de vader mr. Smallenbroek tot opvolgend executeur en afwikkelingsbewindvoerder benoemd.
2.16.Per e-mail van 4 december 2012 heeft Hoijtink aan [appellante sub 1] het volgende geschreven:
“(. . .) In de medische verklaring (hof: van 3 september 2010) worden vasculaire beperkingen genoemd. En dus nadrukkelijk niet vasculaire dementie (. . .). Dit is van belang omdat er een duidelijk verschil is tussen een beperking en onvermogen. (. . .)”
2.17.In het dossier bevinden zich de volgende door [geïntimeerden] voorafgaand aan de door de rechtbank op 22 november 2013 gehouden comparitie overgelegde stukken:
2.17.a.Een door [geïntimeerde sub 1] aan mr. Breederveld gezonden e-mail van 17 oktober 2013 met de volgende inhoud:
“Onderwerp: Citaat huisarts de Kort gesprek 25 april 2012 met [geïntimeerde sub 1]
Citaat (digitaal vastgelegd) dr de Kort :
Als ik terugkijk naar afgelopen najaar is zij gezien door de geriater en de neuroloog die beide spreken van ernstige vasculaire encephalopathie en ernstige vasculaire dementie, <korte stilte> ja dat heb ik niet zelf bedacht! En dat is ook niet door iemand van uw familie bedacht.
Einde citaat”
2.17.b.Een op 17 oktober 2013 door [geïntimeerde sub 1] aan “De Deyn, PP (neuro)” (hierna: De Deyn) geadresseerde e-mail met de volgende inhoud:
“. . . zou ik jou het beste kunnen benaderen met de medische/juridische casus waarbij ik betrokken ben. (. . .)
Het gaat om een toen 82 jarige dame bij wie op grond van anamnese en lichamelijk onderzoek, op 4 augustus 2010 door een specialist ouderen geneeskunde de diagnose is gesteld : CVA gepaard gaande met cognitieve stoornissen, tijdsdesorientatie, fatische stoornissen en stoornissen in de executieve functies met verlies van overzicht en planning. Controle november 2010 door zelfde arts waarbij beeld bevestigd. Dan wordt in augustus 2011 zonder medisch onderzoek naar de geestelijke vermogens van patiente een testament gepasseerd , waarbij de wilsbekwaamheid van patiente wordt voorondersteld. Vervolgens wordt patiente in september en oktober gezien door een geriater en een neuroloog die beide de diagnose stellen ernstige vasculaire encephalopathie en ernstige vasculaire dementie. De huisarts neemt deze diagnose over (. . .).
Ik moet de vraag beantwoorden hoe groot de kans is dat niet meer dan 3 maanden voor de neurologische diagnose ernstige vasculaire dementie najaar 2011, patiente nog niet aan vasculaire dementie leed en daarom nog wilsbekwaam kon worden geacht.
(. . .)
Gaarne jouw advies in deze zaak.”
2.17.c.Het antwoord van De Deyn in zijn e-mail van 22 oktober 2013, dat het volgende inhoudt:
“Ik zal (. . .) proberen, gebaseerd op de door jou ter beschikking gestelde informative, wat suggesties te geven:
Het gaat om een toen 82 jarige dame bij wie op grond van anamnese en lichamelijk onderzoek, op 4 augustus 2010 door een specialist ouderen geneeskunde de diagnose is gesteld : CVA gepaard gaande met cognitieve stoornissen, tijdsdesorientatie, fatische stoornissen en stoornissen in de executieve functies met verlies van overzicht en planning.
Hier is toch voorzichtigheid geboden: cognitieve deficits na een ogenschijnlijke beroerte hoeven niet de facto te leiden tot handelingsonbekwaamheid !!
bovendien moet bij cognitive impairment na large vessel disorders met cortico-subcorticale infarcten 3 tot 6 maand worden gewacht vooraleer een diagnose van dementie – aangezien herstel zich duidelijk kan voordoen na een acuut cva . . . . tot zeker zes maand nadien
Dan wordt in augustus 2011 zonder medisch onderzoek naar de geestelijke vermogens van patiente een testament gepasseerd , waarbij de wilsbekwaamheid van patiente wordt voorondersteld.
Is deze acte verleden bij een Notaris – die zou toch ook het handelingsvermogen moeten inschatten ?
Vervolgens wordt patiente in september en oktober gezien door een geriater en een neuroloog die beide de diagnose stellen ernstige vasculaire encephalopathie en ernstige vasculaire dementie. De huisarts neemt deze diagnose over (. . .).
Wanneer dit zo is, dan kan men veronderstellen dat betrokkene inderdaad ook drie maand daarvoor dement was - tenzij er zich nog additionele infarcten voordeden gedurende de drie maanden ervoor – die dan zouden hebben kunnen bijdragen tot de in September – oktober vastgestelde dementie . . .
(. . .)
Ik hoop dat deze losse sprokkels jou toch wat helpen.
3. Beoordeling
3.1.
[geïntimeerden] hebben in eerste aanleg gevorderd primair (I) te verklaren voor recht dat de uiterste wilsbeschikking van erflaatster van 1 augustus 2011 nietig is, althans deze uiterste wilsbeschikking nietig te verklaren, althans te vernietigen, subsidiair (II) de uiterste wilsbeschikking van erflaatster van 1 augustus 2011 wegens bedrog te vernietigen, met veroordeling van appellanten in de proceskosten.
Aan hun vordering onder I hebben [geïntimeerden] ten grondslag gelegd dat bij erflaatster sprake was van vasculaire dementie, hetgeen samen met het geestelijke vermogen van erflaatster in het algemeen er de oorzaak van is dat erflaatster niet in staat was haar wil te verklaren en haar in het testament van 1 augustus 2011 neergelegde verklaring niet in overeenstemming is met haar wil. Subsidiair (de vordering onder II) stellen [geïntimeerden] dat het testament van 1 augustus 2011 onder invloed van bedrog tot stand is gekomen, welke stelling zij hebben toegelicht in randnummer 18 van hun pleitnota in eerste aanleg.
3.2.
In het eindvonnis van 18 juni 2014 heeft de rechtbank de primaire vordering toegewezen in die zin dat zij voor recht heeft verklaard dat de uiterste wilsbeschikking van erflaatster van 1 augustus 2011 nietig is, en de proceskosten gecompenseerd.
Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde hierna weergegeven motivering komen appellanten met hun tien grieven op.
3.3.
De rechtbank heeft, alvorens tot haar conclusie te komen dat erflaatster als gevolg van een geestelijke stoornis niet heeft begrepen wat de gevolgen van haar testament voor [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zouden zijn, kort weergegeven het volgende overwogen. Een greep uit de in de brieven van zeven kleinkinderen (hof: de kinderen van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] ) aangedragen voorbeelden schetst erflaatster als een ernstig verwarde oma die haar kleinkinderen veelal niet meer herkende. De verklaring van Hoijtink vormt ook een aanwijzing dat betwijfeld moet worden of erflaatster de strekking en gevolgen van het nieuwe, tamelijk complexe, testament heeft kunnen begrijpen. Voorts heeft de rechtbank zich gebaseerd op de informatie die [geïntimeerde sub 1] op 25 april 2012 van de huisarts kreeg en de verklaring van De Deyn, die op grond van de informatie van de huisarts tot de conclusie kwam dat, indien in het najaar van 2011 sprake was van ernstige vasculaire encephalopathie en ernstige vasculaire dementie, verondersteld mag worden dat erflaatster ook drie maanden daarvoor dement was. Het voorgaande achtte de rechtbank op zichzelf voldoende voor de vaststelling dat erflaatster op 1 augustus 2011 leed aan een geestelijke stoornis die vermoedelijk een redelijke waardering van de bij het testament betrokken belangen belette. Daarbij heeft de rechtbank ook nog in aanmerking genomen dat het testament ten overstaan van een andere dan de vaste notaris is verleden, zonder dat de notaris uitgebreid onderzoek naar de wilsbekwaamheid van erflaatster heeft gedaan. Het testament is niet eenvoudig van strekking en van een zeer eenvoudige uitleg door de notaris aan erflaatster is niet gebleken. Als onweersproken staat vast dat de notaris geen adequate vragen aan erflaatster heeft gesteld om te controleren of zij de inhoud van het testament begreep en de gevolgen ervan besefte. Daarbij hechtte de rechtbank ook waarde aan de onweersproken stelling van [geïntimeerden] dat erflaatster onmiddellijk voordat zij haar kinderen [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zou onterven nog heeft gezegd dat ze niet wilde dat iemand tekort zou komen.
3.4.
[geïntimeerden] hebben als verweer gevoerd dat mr. Smallenbroek in zijn hoedanigheid van executeur/afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van erflaatster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep. Zij hebben daartoe aangevoerd dat, nu het testament van erflaatster nietig is verklaard, een executeur geen rol meer te vervullen heeft en geen belang heeft bij een procedure inzake de nietigheid van het testament. Zij betwisten dat mr. Smallenbroek afwikkelingsbewindvoerder is in de nalatenschap van erflater.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Erflaatster heeft in haar testament een executeur benoemd en deze heeft op zijn beurt mr. Smallenbroek tot executeur benoemd. Mr. Smallenbroek was, zo blijkt uit het herstelvonnis in incident van 1 mei 2013, gevoegde partij in eerste aanleg, in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van erflaatster. Zolang het bestreden vonnis, waarin het testament van erflaatster nietig is verklaard, nog niet onherroepelijk is, blijft mr. Smallenbroek in ieder geval in die hoedanigheid partij in de procedure. Het hof kan het betoog van [geïntimeerden] over de beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap van de vader niet plaatsen, omdat het hier niet gaat over de hoedanigheid van mr. Smallenbroek als executeur van de nalatenschap van de vader, reden waarom het hof aan dit betoog voorbijgaat. Het hof verwerpt het verweer.
3.5.
De grieven komen er in de kern op neer dat appellanten betwisten dat bij erflaatster sprake was van een geestesstoornis en dat in verband daarmee haar wil tot het maken van het testament van 1 augustus 2011 heeft ontbroken. Ter onderbouwing van hun standpunt verwijzen zij naar een aantal in eerste aanleg en in hoger beroep overgelegde verklaringen van personen die erflaatster van nabij hebben meegemaakt, alsmede naar de onder de feiten weergegeven verklaringen van Hoijtink en de bij de memorie van grieven overgelegde, hierna te bespreken bevindingen van een aantal deskundigen. Met betrekking tot de voorgeschiedenis die heeft geleid tot dit testament verwijzen zij naar het onder 2.14 genoemde verslag van de vader. Volgens hen is de “toelichting testament” op het punt van de andere behandeling van [geïntimeerden] ten opzichte van [appellante sub 1] voor geen misverstand vatbaar, en erflaatster moet dat niet alleen zo hebben gewild, maar zeker ook goed hebben begrepen. De vader heeft de concepten uitgebreid met erflaatster besproken. Gedurende de gehele maand juli 2011 heeft erflaatster de mogelijkheid gehad om over het testament na te denken. In die maand is nog een aantal concepten met (kleine) wijzigingen gemaakt en aan erflaatster verzonden.
3.6.
[geïntimeerden] blijven bij hun standpunt dat erflaatster leed aan vasculaire dementie zoals deze in ieder geval na het ondertekenen van het testament is vastgesteld. Volgens hen heeft er op zijn minst twijfel moeten bestaan omtrent de wilsbekwaamheid van erflaatster, terwijl op dat moment geen deugdelijk onderzoek heeft plaatsgevonden ter beoordeling van haar wilsbekwaamheid.
[geïntimeerden] betwisten de door [appellante sub 1] aangevoerde reden voor het inschakelen van notaris Wijts voor het testament van 1 augustus 2011 in plaats van notaris Paardekooper, die in de daaraan voorafgaande periode steeds de notaris van erflaatster en de vader is geweest. Zij menen dat notaris Wijts niet voorafgaand aan het passeren van het testament overleg heeft gehad met erflaatster en niet het concept-testament afzonderlijk met haar heeft besproken, maar erflaatster alleen heeft gezien op de dag van het passeren van het testament. Voorafgaand daaraan heeft geen correspondentie en overleg met erflaatster plaatsgevonden. Volgens [geïntimeerden] heeft notaris Wijts het protocol wilsbekwaamheid niet gevolgd, hoewel zij op de hoogte was van het feit dat het vermogen van erflaatster onder bewind was gesteld.
3.7.
Het gaat in dit geding om de vraag of erflaatster ten tijde van het opmaken van haar testament op 1 augustus 2011 wilsonbekwaam was. Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaf van art. 3:34 lid 1 BW. Art. 3:34 lid 1 BW volgt op art. 3:33 BW, dat bepaalt dat een rechtshandeling een met de verklaring overeenstemmende wil vereist. Art. 3:34 lid 1 BW luidt als volgt: “Heeft iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord, iets verklaard, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken, indien de stoornis een redelijke waardering der bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan.” De tweede zin van lid 2 van artikel 3:34 BW bepaalt dat het ontbreken van wil een eenzijdige rechtshandeling die niet tot een of meer bepaalde personen was gericht, zoals uiterste wilsbeschikkingen, nietig maakt. Wie zich erop beroept dat bij de erflater in verband met een stoornis van diens geestesvermogens de wil tot het opmaken van de uiterste wilsbeschikking ontbrak, zal — gelet op de bewijsvermoedens van art. 3:34 lid 1 BW (“geacht te ontbreken”) — ermee kunnen volstaan te stellen en zo nodig te bewijzen dat de erflater ten tijde van het opmaken van de uiterste wilsbeschikking leed aan een geestelijke stoornis en voorts dat deze stoornis toen een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsverklaring betrokken belangen belette ofwel dat de wilsverklaring onder invloed van de geestelijke stoornis is gedaan.
3.8.
De door appellanten – ter onderbouwing van hun stelling dat erflaatster ten tijde van het opmaken van haar testament op 1 augustus 2011 niet wilsonbekwaam was – bij memorie van grieven overgelegde bevindingen van de deskundigen zijn de volgende:
A
Brief van Prof. dr. Ph. Scheltens, neuroloog VUmc Alzheimercentrum (hierna: Scheltens) van 6 augustus 2012:
“De kenmerken van een vasculaire dementie zijn allereerst die van een dementie, d.w.z. een verlies van de cognitieve vermogens t.o.v. een eerder niveau, dat interfereert met het dagelijks leven, ergo dat vanwege de cognitieve beperkingen, problemen oplevert bij het uitvoeren van de alledaagse handelingen. I.t.t. de ziekte van Alzheimer is het geheugen meestal minder sterk aangedaan (. . .).
Geen enkele dementie, dus ook niet in de vasculaire vorm, impliceert wilsonbekwaamheid. Dit hangt af van vele factoren (. . .). Er zijn verschillen in het kunnen oordelen over deelname aan wetenschappelijk onderzoek, euthanasie, of onterving.
Op mijn verzoek ontving ik de CD met daarop een CT hersenen d.d. 3-11-2011 (. . .). Hierop is (. . .) in het geheel geen corticale infarcten (hof: te zien). Hetgeen vreemd is in het licht van de beschreven ‘afasie’ (. . .).
(. . .)
Redenerend vanuit de medische informatie die voorhanden is, in combinatie met de CT-scan, kan er gesproken worden van cognitief verval en traagheid (. . .) Echter, deze informatie is van NA de testamentswijzigingen. Van vóór de testamentswijziging dateren de twee observaties van collega Hoijtink, op 4-8-10 en 24-11-10 die haar wilsbekwaam acht voor het wijzigen van het testament, overeenkomstig de indruk van de notaris van november 2010, maart 2011 en augustus 2011.
Al met al zou ik concluderen dat de diagnose vasculaire dementie pas deugdelijk onderbouwd kan worden met de informatie van NA de testamentswijziging. Aangenomen moet derhalve worden dat patiënte ten tijde van het ondertekenen van het nieuwe testament op 1-8-11 wilsbekwaam was.”
B
E-mail van Scheltens van 30 augustus 2015:
“bij deze mijn commentaar (. . .) op de punten die Prof de Deyn noemt in zijn email aan de heer [geïntimeerde sub 1] , dd 22-10-2013.
(. . .) valt op dat De Deyn slechts een beperkte en bevooroordeelde (door zoon) versie van de casus krijgt voorgelegd, hetgeen De Deyn niet in staat stelt een gewogen oordeel te geven, gebaseerd op alle klinische gegevens + de CT scan.
(. . .)
het staat vast dat patiënte NA haar testamentswijziging door collega Janse op 22-12-11 als dement wordt beschouwd. Echter, zoals ik heb beschreven in mijn brief van 6-8-12, heeft drs Hoijtink op 24-11-10 nog beschreven dat zij patiënte wel in staat acht de essentie van een testament te begrijpen en keuzes te maken. Hieruit zou men ook kunnen opmaken dat er kennelijk wisselingen in het klinisch beeld bestaan, die passend zijn bij een vasculaire oorzaak van cognitieve stoornissen.
Ook na lezing van de correspondentie tussen Prof De Deyn en de Heer [geïntimeerde sub 1] , blijf ik derhalve bij mijn mening dat er onvoldoende harde gronden zijn om te veronderstellen dat patiënte tijdens het wijzigen van het testament NIET wilsbekwaam was.”
C
E-mail van Hoijtink van 31 augustus 2015:
“(. . .) Uit de periode 2008 tot en met 02-08-2011 komt een opvallend consistent beeld naar voren.
(. . .) 2009: Mw [X] krijgt een CVA. De afkorting CVA staat voor Cerebro-Vasculaire Aandoening.
Dit is niet een bepaalde aandoening, maar een verzamelbegrip.
(. . .) De term CVA kan dus gebruikt worden voor een klinisch licht beeld of voor een klinisch ernstig beeld.
04-08-2010: Een medische verklaring mijnerzijds in verband met een eventuele onderbewindstelling. (. . .)
Wat ik in deze verklaring niet aangeef is de ernst van het CVA (namelijk beperkt).
Wat ik ook niet aangeef is de ernst van de cognitieve stoornissen(namelijk ook beperkt).
Van dementie (dus ook vasculaire dementie) is geen sprake.
24-11-2011 (het hof begrijpt: 24-11-2010): Naar aanleiding van een verzoek van de notaris bezoek ik haar uit zorgvuldigheid nogmaals.
Ik constateer dat er in de tussenliggende tijd niet veel veranderd is. Ik verklaar daarom dat moeder ten aanzien van een testamentsaanpassing wilsbekwaam is.
Hiermee wordt de inschatting van de notaris gebaseerd op twee gesprekken met moeder, bevestigd.
18-07-2011: Er wordt door de huisarts een huisbezoek gebracht en een langdurig arts/patient gesprek vindt plaats.
Een van haar constateringen is dat er geen sprake is van dementie.
(. . .)
Maart en 01-08-2011: De notaris beschouwd (hof: beschouwt) haar als wilsbekwaam.
Concluderend komt er dus een consistent beeld naar voren op basis van contacten met meerdere medici en niet-medici gedurende meerdere momenten gedurende precies een jaar.
En dat consistente beeld is: wel licht te noemen vasculaire cognitieve stoornissen, maar zeker geen wilsonbekwaamheid of dementie.
(. . .)
Op 08-11-11 wordt de urine door de huisarts nagekeken (. . .).
(. . .) wijst op een forse urineweginfectie. Deze urineweginfectie zou gezien de testwaarden heel goed al wat langer aanwezig kunnen zijn. Volgens de thuiszorg is moeder verward.
De huisarts gebruikt hier niet de term delier. Maar toch zou hier heel goed sprake van geweest kunnen zijn.
(. . .) kan een delier (met wisselend bewustzijn, wisselende aandacht en wisselende cognitieve stoornissen) in deze novemberperiode heel goed een aantal weken aanwezig hebben kunnen zijn.
In aanwezigheid van een delier mag een diagnose dementie eigenlijk niet zomaar gesteld worden.
(. . .)
Op 03-11-11 is er een CT scan gemaakt. Er blijkt spraken (hof: sprake) van ernstige vasculaire encephalopathie.
Belangrijk is in dit verband dat dit een term is die beschrijft wat er op beeldend onderzoek zichtbaar is.
(. . .) er is geen NPO verricht.
Een Neuro-Psychologisch Onderzoek behelst een uitgebreid psychologisch testpakket.
Hieruit kunnen symptomen naar voren komen die een diagnose dementiesyndroom kunnen ondersteunen, in combinatie met afwijkingen bij beeldend onderzoek.
Beeldend onderzoek alleen is onvoldoende voor het diagnosticeren van een klinisch beeld cq dementie.
(. . .) 22-12-11 Geriater Janse: het geheugen is niet goed te beoordelen door fatische stoornissen.
Waarschijnlijk (!) al forse cognitieve stoornissen in het kader van een (vasculaire) dementie.
Er is dus ook door Janse helemaal niet met zekerheid een diagnose dementie gesteld
(. . .).
(. . .) De analyse van Prof. Scheltens dd 06-08-2012 wordt door mij (. . .) volledig gedeeld.”
D
Een brief van W.P.M. van Jaarsveld , huisarts (hierna: Van Jaarsveld ) van 25 november 2015. Van Jaarsveld is als onafhankelijk huisarts gevraagd de chronologische weergave van de toetsingsmomenten van de wilsbekwaamheid van erflaatster te verifiëren. Daartoe heeft hij het medische dossier van erflaatster ter beschikking gesteld gekregen van de huisartsen J.M. de Kort-Beuker en haar voorganger J.H. van Es , almede de medicatielijst van de apotheek.
Met het medisch dossier van erflaatster als leidraad heeft hij een overzicht gegeven over de periode vanaf augustus 2010 tot de datum van haar overlijden. Uit dit overzicht blijkt het volgende. In 2010 bevatten de journaalregels geen bericht over Alzheimer/dementie, noch is medicatie hiervoor voorgeschreven. Op 31 januari 2011, enkele dagen na de val van erflaatster, heeft de huisarts geconcludeerd dat geen sprake is van beginnende Alzheimer/dementie. Ook in de periode tot 22 december 2011, de datum van de brief van geriater Janse naar de huisarts, is in de journaalregels geen sprake van Alzheimer/dementie. Op 6 april 2012 heeft huisarts erflaatster bezocht voor controle en in de journaalregels vermeld dat erflaatster aardig vrolijk en helder is en adequaat reageert. In het journaalbericht van 25 april 2012 is sprake van een telefonisch gesprek met [geïntimeerde sub 1] over erflaatster. Over de inhoud van dit gesprek is het volgende vermeld:
….. zoon is het niet eens met de diagnoses in de brieven van de neuroloog en de geriater (december aan dokter De Kort ) (. . .) herkent zich niet in een dementieel beeld.”
E
3.9.
Ter verdere onderbouwing van hun standpunt dat erflaatster ten tijde van het opmaken van haar testament op 1 augustus 2011 wilsonbekwaam was hebben [geïntimeerden] bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep een expertiserapport in het geding gebracht van Prof.dr. F.R.J. Verhey, psychiater/neuroloog academisch ziekenhuis Maastricht (hierna: Verhey), gedateerd 17 februari 2017. In zijn inleiding vermeldt Verhey dat de hem ter beschikking staande informatie erg fragmentarisch is en op sommige punten tegenstrijdig. Als meest gedetailleerd en consistent merkt hij de verklaring van prof. Craig Ritchie (hierna: Ritchie) uit Edinburgh aan.
Uit deze eveneens in het geding gebrachte verklaring van 31 maart 2016 maakt het hof op dat Ritchie zich beperkt heeft tot de situatie op 15 maart 2011, de datum van ondertekening door erflaatster van haar medische verklaring, alsmede: “the clinical context as outlined by her son”, waaronder de door appellanten bestreden omstandigheid dat voormelde medische verklaring al in werking was getreden, zoals verwoord in de verklaring:
“On april first (17 days later) the advanced directive is enacted implying that the patient has now lost capacity. This is highly unlikely unless either there was a major interceding cerebral event (e.g. fall with head injury of stroke) between March 15th and 1st April 2011 (and none were noted) OR at the time of signing the Advanced Directive, the patient did not have actually have Full Mental Ability.(…)”
Zijn conclusie luidt als volgt:
“(. . .) the evidence that I have had access to would suggest this lady had a dementing illness with a significant cerebrovascular component. Her behaviours and CT findings point towards prominent executive symptoms which would affect judgment and planning. The fluctuations in her capacity seems very unusual and I consider that this patient probably lost capacity at some point between September 2010 and March 2011. It is highly unlikely that having lost capacity – this would have been subsequently regained.”
Het hof stelt vast dat Verhey naast de verklaring van Ritchie beschikte over de hiervoor onder A, B en C genoemde bevindingen, alsmede de onder 2.10 en 2.16 vermelde e-mails van Hoijtink van 27 juli 2011 en 4 december 2012, en de onder 2.17.b en 2.17.c weergegeven correspondentie tussen [geïntimeerde sub 1] en De Deyn. Verhey schrijft het volgende:
“(. . .) Ik deel deze opvatting (hof: de conclusie van Ritchie) dus dat het erg ongewoon is dat de mate van wilsbekwaamheid zodanig schommelt dat die soms niet, en later weer wél aanwezig zou zijn. Ik kan een dergelijke situatie bij ouderen eigenlijk alleen voorstellen in het geval sprake is van delier, maar omdat deze term nergens valt, noch sprake is van een beschrijving die hiernaar zou kunnen verwijzen, denk ik niet dat hiervan sprake zou kunnen zijn. Het is juist dat een van de criteria voor een vasculaire dementie ‘schommelingen in het toestandsbeeld’ betreft, maar deze schommelingen zijn niet van dien omvang en aard dat iemand eerst een periode niet, later weer een periode wel en weer later niet meer wilsbekwaam is.
(. . .) Ik kan overigens niet goed beoordelen of Scheltens dezelfde informatie had als mij nu ter beschikking is gesteld.
Mijns inziens is uit alle informatie de score van 1 op de Mini Mental State examination (MMSE) het meest harde gegeven. De MMSE is een eenvoudige test om een indruk te krijgen over iemands cognitief functioneren. (…) Bij een score van 1 is een patiënt niet in staat om zelfs zeer eenvoudige vragen adequaat te beantwoorden (. . .)
Dat doet vermoeden dat er meer aan de hand is dan een ernstige dementie, in dit geval vermoedelijk ernstige taalstoornissen (ofwel afasie). (. . .) Aannemende dat er inderdaad van afasie sprake was, dan was patiënte niet alleen door ernstige cognitieve stoornissen beperkt, maar ook door een aanzienlijk gestoorde communicatie. (. . .) alleen al door deze score aangenomen moet worden dat er geen sprake is van een wilsbekwaamheid (. . .)
(. . .)
(. . .) de bevindingen op een CT-scan. (. . .) is (. . .) naar mijn mening niet relevant voor de beoordeling van de mate van wilsbekwaamheid ten aanzien van het testament omdat op grond van een CT (. . .) geen betrouwbare uitspraak kan worden gedaan over de ernst van de dementie.
Overigens blijkt uit de brief van Scheltens niet duidelijk dat hij de diagnose van A. Janse in twijfel trekt. Wel uit hij zijn bevreemding dat op de CT scan geen tekenen van corticale infarcten zichtbaar zijn. (. . .) acht ik deze opmerking niet relevant voor de beoordeling van de mate van wilsbekwaamheid. Verder is het niet ongewoon dat een klinisch doorgemaakt cerebraal infarct niet zichtbaar is op een CT scan.
Ik ben het met prof. PP De Deyn eens dat het uitermate onwaarschijnlijk is dat de toestand van betrokkene in ongeveer 4 maanden tijd (tussen augustus 2011 en november 2011) sterk veranderd kan zijn, zonder dat er een tussenliggend incident zoals een beroerte heeft plaatsgevonden. Daarvan wordt in ieder geval geen melding gemaakt. Derhalve is aannemelijk dat ook in augustus 2011 sprake was van ernstige dementie, gecombineerd met een communicatiestoornis door afasie.”
Kort gezegd komt zijn conclusie erop neer dat aangenomen moet worden dat erflaatster niet wilsbekwaam geacht moet worden.
F
3.10.
Van de zijde van appellanten is bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep onder meer overgelegd een nader verzoek van hun advocaat aan Scheltens waarbij gevoegd het medisch dossier van erflaatster van 18 juli 2011 tot 30 december 2011 en de brief van A. Janse, klinisch geriater (hierna: Janse), aan de huisarts van 22 december 2011, nadat hij erflaatster op 31 oktober 2011 had onderzocht. In de journaalregels is op 8 november 2011 vermeld: “sterk ruikende urine (. . .), lijkt ook verward vlgs de thuiszorg. urine: nitr+, leuk+++, alb+, bl+++”. Ook is bij dat verzoek gevoegd e-mail correspondentie tussen de advocaat van appellanten en Janse. De vraag of Janse in 2011 het medisch dossier van erflaatster van huisarts De Kort heeft ontvangen dan wel opgevraagd, is door Janse in zijn e-mail van 16 februari 2017 met “nee” beantwoord.
Scheltens heeft in zijn e-mail van 28 februari 2017 als volgt gereageerd:
“Ik heb destijds geconstateerd dat er sprake was van cognitieve achteruitgang sinds langere tijd, maar dat een deugdelijke en feitelijke onderbouwing hiervan slechts mogelijk was op basis van informatie die dateert van NA de testamentswijziging dd
(. . .) 1-8-2011. Evenzo geldt dit voor de inderdaad geconstateerde urineweginfectie dd 8-11-11, adequaat behandeld, maar niettemin zeker in staat tot het geven van ernstige verwardheid in het kader van een delier, eens te zekerder wanneer er sprake is van een kwetsbaar brein, zoals moge blijken uit de forse afwijkingen op de CT scan.”
G
3.11.
Appellanten hebben de door [geïntimeerden] in het geding gebrachte verslagen van Ritchie en Verhey aan Scheltens voorgelegd. Scheltens heeft bij zijn door appellanten daarna in het geding gebrachte brief van 6 maart 2017 op deze verslagen als volgt gereageerd:
“1) Om met het rapport van collega Ritchie te beginnen, dit is gebaseerd op een feitenrelaas, samengesteld door een derde, en niet op feitelijke medische informatie. Als zodanig kan hieraan geen waarde worden gehecht. (. . .)
2) Het rapport van collega Verhey (. . .)
(. . .)
b) (. . .) acht hij de CT bevindingen niet relevant. Ik bestrijd dit ten zeerste. Juist in een casus waar relatief weinig objectieve medische gegevens voorhanden zijn, en er vele, niet medische observaties gebruikt worden, is feitelijke informatie zeer relevant. Op grond van de scan bevindingen is de aanwezigheid van een afasie namelijk in het geheel NIET aannemelijk. Veeleer denk ik dat de niet-neurologisch geschoolde artsen Hoijtink en Janse (en ook Verhey) afasie verwarren met dysartrie (onduidelijk spreken). Ten tweede bewijst de CT dat er vasculaire schade is in de diepe witte stof hetgeen samengaat met traagheid, dysartrie, loopstoornissen, en kwetsbaarheid met een lage drempel tot ontstaan van een delier (. . .) De opmerking van Verhey dat een klinisch doorgemaakt infarct niet zichtbaar hoeft te zijn op een CT is waar, als het zou gaan om een klein subcorticaal infarct, dat echter geen afasie tot gevolg kan hebben, dewelke hij wel aanneemt. Ergo, zijn beweringen omtrent de CT zijn neurologisch aantoonbaar onjuist en onhoudbaar.
c) Collega Verhey baseert zijn hele conclusie op de uitermate lage MMSE score van 1 (daterend van 22-12-11, na de testamentswijziging) (…). Mijn commentaar hierop is het volgende: ten eerste zou ik graag het brondocument zien van deze score (. . .). Ik heb dat niet aangetroffen en derhalve kan worden betwijfeld of de test echt is afgenomen (. . .). Ten tweede is de MMSE score van 1 dermate laag, dat deze erg onwaarschijnlijk is voor iemand die toen nog thuis woonde. (. . .)
(. . .)
e) Uit het huisartsjournaal komt naar voren dat betrokkene in de periode november – december 2011 vele malen een urineweginfectie had met bijbehorende verwardheid, hetgeen als een delirante episode geduid moet worden bij een patiënte bij wie de drempel voor een dergelijk delier verlaagd is. Hiermee zijn dus de wisselingen in het beloop heel goed te verklaren en valt de MMSE van 1 als momentopname te duiden die dus niet gebruikt kan worden om te beargumenteren dat er 4 maanden daarvoor sprake van wilsonbekwaamheid geweest MOET zijn. Collega Verhey schrijft in de 2e alinea ook dat hij een dergelijke situatie (wisselende wilsbekwaamheid) alleen kent in geval van delier. Nu door het huisartsjournaal deze mogelijkheid reëel is geworden, kan e.e.a. beter geduid worden.
3) (. . .) Op basis van de aan mij ter beschikking gestelde informatie kan ik niet anders concluderen (hof: dan) dat er geen feitelijk bewijs is uit het medische dossier voor een (vasculaire) dementie die zodanig ernstig zou zijn dat betrokkene op 1-8-11 NIET wilsbekwaam zou zijn geweest. Alle overige medische informatie (collega Janse) dateert van ruim daarna en is derhalve niet relevant, zeker nu ook is komen vast te staan dat betrokkene aantoonbaar meerdere urineweginfecties heeft gehad met ‘verwardheid’ volgens de huisarts, ten tijde van de observaties van collega Janse.
(. . .)
3.12.
Het hof stelt vast dat de artsen/deskundigen van appellanten enerzijds en van [geïntimeerden] anderzijds niet alleen tot tegenovergestelde bevindingen/conclusies komen, maar ook dat de deskundigen van ieder van partijen niet dezelfde gegevens ter beschikking hebben gestaan. Op grond van de medische verklaring van erflaatster konden [geïntimeerden] niet beschikken over het medisch dossier van erflaatster. De door [geïntimeerden] bevraagde deskundigen hebben uitsluitend beschikt over door [geïntimeerde sub 1] verstrekte informatie (De Deyn), een door [geïntimeerde sub 1] gemaakt overzicht, waarvan de inhoud deels wordt betwist, onder meer waar het betreft 1 april 2011 als datum waarop de medische verklaring van erflaatster in werking is getreden (Ritchie), de onder A, B en C genoemde bevindingen, de e-mails van Hoijtink van 27 juli 2011 en 4 december 2012, en de correspondentie tussen [geïntimeerde sub 1] en De Deyn (Verhey). De gegevens waarop de artsen/deskundigen aan de zijde van appellanten zich hebben gebaseerd zijn, voor zover het hof kan vaststellen, afkomstig van (gedeelten) van het patiëntdossier van erflaatster, waarin [appellante sub 1] als enige inzage kan vragen.
3.13.
Bij deze stand van zaken acht het hof een onderzoek door een onafhankelijk deskundige noodzakelijk. De deskundige zal op basis van het medische dossier van erflaatster onderzoek dienen te doen naar de volgende vragen:
- 1.
Was bij erflaatster sprake van een stoornis van de geestvermogens?
- 2.
Zo ja, was op 1 augustus 2011 sprake van deze stoornis en heeft deze stoornis een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsverklaring betrokken belangen belet ofwel is de wilsverklaring onder invloed van de geestelijke stoornis gedaan?
en zijn rapport aan het hof te doen toekomen.
Het hof zal daarbij bepalen dat de deskundige zo nodig de huisartsen De Kort-Beuker en haar voorganger Van Es kan raadplegen, evenals Hoijtink, de geriater Janse en de neuroloog Jansen, die – zo blijkt uit het medische dossier van 18 juli 2011 tot 30 december 2011 – erflaatster in november 2011 eveneens heeft onderzocht.
[appellante sub 1] heeft tijdens het pleidooi toegezegd dat zij het patiëntdossier ter beschikking zal stellen aan de deskundige, op voorwaarde dat dit bij de deskundige blijft.
Teneinde de onafhankelijkheid van de deskundige te waarborgen, dient de deskundige te worden aangewezen door Scheltens (aan de zijde van appellanten) en Verhey (aan de zijde van [geïntimeerden] ) gezamenlijk. Partijen dienen daartoe ieder voor zich via hun advocaat de deskundige aan hun zijde te benaderen met het verzoek samen met de deskundige van de wederpartij tot aanwijzing van de te benoemen deskundige te komen, en het hof te berichten over de naam van de aangewezen deskundige. Vervolgens zal het hof tot benoeming van de deskundige overgaan.
3.14.
Tevens acht het hof het noodzakelijk te beschikken over nadere informatie met betrekking tot de totstandkoming van het testament van erflaatster van 1 augustus 2011, en in het bijzonder over:
a. de reden voor het inschakelen van notaris Wijts voor het maken van het testament in plaats van de vaste notaris (notaris Paardekooper);
b. de mate van betrokkenheid van notaris Paardekooper bij het maken van het testament;
c. de door notaris Wijts/haar kantoor verrichte handelingen en gehouden besprekingen met erflaatster en/of de vader vanaf het moment dat notaris Wijts werd ingeschakeld;
d. hetgeen met erflaatster is besproken tijdens het passeren van het testament.
3.15.
Het hof zal appellanten in de gelegenheid stellen het hof deze informatie te verschaffen door het overleggen van schriftelijke verklaringen, van zowel notaris Paardekooper (a) als (bij voorkeur) notaris Wijts (a, b en c). Tijdens het pleidooi in hoger beroep is namens appellanten meegedeeld dat notaris Wijts niet in staat is als getuige een verklaring af te leggen, omdat zij aan Alzheimer lijdt. Het hof gaat ervan uit dat dit ook heeft te gelden voor een schriftelijke verklaring, waarvan het hof een bevestiging van de zijde van appellanten wenst te ontvangen. In dat geval kunnen appellanten volstaan met schriftelijke verklaringen van kandidaat-notaris A.N. Ruuls (over a en b, zowel op grond van haar eigen waarneming als aan de hand van de aantekeningen van notaris Wijts) en van de notariële medewerkers [C] en [D] , beiden getuige bij het passeren van het testament (over c), in plaats van een schriftelijke verklaring van notaris Wijts.
3.16.
Het hof zal na ontvangst van het rapport van de te benoemen deskundige partijen in de gelegenheid stellen om een akte te nemen met een reactie op de inhoud van de onder 3.14 genoemde verklaringen, tegelijkertijd met een reactie op de inhoud van het deskundigenrapport.
4. Beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 29 augustus 2017 voor:
een door beide partijen te nemen akte uitlating over hetgeen onder 3.13 is overwogen, en
een door appellanten te nemen akte uitlating over hetgeen onder 3.14 en 3:15 is overwogen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. Kleene-Eijk, C.M.J. Peters en M.C. Schenkeveld en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2017.
Uitspraak 12‑05‑2015
Inhoudsindicatie
Tussenarrest. Zie ECLI:NL:GHAMS:2017:1749 en ECLI:NL:GHAMS:2017:4441.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.166.688/01
zaaknummer rechtbank : C/16/335042/HA ZA 13-33
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2015
inzake
1. [appellante sub 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
2. mr. Johannes Cornelis Jacobus SMALLENBROEK,
wonende te ’s-Gravenhage en kantoorhoudende te Leiderdorp,
in zijn hoedanigheid van (opvolgende) executeur van de nalatenschap van
[X] (erflaatster),
appellanten,
advocaat: mr. G.L. Maaldrink te 's-Gravenhage,
tegen
1. [geïntimeerde sub 1] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,
wonende te [woonplaats 3] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. B. Breederveld te Alkmaar.
1. Het geding in hoger beroep
Appellanten hebben bij exploot geïntimeerden aangezegd in hoger beroep te komen van een of meer tussen partijen in de onderhavige zaak gewezen vonnissen, met dagvaarding van geïntimeerden voor dit hof.
De zaak is op de rol ingeschreven en geïntimeerden zijn bij advocaat verschenen.
2. Beoordeling
Het hof ziet aanleiding om een comparitie van partijen te gelasten. Het doel is het verkrijgen van inlichtingen, het beproeven van een minnelijke regeling en/of het bespreken van het verdere verloop van het hoger beroep, waarbij onder meer mediation, bewijsvoering en/of rapportage door deskundigen aan de orde kunnen komen. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. Beslissing
Het hof:
bepaalt dat partijen in persoon respectievelijk, voor zover partijen rechtspersoon zijn, vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en die bevoegd is (door schriftelijke machtiging of anderszins) tot het aangaan van een schikking, tezamen met hun advocaten zullen verschijnen voor het tot raadsheercommissaris benoemde lid van het hof, mr. G.B.C.M. van der Reep, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam, op een nader te bepalen tijdstip, tot het hiervoor onder 2 omschreven doel;
bepaalt dat partijen binnen 1 week na heden op de rol van 19 mei 2015 hun verhinderdagen en die van hun advocaten voor de maanden juni t/m september 2015 kunnen opgeven, waarna het hof de dag en het tijdstip van de comparitie zal vaststellen, in welk geval behoudens klemmende redenen of overmacht geen uitstel van de comparitie meer zal worden verleend;
bepaalt dat appellanten uiterlijk 4 weken na heden een kopie van het volledige procesdossier (de stukken van de eerste aanleg met inbegrip van de producties en de appeldagvaarding) in enkelvoud zullen indienen bij het hof (roladministratie – team handel);
bepaalt dat partijen uiterlijk 2 weken vóór de dag van de comparitie de stukken waarop zij voor het overige een beroep zouden willen doen, in kopie over zullen leggen door toezending aan het hof (roladministratie – team handel) en de wederpartij;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, C.C. Meijer en J.W. Hoekzema en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.