Zie de beschikking van de rechtbank Den Haag van 4 maart 2015.
HR, 03-02-2017, nr. 16/01725
ECLI:NL:HR:2017:157, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-02-2017
- Zaaknummer
16/01725
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2017:157, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 03‑02‑2017; (Cassatie, Beschikking)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2015:3990, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1226, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2016:1226, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 02‑12‑2016
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:157, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑04‑2016
Beroepschrift, Hoge Raad, 30‑03‑2016
- Vindplaatsen
PFR-Updates.nl 2017-0033
Uitspraak 03‑02‑2017
Inhoudsindicatie
Kinderalimentatie. Verdeling draagkracht onderhoudsplichtige over kinderen uit twee relaties. Onderhoudsplicht nieuwe partner. Lagere behoefte van kinderen in ander land. Samenhang met 16/01726.
Partij(en)
3 februari 2017
Eerste Kamer
16/01725
TT/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vrouw],wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. D.Th.J. van der Klei,
t e g e n
[de man],wonende te [woonplaats], Polen,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak C/09/479752/FA RK 14-10054 van de rechtbank Den Haag van 4 maart 2015;
b. de beschikking in de zaak 200.170.420/01 van het gerechtshof Den Haag van 30 december 2015.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het aanvullend cassatierekest zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.
De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 16 december 2016 op die conclusie gereageerd.
3 Beoordeling van de middelen
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De man en de vrouw zijn in 1997 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, een zoon op [geboortedatum] 1998 en een dochter op [geboortedatum] 2000.
(ii) Het huwelijk van partijen is op 7 maart 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 13 oktober 2010 in de registers van de burgerlijke stand.
(iii) De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 22 december 2010 onder meer de kinderalimentatie vastgesteld. Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft deze vaststelling bij beschikking van 21 december 2011 bekrachtigd.
(iv) De man heeft een kind uit een nieuwe relatie en woont in Polen.
3.2.1
In deze procedure verzoekt de vrouw onder meer verhoging van de kinderalimentatie. Aangezien haar zoon thans meerderjarig is, treedt zij in cassatie in verband hiermee alleen nog op voor haar minderjarige dochter.
3.2.2
De rechtbank heeft de door de man met ingang van 19 december 2014 te betalen kinderalimentatie bepaald op € 669,21 per maand per kind.
3.2.3
Het hof heeft de beschikking van de rechtbank in zoverre vernietigd. Het overwoog als volgt.
“11. (…) Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het onder 9. overwogene, niet worden uitgegaan van een hogere draagkracht aan de zijde van de man ten opzichte van zijn draagkracht ten tijde van het afgeven van de beschikking van 21 december 2011 van dit hof. Het hof zal de bestreden beschikking voor zover het betreft de wijziging van de kinderalimentatie in zoverre vernietigen. Het hof is echter van oordeel dat de inkomensvermindering aan de zijde van de man, door zijn eigen handelen veroorzaakt, ten opzichte van de minderjarigen wel verwijtbaar is. Naar het oordeel van het hof ligt het op de weg van de man om, ondanks zijn keuze om zijn baan op te zeggen, de alimentatieverplichting jegens de minderjarigen onverminderd na te komen. Het hof gaat dan ook uit van een draagkracht van € 1.120,- per maand, zoals reeds bij beschikking van dit hof van 21 december 2011 vastgesteld, thans geïndexeerd € 1.174,- per maand. Gelet op het feit dat de man thans onderhoudsplichtig is jegens drie kinderen zal het hof de draagkracht van de man echter verdelen over drie kinderen, zodat de door de man te betalen kinderalimentatie € 390,- per maand per kind zal bedragen. Vanaf het moment dat het vierde kind van de man is geboren wordt de alimentatie door het hof bepaald op € 293,-. (…)”
3.3.1
De onderdelen 3.3 en 3.4 klagen dat het hof art. 1:397 BW en art. 1:404 BW heeft miskend door de beschikbare draagkracht van de man gelijkelijk te verdelen over de drie (later vier) kinderen van de man. De onderdelen wijzen daartoe op de stellingen van de vrouw datin Polen woonachtige kinderen van de man uit zijn nieuwe relatie een lagere behoefte hebben, en dat de nieuwe partner van de man een (hoog) eigen inkomen heeft, zodat zij ook dient bij te dragen aan de behoefte van haar kinderen met de man. Subsidiair voeren de onderdelen aan dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is.
3.3.2
Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat wanneer iemand onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit een eerste en een tweede relatie, terwijl zijn draagkracht niet voldoende is om aan die verplichtingen volledig te voldoen, het voor onderhoud beschikbare bedrag tussen die kinderen wordt verdeeld, in beginsel gelijkelijk tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij een duidelijk verschil in behoefte (HR 13 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0451, NJ 1992/178).
Indien een ouder een nieuwe relatie is aangegaan waaruit kinderen zijn geboren, dan zal niet alleen rekening moeten worden gehouden met het feit dat die ouder verplicht is om bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van die kinderen, maar ook met het feit dat op de andere ouder van die kinderen eenzelfde verplichting rust of kan rusten. Aldus kan de bijdrageverplichting van die andere ouder mede van invloed zijn op het voor een kind uit een eerdere relatie beschikbare gedeelte van de draagkracht van de jegens dat kind onderhoudsplichtige ouder (HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS3643, NJ 2005/379 en HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX1295, NJ 2012/498).
Indien sprake is van kinderen in verschillende landen, kan ook een verschil in kosten van levensonderhoud tussen die landen van belang zijn voor het bepalen van de behoefte van de kinderen.
Voor de beantwoording van de vraag welk deel van de draagkracht van de man beschikbaar is voor de kinderen uit zijn eerste relatie, is derhalve van belang of de kinderen uit zijn tweede relatie een lagere behoefte hebben dan de kinderen uit zijn eerste relatie en of de nieuwe partner van de man een eigen inkomen heeft, zodat zij dient bij te dragen aan de behoefte van haar kinderen uit haar relatie met de man.
3.3.3
Nu het hof heeft geoordeeld dat de draagkracht van de man gelijkelijk over de drie (later vier) kinderen moet worden verdeeld, zonder op de hiervoor in 3.3.1 vermelde stellingen van de vrouw in te gaan, heeft het hof hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. De onderdelen 3.3 en 3.4 slagen derhalve.
3.4
De overige klachten van de middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 30 december 2015;
verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 3 februari 2017.
Conclusie 02‑12‑2016
Inhoudsindicatie
Kinderalimentatie. Verdeling draagkracht onderhoudsplichtige over kinderen uit twee relaties. Onderhoudsplicht nieuwe partner. Lagere behoefte van kinderen in ander land. Samenhang met 16/01726.
Partij(en)
Zaaknr: 16/01725
Mr. M.H. Wissink
Zitting: 2 december 2016
Conclusie in de zaak van:
[de vrouw]
tegen
[de man]
1. Inleiding, feiten en procesverloop
1.1
De vrouw heeft in deze procedure verzocht om aanpassing van in een eerdere procedure vastgestelde kinderalimentatie en tot vaststelling van een in een eerdere procedure op nihil gestelde partneralimentatie. De man heeft verzocht om nihilstelling van ook de kinderalimentatie. Dit cassatieberoep betreft de beslissingen over de partneralimentatie en de kinderalimentatie voor zover het betreft de dochter van partijen. De beslissing over de kinderalimentatie is ook aan de orde in het door de, inmiddels meerderjarige, zoon van partijen ingestelde cassatieberoep dat aanhangig is onder nr. 16/01726. In beide zaken wordt naar mijn mening terecht geklaagd over de beslissing van het hof om de draagkracht van de man gelijkelijk te verdelen over de kinderen uit zijn relatie met de vrouw en zijn kinderen uit de relatie met zijn nieuwe partner (zie hieronder bij de subonderdelen 3.3 en 3.4).
1.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.1.
(i) De man en de vrouw zijn gehuwd geweest van 17 juli 1997 tot 7 maart 2011. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren die ten tijde van uitspraak van de rechtbank bij de vrouw verbleven: [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1998, en [kind 2], geboren op [geboortedatum] 2000. De man heeft de Oostenrijkse nationaliteit en de vrouw heeft de Duitse nationaliteit.
(ii) Bij beschikking van 13 oktober 2010 van de rechtbank Den Haag is de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken.
(iii) Bij beschikking van 22 december 2010 van de rechtbank Den Haag is een kinderalimentatie bepaald van € 560,- per maand per kind en een partneralimentatie van € 180,- per maand. Het verzoek van de man tot limitering, dan wel nihilstelling van de door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage is afgewezen. Bij beschikking van 21 december 2011 van het gerechtshof ’s-Gravenhage is de beschikking van 22 december 2010 bekrachtigd ten aanzien van de kinderalimentatie en vernietigd voor zover het de partneralimentatie betrof. De partneralimentatie is op nihil bepaald.
(iv) Bij beschikking van 20 maart 2013 van de rechtbank Den Haag is het verzoek van de vrouw tot verhoging van de partneralimentatie, alsmede het verzoek van de man tot verlaging van de kinderalimentatie, afgewezen.
1.3
In de onderhavige procedure heeft de vrouw op 17 december 2014 (opnieuw) een verzoek tot wijziging (verhoging) kinder- en partneralimentatie ingediend bij de rechtbank Den Haag. De man heeft zich verweerd en bij wijze van zelfstandig tegenverzoek een (voorwaardelijk) verzoek tot verlaging van de kinderalimentatie verzocht.
1.4
Bij, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking van 4 maart 2015 van de rechtbank Den Haag is – in zoverre met wijziging van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 22 december 2010 en de beschikking van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 21 december 2011 – de door de man met ingang van 19 december 2014 te betalen kinderalimentatie bepaald op € 669,21 per maand per kind en de met ingang van 19 december 2014 te betalen partneralimentatie bepaald op € 1.000,- per maand.
Daartoe overwoog de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is op de verzoeken met betrekking tot de kinderalimentatie en de partneralimentatie en dat sprake was van een wijziging van de omstandigheden nu de man een zoon heeft gekregen uit een nieuwe relatie, [kind 3], de eerder vastgestelde zorgregeling is gewijzigd en het inkomen van de vrouw is gedaald. De vrouw stelde dat de man thans een inkomen van $ 450.000 per jaar had als consultant op een boorplatform in Nigeria voor de firma [A], hetgeen aanzienlijk meer is dan het gezinsinkomen van partijen tijdens hun samenleving van € 4.750 per maand. De rechtbank is hiervan uitgegaan, omdat de man, door geen gegevens te overleggen, de stellingen van de vrouw over zijn inkomen onvoldoende had betwist. De rechtbank stelde de behoefte van de beide kinderen vast op € 669,21 per maand en die van de vrouw op € 1.478 netto per maand. De rechtbank oordeelde dat de man voldoende draagkracht had.
1.5
De man is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag en heeft (onvoorwaardelijk) nihilstelling, althans verlaging, van de kinderalimentatie verzocht alsmede afwijzing van de gevraagde partneralimentatie. De vrouw heeft incidenteel appel ingesteld voor zover de rechtbank het verzoek van de vrouw ter zake partneralimentatie en ter zake kinderalimentatie heeft afgewezen. Bij beschikking van 30 december 2015 heeft het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de kinderalimentatie vernietigd en, in zoverre opnieuw beschikkende, de kinderalimentatie met ingang van de datum van de beschikking bepaald op € 390,- per maand per kind, en met ingang van de geboorte van het vierde kind van de man op een bedrag van € 293,- per maand per kind. Het hof heeft de bestreden beschikking ten aanzien van de partneralimentatie vernietigd en het verzoek van de vrouw alsnog afgewezen. Daartoe overwoog het hof:
“5. De man voert het volgende aan. (…) De man heeft zijn laatste baan op 28 februari 2013 opgezegd. De arbeidsovereenkomst is per 31 maart 2013 met wederzijds goedvinden beëindigd. (…) De reden waarom de man destijds zijn baan heeft opgezegd is gelegen in het feit dat zijn huidige partner in de loop van 2012 zwanger is geraakt en dat toen gekozen moest worden in welk land het kind na de geboorte met zijn beide ouders zou gaan opgroeien: Zwitserland of Polen. De keuze is toen gevallen op Polen, het thuisland van de partner van de man. Zij heeft aldaar een baan. Sedert de beëindiging van zijn dienstverband heeft de man tot op heden geen inkomen uit arbeid genoten. (…) Voorts wijst de man erop dat hij op 31 maart 2013 vader is geworden van zijn zoon [kind 3], als gevolg waarvan hij onderhoudsplichtig is jegens drie kinderen. Zijn partner is thans weer zwanger, zodat de draagkracht na de geboorte van zijn vierde kind over alle vier de kinderen van de man verdeeld moet worden.
(…)
9. Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is genoegzaam gebleken dat de man sinds 31 maart 2013 niet meer voor zijn voormalige werkgever, [A] ltd, werkt. Voorts is uit de door de man overgelegde verklaringen van de Poolse belastingdienst gebleken dat hij in 2013 en 2014 geen belastbaar inkomen heeft genoten. Het hof gaat er vanuit dat de man, indien hij inkomen geniet, wat er verder zij van belastingvriendelijke honoreringsconstructies in de betreffende branche, over enig deel van zijn inkomen belastingplichtig zal zijn, zodat het hof aan de stelling van de vrouw dat deze Poolse bescheiden niet maatgevend zijn voorbij gaat. Uit de overgelegde stukken is voorts niet gebleken dat de vrouw dan wel de kennissen van de vrouw (de genoemde studievriend) uit eigen waarneming hebben vastgesteld dat de man in Nigeria (of elders) werkzaam is, zodat het hof de stelling van de vrouw dienaangaande eveneens passeert. Ook is het hof van oordeel dat uit het ter zitting door de vrouw getoonde filmfragment niet kan worden opgemaakt dat het de man is op de film voorkomt, zodat uit de film ook niet geconcludeerd kan worden dat hij nog bij [A] werkzaam is, althans aan de verklaringen van de man ter zake getwijfeld zou kunnen worden. Het hof is voorts van oordeel dat het bewijsaanbod van de vrouw ter zake niet voldoende geconcretiseerd is. In het verweerschrift is slechts een algemeen bewijsaanbod gedaan. Ter gelegenheid van het pleidooi is gesteld dat genoemde studievriend kan worden gehoord om zijn overgelegde schriftelijke verklaring, waarin staat dat hij van twee zijden uit de oliebranche heeft gehoord dat de man in de off shore werkt in Nigeria, te bevestigen. Deze vriend zou kunnen worden gehoord “als getuige, over wie de informatie hebben gegeven, opdat ook zij gehoord kunnen worden door uw Hof”. Het hof acht dit aanbod niet specifiek genoeg. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw haar stelling, dat de man op dit moment een betaalde baan heeft, onvoldoende onderbouwd om tot het bewijs te worden toegelaten Het hof merkt daarbij voorts op dat gesteld nog gebleken is dat de voorgedragen getuige - de studievriend - meer of anders kan of zal verklaren dan reeds schriftelijk gedaan, welke verklaring het hof passeert. Het hof is van oordeel dat het op de weg van de vrouw had gelegen om zelf de namen van de door de studievriend genoemde personen te achterhalen en te noemen en aan te geven wat zij ter zake zelf zouden kunnen verklaren. Nu dat alles niet het geval is kan het hof niet nagaan of zij ook maar iets zouden kunnen verklaren omtrent de vraag of de man nog in de off shore werkt.
Het hof merkt op dat de man wel ingeschreven staat bij het arbeidsbureau in Polen, zodat het hof er vanuit gaat dat de man op termijn weer een betaalde baan zal hebben.
10. Naar het oordeel van het hof heeft de man destijds door het opzeggen van zijn baan niet in strijd met de belangen van de vrouw en van de minderjarigen gehandeld. De man had immers jegens de vrouw op dat moment, op basis van de beschikking van dit hof in deze zaak van 21 december 2011, geen alimentatieverplichting en hij is na de opzegging van zijn baan zijn alimentatieverplichting jegens de minderjarigen blijven nakomen. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking voor zover het betreft de vaststelling van de partneralimentatie vernietigen en de het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie alsnog afwijzen, nu de man op dit moment nog steeds geen draagkracht heeft om enig bedrag aan partneralimentatie te voldoen.
11. Ten aanzien van de kinderalimentatie overweegt het hof als volgt. De man heeft er in 2013 bewust voor gekozen om zijn baan op te zeggen ondanks het feit dat hij alimentatieplichtig was jegens de minderjarigen. Ter zitting heeft de man verklaard dat hij voornemens was de kinderalimentatie te blijven betalen en dat hij dit ook al die jaren heeft gedaan. Dit is niet betwist door de vrouw. Zijn stelling, ter zitting, dat hij thans geen kinderalimentatie meer kan voldoen vanwege de kosten van de procedures heeft de man naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd, zodat het hof deze stelling zal passeren. Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het onder 9. overwogene, niet worden uitgegaan van een hogere draagkracht aan de zijde van de man ten opzichte van zijn draagkracht ten tijde van het afgeven van de beschikking van 21 december 2011 van dit hof. Het hof zal de bestreden beschikking voor zover het betreft de wijziging van de kinderalimentatie in zoverre vernietigen. Het hof is echter van oordeel dat de inkomensvermindering aan de zijde van de man, door zijn eigen handelen veroorzaakt, ten opzichte de minderjarigen wel verwijtbaar is. Naar het oordeel van het hof ligt het op de weg van de man om, ondanks zijn keuze om zijn baan op te zeggen, de alimentatieverplichting jegens de minderjarigen onverminderd na te komen. Het hof gaat dan ook uit van een draagkracht van € 1.120,- per maand, zoals reeds bij beschikking van dit hof van 21 december 2011 vastgesteld, thans geïndexeerd € 1.174,- per maand. Gelet op het feit dat de man thans onderhoudsplichtig is jegens drie kinderen zal het hof de draagkracht van de man echter verdelen over drie kinderen, zodat de door de man te betalen kinderalimentatie € 390,- per maand per kind zal bedragen. Vanaf het moment dat het vierde kind van de man is geboren wordt de alimentatie door het hof bepaald op € 293,-. Het hof zal deze bedragen vaststellen per datum van deze beschikking, nu voldoende gebleken is dat de vrouw niet tot terugbetaling van te veel betaalde kinderalimentatie in staat is.”
1.6
De vrouw heeft tijdig, bij verzoekschrift tot cassatie van 30 maart 2016, aangevuld op 18 april 2016,2.cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van 30 december 2015. De man is in cassatie niet verschenen.3.
2. Bespreking van de cassatiemiddelen
2.1
Het middel bestaat uit vier onderdelen met verschillende subonderdelen.
Onderdeel 1
2.2
Dit onderdeel richt in twaalf subonderdelen klachten tegen rov. 9. De klachten van de subonderdelen 1.1 t/m 1.4 veronderstellen dat de bewijslast ten aanzien van (het ontbreken van) de draagkracht bij de man op de man rust. Zij lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
2.3
Vooropgesteld dient te worden dat er in de procedure sprake is van twee zelfstandige verzoeken: het verzoek van de vrouw tot (kort gezegd) verhoging van de kinder- en partneralimentatie en het verzoek van de man tot (kort gezegd) verlaging van de kinderalimentatie. Beide verzoeken zijn gestoeld op artikel 1:401 BW, dat bepaalt dat een alimentatiebeslissing – in casu de beschikking van 21 december 2011 van het gerechtshof ’s-Gravenhage − bij latere uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Zowel de vrouw als de man voeren een verandering in de draagkracht van de man (de vrouw: een verhoging en de man: een verlaging) aan als wijziging van omstandigheden.
Voor zover de subonderdelen zien op de stelling van de vrouw dat de draagkracht van de man is verhoogd, miskent het middel dat de bewijslast van haar stelling op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv jo. artikel 284 Rv op de vrouw rust nu zij de partij is die wijziging verzoekt.4.Anders dan subonderdeel 1.2 betoogt, heeft het hof geen rechtsregel geschonden door niet af te wijken van deze hoofdregel. Daarbij merk ik op dat de man uiteindelijk in de procedure bij het hof gegevens heeft overgelegd over zijn huidige situatie.
Voor zover de onderdelen zien op de stelling van de man dat zijn draagkracht is verlaagd, miskent het middel dat het hof deze stelling gedeeltelijk heeft verworpen en voor het overige heeft geoordeeld dat een inkomensvermindering aan de zijde van de man, door zijn eigen handelen veroorzaakt, verwijtbaar is. Het hof laat derhalve de draagkracht van de man als vastgesteld in de beschikking van het hof van 21 december 2011 in stand, zodat het hof aan de vrouw geen (tegen)bewijs hoefde toe te laten tegen de stelling van de man dat zijn draagkracht is verlaagd. De in subonderdelen 1.1 tot en met 1.4 opgenomen klachten kunnen dus niet slagen.
2.4
Het hof heeft in rov. 9 op basis van de overlegde stukken en het verhandelde ter zitting geoordeeld dat de man, na zijn verhuizing naar Polen, geen betaald werk meer heeft. Hetgeen de vrouw daartegenover heeft gesteld over werkzaamheden van de man in Nigeria heeft het hof onvoldoende geoordeeld. Hiertegen zijn de subonderdelen 1.9 t/m 1.11 gericht (de subonderdelen 1.5 t/m 1.8 bespreek ik hierna).
2.5
Subonderdeel 1.9 bestrijdt de overweging “Uit de overgelegde stukken is voorts niet gebleken dat de vrouw dan wel de kennissen van de vrouw (de genoemde studievriend) uit eigen waarneming hebben vastgesteld dat de man in Nigeria (of elders) werkzaam is, zodat het hof de stelling van de vrouw dienaangaande eveneens passeert” en ”heeft de vrouw haar stelling, dat de man op dit moment een betaalde baan heeft, onvoldoende onderbouwd om tot het bewijs te worden toegelaten.”
Voor zover de klachten voortbouwen op de subonderelen 1.1 t/m 1.4 falen zij in het voetspoor daarvan. Voor het overige zijn deze oordelen verweven met waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet op juistheid kunnen worden getoetst. Zij getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk. Dit geldt in het bijzonder ook voor de (impliciete) klacht over de vaststelling door het hof dat de man sinds 31 maart 2013 niet meer voor [A] ltd. werkt, daar waar de door [A] ltd. afgegeven verklaring – volgens het onderdeel – niet meer inhoudt dan de verklaring dat de man sinds 31 maart 2013 niet meer op basis van een permanente (arbeids)overeenkomst werkte voor [A].
2.6
Anders dan subonderdeel 1.10 betoogt, maakt de vaststelling van het hof dat de man tot 31 maart 2013 voor [A] ltd. heeft gewerkt enerzijds en de vaststelling dat uit de Poolse stukken is gebleken dat de man in 2013 geen inkomen heeft genoten anderzijds, het oordeel van het hof over de waardering van de Poolse stukken niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Hierbij is van belang dat de man zich na het eindigen van voornoemde arbeidsrelatie in Polen heeft gevestigd. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat als de man vanaf het moment van zijn vestiging in Polen inkomen zou hebben genoten, hij over enig deel van zijn inkomen belastingplichtig zou zijn in Polen en dit dus uit de Poolse stukken zou moeten blijken. Het feit dat de man voorafgaand aan zijn vestiging in Polen inkomen buiten Polen heeft genoten en dit inkomen in de Poolse stukken niet is terug te vinden, maakt dit oordeel niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Van een verboden aanvulling van feiten is, anders dan het onderdeel betoogt, geen sprake. Het oordeel van het hof over de maatgevendheid van de Poolse stukken berust op een waardering van het bewijsmateriaal die is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Het oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
2.7
In subonderdeel 1.11 wordt betoogd dat het hof de beoordeling van een drietal stellingen van de vrouw onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, dan wel onvoldoende op deze stellingen is ingegaan. Het betreft (i) de stelling dat de man sinds februari 2012 werkzaam was als drilling engineer en sindsdien het salaris verdiende als door de studievriend verklaard, (ii) de stelling dat de op de draagkracht van de man in mindering gebrachte omgangskosten niet langer voor mindering in aanmerking komen en (iii) de stelling dat de op de draagkracht van de man in mindering gebrachte woonlasten zijn verminderd doordat de man met zijn nieuwe partner samenwoont in een met eigen middelen betaald koophuis.
De klacht faalt. De stelling onder (i) heeft het hof behandeld in rov. 9. Het hof behoefde niet afzonderlijk op de stellingen onder (ii) en (iii) in te gaan teneinde de draagkracht van de man opnieuw vast te stellen. Deze stellingen gaan ervan uit dat de man ten opzichte van de situatie die ten grondslag lag aan de beschikking van het hof van 11 december 2011 enerzijds minder lasten heeft en anderzijds een inkomen dat hoger is geworden dan wel hetzelfde is gebleven, zodat er meer draagkracht is. Het hof oordeelt in rov. 9 echter dat de man thans geen betaald werk heeft. Het oordeel van het hof dat de man nog steeds geacht moet worden dezelfde draagkracht te hebben als was vastgesteld bij de beschikking van het hof van 11 december 2011 berust uitsluitend op het oordeel dat zijn inkomensverlies ten opzichte van de kinderen verwijtbaar is zodat daarmee geen rekening dient te worden gehouden.
2.8
Het hof heeft de vrouw niet toegelaten tot het bewijs van haar stelling, dat de man betaald werk in Nigeria heeft. Het hof verwerpt (i) het bewijsaanbod in het verweerschrift in appel5.en (ii) het aanbod ter gelegenheid van het pleidooi dat genoemde studievriend ([betrokkene 1]) kan worden gehoord om zijn overgelegde schriftelijke verklaring, waarin staat dat hij van twee zijden uit de oliebranche heeft gehoord dat de man in de off shore werkt in Nigeria, te bevestigen en “als getuige, over wie de informatie hebben gegeven, opdat ook zij gehoord kunnen worden door uw Hof”. Hierover de klagen de subonderdelen 1.5 t/m 1.8.
2.9
Ik stel voorop dat de subonderdelen 1.5 t/m 1.8 reeds moeten falen nu vergeefs is geklaagd over het oordeel dat de vrouw te weinig heeft gesteld om tot bewijs te worden toegelaten. Ten overvloede wijs ik op het volgende.
De subonderdelen 1.5 en 1.6 betogen dat het hof de eisen ter zake een voldoende specifiek bewijsaanbod heeft miskend ten aanzien van het horen van de twee door de studiegenoot genoemde relaties en ter zake het horen van de studiegenoot zelf. Subonderdeel 1.8 betoogt dat het hof zich schuldig heeft gemaakt aan een verboden prognose door op voorhand te oordelen dat hetgeen de studievriend zou verklaren onvoldoende zou zijn omdat dit niet meer zou zijn dan zijn schriftelijke verklaring. Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
2.10.1
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad geldt met betrekking tot het bewijsaanbod in hoger beroep het navolgende:6.
“Uitgangspunt is dat, ingevolge het bepaalde in art. 166 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv, een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden.
Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert.
In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet vermeldt op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zou kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt vermeld wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard.
Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt vermeld in hoeverre getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan.
De rechter mag echter niet op grond van zijn waardering van de reeds afgelegde verklaringen of de inhoud van de schriftelijke verklaringen, aan een bewijsaanbod voorbijgaan, omdat hij daarmee ten onrechte zou vooruitlopen op het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden.”
2.10.2
Op grond hiervan mocht het hof − zonder zich daarmee te bedienen van een verboden prognose − van de vrouw verlangen dat zij nader zou vermelden in hoeverre de studievriend meer of anders zou kunnen verklaren dan dat hij al heeft gedaan. De vrouw heeft slechts aangegeven dat de studievriend zou kunnen verklaren van welke twee relaties hij had vernomen dat de man werkzaam was op een booreiland, zodat deze relaties zouden kunnen worden gehoord. Het oordeel van het hof dat het op de weg van de vrouw had gelegen de namen van deze relaties te achterhalen en te noemen is niet onbegrijpelijk of onjuist. Aangezien de vrouw verder niet heeft aangegeven wat de studievriend meer of anders zou kunnen verklaren, heeft het hof het bewijsaanbod naar mijn mening als niet voldoende specifiek en ter zake dienend mogen passeren en daarbij de juiste maatstaf gehanteerd. De in de subonderdelen genoemde omstandigheden doen daar niet aan af, zodat de klachten niet kunnen slagen.
2.11
Subonderdeel 1.7 betoogt dat het hof in het kader van de devolutieve werking van het appel ook het bewijsaanbod zoals dat in het verweerschrift in eerste aanleg is gedaan diende te betrekken.7.
Deze klacht faalt, reeds omdat dit bewijsaanbod geen andere strekking had dan de bewijsaanbiedingen die het hof uitdrukkelijk heeft besproken.
2.12
Subonderdeel 1.12 bevat een op de voorgaande subonderdelen voortbouwende klacht, die faalt in het voetspoor van de voorgaande klachten.
Onderdeel 2
2.13
Dit onderdeel ziet op rov. 11 en het dictum. Subonderdeel 2.1 bevat een op de onderdelen 1 en 4 voortbouwende klacht en volgt het lot daarvan.
2.14
Subonderdeel 2.2 betoogt dat het hof ten onrechte dan wel onbegrijpelijk oordeelt dat de draagkracht van de man niet hoger is dan de draagkracht van de man ten tijde van de beschikking van 21 december 2011. Het onderdeel bevat sub 2 t/m 5 uitsluitend herhaling van voorgaande klachten, toegespitst op de beslissing van het hof ten aanzien van de kinderalimentatie, en deelt in zoverre het lot daarvan. Anders dan de klacht sub 1 vermeldt, heeft het hof niet miskend dat het verzoek ziet op de periode vanaf 1 februari 2012, maar geoordeeld dat diens draagkracht sinds de beschikking van 21 december 2011 niet is toegenomen
Onderdeel 3
2.15
Dit onderdeel klaagt over de wijze waarop het hof in rov. 11 de beschikbare draagkracht van de man verdeelt over de kinderen uit zijn huwelijk met de vrouw en de kinderen uit zijn nieuwe relatie. Subonderdeel 3.1 bevat een op de onderdelen 1 en 4 voortbouwende klacht en volgt het lot van deze onderdelen.
2.16
Subonderdeel 3.2 berust op een onjuiste lezing van de beschikking. Het hof heeft het verzoek van de vrouw tot verhoging van de kinderalimentatie – ook ten aanzien van de bedoelde periode voorafgaand aan de geboorte van het eerste kind uit de nieuwe relatie – afgewezen omdat het het door de vrouw gestelde (hogere) inkomen van de man niet bewezen acht. Daarbij laat het hof zijn beslissing ten aanzien van de verdeling van de draagkracht over drie (later vier) kinderen pas ingaan per datum van zijn beschikking. De klacht faalt derhalve.
2.17
De subonderdelen 3.3 en 3.4 richten zich met rechts- en motiveringsklachten tegen de door het hof toegepaste verdeling van de draagkracht van de man over de drie (later vier) kinderen, mede in het licht van – kort gezegd - de stellingen van de vrouw dat (i) de kinderen van de man uit zijn nieuwe relatie een lagere behoefte hebben en (ii) de nieuwe partner van de man een eigen inkomen heeft zodat zij ook dient bij te dragen aan de behoefte van haar kinderen met de man. De subonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
2.18.1
Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat wanneer iemand onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit zijn eerste en uit zijn tweede huwelijk, terwijl zijn draagkracht niet voldoende is om aan al die verplichtingen te voldoen, het voor onderhoud beschikbare bedrag tussen die kinderen wordt verdeeld, in beginsel gelijkelijk tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij een duidelijk verschil in behoefte. Indien de rechter bij het behandelen van een verzoek tot wijziging van een onderhoudsbijdrage niet in de gelegenheid is om in samenhang daarmee de bijdragen voor de andere kinderen van de onderhoudsplichtige bij te stellen omdat een daartoe strekkend wijzigingsverzoek niet aan zijn oordeel is onderworpen, dient de rechter in beginsel de bijdrage waarvan wijziging aan hem is verzocht, vast te stellen op het bedrag waarop hij haar zou hebben vastgesteld indien hij tegelijkertijd over wijziging van de andere bijdragen te oordelen zou hebben gehad.8.
2.18.2
Indien, in een dergelijke situatie, een ouder een nieuwe relatie is aangegaan waaruit kinderen zijn geboren, dan zal niet alleen rekening moeten worden gehouden met het feit dat die ouder verplicht is om tevens bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van die kinderen, maar ook met het feit dat op de andere ouder van die kinderen eenzelfde verplichting rust en dat de onderlinge bijdrageplicht van de ouders in de nieuwe relatie eveneens bepaald dient te worden naar rato van ieders draagkracht. Aldus kan de bijdrageverplichting van die andere ouder mede van invloed zijn op het voor een kind uit een eerdere relatie beschikbare gedeelte van de draagkracht van de jegens dat kind onderhoudsplichtige ouder. Daarmee zal rekening moeten worden gehouden, alvorens te oordelen dat de draagkracht van de eerst genoemde ouder ontoereikend is om aan zijn verplichtingen jegens alle kinderen volledig te voldoen en zijn draagkracht daarom gelijkelijk moet worden verdeeld over alle kinderen.9.
2.19
Op deze rechtspraak is kritiek geuit, onder meer omdat zij noopt tot complexe berekeningen.10.Nu deze rechtspraak tamelijk recent bevestigd is en ook aandacht heeft van de wetgever, volsta ik met deze vermelding.11.
2.20
Hoewel als regel geen hoge motiveringseisen aan alimentatiebeschikkingen worden gesteld, geldt voor hen toch ook de basisnorm dat zij in ieder geval zodanig gemotiveerd dienen te zijn dat zij voldoende inzicht geven in de door de rechter gevolgde gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als derden, waaronder de (cassatie)rechter, controleerbaar en aanvaardbaar te maken.12.
2.21
Het hof heeft is ervan uitgegaan dat de man onvoldoende draagkracht heeft om te voldoen aan zowel de behoefte van de zoon en dochter uit zijn huwelijk met de vrouw als die van de kinderen uit zijn relatie met zijn nieuwe partner. Het hof laat immers zijn eerdere vaststelling van de behoefte van de zoon en dochter d.d. 21 december 2011 ad € 560 (voor indexering) in stand, terwijl het de alimentatie verlaagt naar eerst € 390 en later € 293.
Het hof verdeelt de vastgestelde draagkracht van de man gelijkelijk over zijn kinderen uit beide relaties. Daarbij gaat het hof niet in op de behoefte van de in Polen woonachtige kinderen uit de nieuwe relatie van de man of op de draagkracht van de nieuwe partner van de man. Aldus heeft het hof hetzij de hiervoor genoemde rechtsregels miskend, hetzij − mede in het licht van de stellingen van de vrouw omtrent de draagkracht van de nieuwe partner van de man − onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang zodat zijn beslissing niet voldoende gemotiveerd is.
Daaraan doet niet af dat subonderdeel 3.4 onder 1 ten onrechte uitgaat van een hogere draagkracht van de man dan door het hof is aangenomen. Het hof verdeelt immers de door het hof aangenomen (fictieve) draagkracht van de man over diens kinderen. Ook de mogelijkheid dat het hof heeft geoordeeld dat de nieuwe partner van de man niet het inkomen heeft dat de vrouw aan haar toekent (subonderdeel 3.4 onder 2: “vergelijkbaar met het inkomen dat naar de stelling van [betrokkene 1] de vader verdient”) maakt dit niet anders. De man heeft immers gesteld dat zijn nieuwe partner een inkomen heeft van omgerekend ongeveer € 20.000 per jaar13.en het hof heeft niet vastgesteld dat de vrouw een vergelijkbare draagkracht heeft (nog afgezien van eventuele verschillen in behoefte). Mogelijk heeft het hof in het internationale karakter van de zaak een reden gezien om complicaties te voorkomen door de draagkracht en de daaruit resulterende alimentatie voor de kinderen ineens vast te stellen, maar ook daaromtrent ontbreekt een overweging. De subonderdelen 3.3 en 3.4 zijn naar mijn mening terecht voorgesteld.
Onderdeel 4
2.22
Dit onderdeel richt zich tegen de overweging in rov. 10 dat de man door het opzeggen van zijn baan niet in strijd met de belangen van de vrouw en de kinderen heeft gehandeld.14.
2.23
Het onderdeel vermeldt dat het hof de door de man verschuldigde partneralimentatie op nihil heeft gesteld omdat de man volgens het hof niet jegens de vrouw verwijtbaar ontslag nam om voor zijn nieuwe kind te zorgen. Ik merk op dat het hof in het dictum van zijn beschikking de beschikking van de rechtbank ten aanzien van de partneralimentatie heeft vernietigd en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de vrouw tot wijziging van de partneralimentatie alsnog afgewezen. Daaraan lag ten grondslag het oordeel in rov. 10.
2.24
Subonderdeel 4.1 berust op een onjuiste lezing van rov. 10 en dient te falen. Het hof heeft slechts tot uitdrukking gebracht dat het hof in het dictum van zijn beschikking uit 2011 de door de man te betalen partneralimentatie op nihil heeft gesteld.
2.25
De subonderdelen 4.2 en 4.3 richten zich vergeefs tegen het oordeel dat de man door het opzeggen van zijn baan niet in strijd met de belangen van de vrouw en van de minderjarigen heeft gehandeld, nu dit oordeel niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk gemotiveerd is.
Het oordeel van het hof ten aanzien van de dochter (alsmede ten aanzien van de zoon) is gegrond op de vaststelling dat de man bij het opzeggen van zijn baan heeft aangegeven de bestaande alimentatieverplichting jegens de zoon en de dochter te zullen blijven nakomen en zulks ook heeft gedaan. Het hof heeft een belangenafweging gemaakt. Het hof heeft niet miskend dat de aanspraak van de kinderen op levensonderhoud voorrang heeft op die van de ex-partner. Voorts was het hof, anders dan subonderdeel 4.3 suggereert, niet gehouden de (financiële) belangen van de kinderen van de man uit zijn huwelijk met de vrouw anders (hoger) te waarderen dan de belangen van de kinderen van de man uit zijn nieuwe relatie.
Met juistheid heeft het hof vastgesteld dat ten tijde van het opzeggen van de baan jegens de vrouw geen alimentatieverplichting bestond. Voor zover de onderdelen betogen dat de man voorafgaand aan het opzeggen van zijn baan een hogere draagkracht had dan waarvan in de beschikking van 21 december 2011 is uitgegaan, miskennen de onderdelen dat het hof een dergelijke hogere draagkracht niet bewezen heeft geacht. Ten aanzien van de vrouw ontbreekt het de man nog steeds aan draagkracht, aldus het hof.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑12‑2016
Het verzoekschrift bevatte een voorbehoud van aanvulling na ontvangst van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof.
In deze procedure is steeds het uitgangspunt geweest dat van de man geen woonadres bekend is in Polen. Zowel in eerste aanleg als in appel heeft de man – in beide instanties verschenen - domicilie gekozen bij zijn advocaat. De griffie van uw Raad heeft volstaan met oproeping van de man aan dit kantooradres.
Vgl. HR 10 december 1999, ECLI: NL: HR:1999: AA3842, NJ 2000/3 ten aanzien van een verzoek tot wijziging op grond van de stelling dat de oorspronkelijke alimentatiebeslissing van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan (artikel 1:401 lid 4 BW), rov. 3.3.2 en de conclusie van A-G Langemeijer bij HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009: BK1619, NJ 2010/14 onder 2.7.
Verweerschrift nr. 65 “…biedt de vrouw aan haar stellingen en weren te bewijzen ….met alle middelen rechtens, in het bijzonder door het horen van getuigen.”
HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:49, JIN 2016/38 m.nt. M.A.J.G. Janssen, JBPR 2016/32 m.nt. C.S.G. Janssens rov. 3.4.1.
Verweerschrift ten aanzien van zelfstandig tegenverzoek tot wijziging kinderalimentatie d.d. 3 februari 2015, pagina 10. Voor zover relevant, heeft de vrouw aldaar aangeboden te bewijzen “Vader heeft vodoende draagkracht voor een hogere alimentatie aan [kind 1] en [kind 2]. Vader verdient ongeveer 400.000 tot 450.000 per jaar, op fiscaal gunstige voorwaarden”.
Vgl. HR 13 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0451, NJ 1992/178, rov. 3.3.
Vgl. HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX1295, NJ 2012/498 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.4.1; HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS3643, NJ 2005/379 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.3.2. Vgl. voorts HR 15 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1882. In het onderhavige geval speelt niet de kwestie van samenloop van een wettelijke verplichting om levensonderhoud te verstrekken en een morele verplichting om levensonderhoud te verstrekken jegens de minderjarige kinderen van de nieuwe partner van de vader met wie hij in gezinsverband samenleeft, die aan de orde was in HR 2 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1066, NJ 2014/369 m.t. S.F.M. Wortmann.
De Alimentatienormen (versie 2015, p. 15, en versie 2016, p. 14) vermelden: “De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige wordt mede beïnvloed door de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. In geval van een tekort aan draagkracht om in de behoefte van de betrokken kinderen te voorzien, wordt de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk verdeeld over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil in behoefte bestaat.” Het hof is in de onderhavige zaak kennelijk van deze laatste benadering uitgegaan.
Zie nader S.F.M. Wortmann in haar noten onder HR 22 april 2005, NJ 2005/379 en HR 13 juli 2012, NJ 2012/498; S.F.M. Wortmann, GS Personen- en familierecht, art. 1:395, aant. 1, 1:397, aant. 8, art. 1:400, aant. 2; J.E.M.C. Moons en H.J. Witkamp, Kanttekeningen vFas bij herziening behoeftetabellen kinderalimentatie (deel I)’, EB 2016/82, par. 3.4; A.J.TH. van Teeffelen, ‘Het (stief)kind van de rekening’, FJR 2014/25; A.N. Labohm, ‘Kan kinderalimentatie op eenvoudige wijze worden vastgesteld?’, EB 2014/33; M.L.C.C. de Bruijn-Lückers. ‘De complexiteit van het samengestelde gezin’, EB 2014/62; M.S. Zon, ‘Kinderalimentatie in samengestelde gezinnen’, EB 2011/75; Asser/De Boer 1* 2010/1033 (waarnaar wordt verwezen in Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/645). Zie in verband met het initiatiefwetsvoorstel kinderalimentatie nog de opmerkingen in MvT, 2014–2015, 34 154, p. 1, en het Voorlopig Verslag II, 2016–2017, 34 154, nr. 8, p. 6-7. Over dit voorstel M.L.C.C. de Bruijn-Lückers en A.N. Labohm, ‘Herziening kinderalimentatie: noodzakelijk?’, EB 2015/55.
Vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3478, NJ 2016/124 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 4.2.
Appelrekest nr. 58.
Het onderdeel vermeldt dat het ook is gericht tegen rov. 11, maar formuleert daartegen geen klachten.
Beroepschrift 18‑04‑2016
TOEVOEGING AANGEVRAAGD
dk/500.408/EV
AANVULLING CASSATIEBEROEP I.V.M. PROCES-VERBAAL
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen:
[de vrouw], wonende te [woonplaats], verder te noemen: ‘de vrouw’ of ‘de moeder’, in deze zaak woonplaats kiezende te Den Haag aan de Koninginnegracht 105, ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. D.Th.J. van der Klei, die door haar ten deze tot haar advocaat wordt gesteld.
Gerequestreerde ten deze is [de man], wondende te [woonplaats], [land], verder te noemen: ‘de man’ of ‘de vader’. In hoger beroep werd de man vertegenwoordigd door de advocaat mr. E.D.A. Geleijns, kantoorhoudende aan de Burgemeester Kolfschotenlaan 63, 2585 DZ te Den Haag.
1.
Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de bestreden uitspraak is inmiddels door het Gerechtshof beschikbaar gesteld, welk aangehecht is aan deze aanvulling op het ingediende beroep (productie 2). De bijlage wordt genummerd 2 in vervolg op de productie 1 bij het beroep van 30 maart 2016, zijnde de bestreden beschikking zelf.
2.
Aan het slot van het beroep van 30 maart 2016 heeft verzoekster in haar beide hoedanigheden1. het voorbehoud gemaakt buiten de cassatietermijn het beroep aan te vullen voor zover het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep daartoe aanleiding zou geven. In het licht van het voornoemd voorbehoud doet zij eerbiedig zeggen.
Ontvankelijkheid
3.
De aanvulling op het cassatieberoep van 30 maart is tijdig.
Ad Middel 1
Ad Klachten
Ad 2
4.
De rechtsklacht/motiveringsklacht aangaande de bewijslast op de man wegens een bijzondere rechtsregel danwel redelijkheid en billijkheid naar voren gebracht door de vrouw, dient mede gelezen te worden in het licht van verklaringen van de man ter zitting in hoger beroep dat hij ‘om diverse redenen’ besloten heeft om naar Polen te gaan, welk een beperkte eigen olie-industrie heeft en dat hij slechts nationaal solliciteert binnen die beperkte industrie en opzettelijk weigert een baan te zoeken buiten Polen, waar de baankansen in de offshore groter zijn door sterkere offshore resp. olie-brancheactiviteiten dan in Polen.
Ad toelichting
5.
Op pagina 15 na paragraaf 2 dient een extra alinea te worden ingevoegd:
‘Dit wordt nog erger in een geval als het onderhavige, waar de man, de in casu alimentatieplichtige, opzettelijk, om hem moverende redenen, informatie achterhoudt en voor zover wel informatie wordt gegeven, onjuiste informatie geeft, waarbij overigens opgemerkt zij dat voor de rechter en voor de vrouw niet vast te stellen is welke van de informaties die de man verschaft heeft juist resp. meer volledig is geweest. Evenzeer kan juist zijn geweest de eerste informatie van de advocaat van de man aan de rechter in de procedures in 2013, de correspondentie van de advocaat van de man aan de advocaat van de vrouw in 2013–2014 en de uitlatingen van de advocaat van de man bij de rechtbank in 2015, dat de man weldegelijk wel inkomstenbronnen heeft maar dat de man weigert deze op te geven, bijvoorbeeld om maar te vermijden partneralimentatie te moeten betalen in de periode 7 maart 2011 - 7 maart 2023 en om te ontkomen aan een hogere kinderalimentatielast. In het licht van de juistheid van die eerdere mededelingen zou de mededeling van de man in hoger beroep bij het Hof in 20152. onwaar zijn, de man niet onder ede zijnde tijdens de mondelinge behandeling van oktober 2015, om het hogere economische doel te blijven behouden geen partneralimentatie te betalen en om verlaging van de kinderalimentatie te bewerkstelligen en inkomstenbronnen zoveel mogelijk geheim te houden. Wat te doen met een partij die naar eigen bekentenis met art. 21 Rv het niet zo nauw neemt?’
Ad Middel 2: Draagkracht vader alimentatie [kind 2] gelijk draagkracht ten tijde van beschikking van 21 december 2011
Ad Klachten
6.
Aan de omstandigheid sub 5, het zonder huurlasten wonen van de man/vader in [a-plaats] met ingang van 1 mei 20133., dat de man/vader nadien is gaan wonen in het woonhuis dat hij met [betrokkene 2] samen in eigendom heeft, terzake waarvan maandelijkse lasten niet gebleken zijn, worden vindplaatsen in het proces-verbaal toegevoegd.4.
Ad toelichting
7.
Aan de toelichting wordt toegevoegd:
‘De man/vader heeft bij de mondelinge behandeling in hoger beroep ook erkend resp. niet bestreden dat de flat van [betrokkene 2] eigendom van [betrokkene 2] is en hun woonhuis een gezamenlijke eigendom en dat blijkens het Kadaster de koopprijs uit eigen middelen is voldaan. Mondeling heeft hij toegelicht dat er slechts een deel uit eigen middelen zou zijn betaald, namelijk uit van familieleden geschonken geld, en een deel geleend. Van noch de ontvangen schenkingen noch de ontvangen leningen zijn bewijzen overgelegd. De vrouw heeft het bestaan van die ontvangen schenkingen en ontvangen leningen betwist en erop gewezen dat de man ook geen stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van een zo belangrijk aspect: de flat was al behoorlijk duur en het woonhuis nog meer: PZL 1.6 miljoen, ± 300.000 euro. Over een dergelijke importante stelling over de afwezigheid van de draagkracht aan zijn zijde had toelichting van de zijde van de man niet mogen ontbreken om in enige mate geloofwaardig geacht te worden. Dit zeker mede in het licht van de al eerdere vaststaande onwaarheden welke de man/vader heeft laten naar voren brengen bij de rechtbank in 2013, in de correspondentie tussen advocaten in 2014 en bij de rechtbank in 2014 en 2015.5.’
Ad Middel 3: Verdeling draagkracht over kinderen vanaf april 2013
8.
In de voorlaatste zin van de toelichting paragraaf 1, op pag. 21, één erratum: ‘geen afslag in draagkracht … afwezig’ moet zijn ‘afslag in draagkracht … afwezig’.
Ad Middel 4: Conflicterende verzorgingsplichten; partneralimentatie vanaf 1 februari 2012
9.
Aan de toelichting wordt toegevoegd na paragraaf 2 een nieuwe paragraaf, de rest vernummerend:
‘Wat de man heeft aangegeven is, naar de mening van de vrouw/moeder slechts een voorgewende reden om te blijven volharden in het weigeren zijn inkomstengegevens van hemzelf, zijn echtgenote en door hem beheerste rechtspersonen op te geven. 6. Het gaat niet aan dat partijen welk alimentatieplichtig zijn, derhalve gehouden tot het verrichten van financiële zorg voor alimentatiegerechtigden, welke uit de aard daarvan tijdelijke alimentatieplichten betreffen, achter de rug van de alimentatiegerechtigden om besluiten nemen als ‘ik vind het wel wat in de beginjaren na de geboorte van onze zoon thuis te blijven en daarna een baan te zoeken.’7. Deze beslissing zou kennelijk genomen zijn einde 2012 in het licht van de gebruikelijke gang van zaken van gezinsplanning in het licht van een eerste kind in zijn tweede gezin en de ontslagneming van de man bij [A] in januari 2013.8. Zoals vader het hier aangeeft gaat dit om een pretense volstrekt subjectieve keuze die, wanneer alleen positieve gevoelens van vader ten opzichte van zijn nieuwe kind van belang zouden zijn, al met zich meebrengen, dat hij daartoe maatschappelijke welstand van zichzelf opzij zet voor enkele jaren, een carrière onderbreekt, op een wijze die wellicht langer invloed heeft, vanwege zeer subjectieve resp. emotionele door hem nu ineens naar voren gebrachte factoren als ‘dingen fout gedaan in het verleden’, de suggestie wekkend dat voor het werk verhuizen nadelige invloed heeft gehad op de kinderen uit het huwelijk tussen partijen, en dit nu als reden opvoert om te willen vermijden dat dit de zuigeling [kind 3] zou overkomen. Daarmee in dezelfde afweging o.a. zijn tienerkinderen ([kind 1] en) [kind 2] wederom in de verdrukking brengend door zich niet in te spannen, laat staan optimaal in te spannen, in zijn levensonderhoud te voorzien en daarmee ook alimentatiedraagkracht op te brengen, mede ten behoeve van de van de man/vader afhankelijke alimentatiegerechtigden. Die afweging is geen persoonlijke, die hij in volstrekte vrijheid maakt, althans mag dat niet zijn in het licht van de tijdelijke op hem rustende alimentatieplichten.’
Mitsdien:
Volhardend!
Den Haag, 18 april 2016
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 18‑04‑2016
Pro se en voor haar dochter [kind 2]
Hof mondelinge behandeling okt. 2015, pag. 3 ‘privacy’.
2014 op pag. 17 in klacht 2 sub 5 is een erratum en dient gelezen te worden als 2013. Zie ook even verderop in dezelfde sub paragraaf.
Zie proces-verbaal mondelinge behandeling hoger beroep, pag. 2 en pag. 3.
Aantekeningen mondelinge behandeling hoger beroep, pag. 3 ‘privacy’.
alsmede zijn banktegoeden in diverse betrokken landen
Proces-verbaal mondelinge behandeling in hoger beroep, pag. 2
De verwijzing naar olieprijsdaling in 2014 oogt in dat licht als een verklaring achteraf, in het licht van niet in 2012 voorzienbaar zijn geweest van de olieprijsdaling in 2015/2016.
Beroepschrift 30‑03‑2016
VERZOEK TOT CASSATIE
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen:
[de vrouw], wonende te [woonplaats], verder te noemen: ‘de vrouw’ of ‘de moeder’, in deze zaak woonplaats kiezende te Den Haag aan de Koninginnegracht 105, ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. D.Th.J. van der Klei, die door haar ten deze tot haar advocaat wordt gesteld.
Gerequestreerde ten deze is [de man], wondende te [woonplaats], verder te noemen: ‘de man’ of ‘de vader’. In hoger beroep werd de man vertegenwoordigd door de advocaat mr. E.D.A. Geleijns, kantoorhoudende aan de Burgemeester Kolfschotenlaan 63, 2585 DZ te Den Haag.
Verzoekster komt in cassatie tegen de aangehechte beschikking van het gerechtshof Den Haag van 30 december 2015, onder zaaknummer 200.170.420/01, gewezen tussen de vrouw als geïntimeerde en appellante in het incidenteel hoger beroep, en de man als appellant en verweerder in het incidenteel hoger beroep.
Verzoekster, voor zich en voor dochter [kind 2]
1)
Verzoekster trad eerder op voor zich ter zake partneralimentatie en als wettelijk vertegenwoordiger van de toen minderjarige kinderen van partijen: [kind 1], geboren [geboortedatum] 1998, en [kind 2], geboren op [geboortedatum] 2000, ter zake kinderalimentatie. Gedurende de cassatietermijn is [kind 1] meerderjarig geworden. Verzoekster treedt in het onderhavige beroep uitsluitend nog op voor zich ter zake partneralimentatie en voor [kind 2] ter zake kinderalimentatie.
Inleiding 1: Algemeen
2)
Vrouw, Duitse, en de man, Oostenrijker van Tsjechische afkomst, zijn gehuwd geweest van 17 juli 1997 t/m 7 maart 2011. Man en vrouw schelen 10 jaar. Zij zijn gehuwd tijdens de studie van de man, [kind 1] en [kind 2] zijn hun enige kinderen. De vrouw heeft een goede betrekking in de zorg opgegeven om de man te volgen naar Oostenrijk, waar hij zijn studie afgemaakt heeft. Rond 2005 kreeg de man met hulp van een goede vriend uit zijn studietijd, [betrokkene 1]1., nu al jaren als expat woonachtig in [b-plaats], een baan in Nederland in de off shore op de Noordzee als drilling manager bij [B], werkgever van [betrokkene 1]. Dergelijk Internationaal werk wordt fiscaal vriendelijk en goed betaald, met toeslagen, bonussen etc. Rond 2009 ging dit om bijna € 200.000,- per jaar. Het echtpaar [C] woonde in het [a-wijk], in een woning gehuurd door de werkgever.
3)
Voorheen was het echtpaar voor het werk van de man al vele malen verhuisd. De kinderen hadden onder andere hierdoor leerproblemen. Bij uiteengaan van partijen vertrok de vrouw met de kinderen naar een appartement in het [b-wijk]. De man heeft in 2009 aangegeven niet meer een baan in de offshore te beogen, maar te ambiëren inkoper te zijn op het hoofdkantoor in Kassel, Midden-Duitsland. De vrouw heeft deze carrièrestap en financiële teruggang voorgewend geacht. De rechtbank heeft het verzoek van de man partneralimentatie nihil te stellen resp. te limiteren afgewezen2.; de man heeft hierin berust. Het Hof heeft in hoger beroep de behoefte van de vrouw op € 2.864,- netto per maand gesteld, de kinderalimentatie op € 560,- per kind, zijnde de behoefte per kind, en de partneralimentatie op € 0, wegens gemis aan draagkracht bij de man. Omvangrijke lasten van de man in zijn baan bij [B] als inkoper in mindering op zijn draagkracht waren: reis- en verblijfkosten ± € 480,- voor omgang met [kind 1] en [kind 2] iedere twee weken en € 1.200,- woonlasten3..
4)
Moeder kon en kan in haar oude werk in de zorg in Duitsland, moeilijk een behoorlijk betaalde betrekking vinden in de regio Den Haag. Zij wordt slechts voor korte tijd aangenomen, in deeltijd, en is met regelmaat korte tijd werkeloos4.. Het één-oudergezin is wegens de financieel beperkte situatie een aantal malen verhuisd naar steeds goedkopere woningen, laatstelijk in [c-wijk], [b-plaats].
5)
Naar later bleek is de man met ingang van januari 2012 gaan werken bij [A] te Genéve, als drilling engineer, zijn oude functie t/m 20105.. Over zijn totale inkomen vanaf 2012, of dit herstelde naar het oude hoge niveau van voor 2011, bleef de man vaag. In diezelfde maand kwam het regelmatige tweewekelijkse bezoek van vader aan [kind 1] en [kind 2] tot een einde. Dit heeft toen niet geleid tot wijziging van de alimentatie wegens verhoging van de draagkracht van vader met genoemde € 600,-. Moeder heeft vader vanaf het eindigen van de vaderweekeinden hierover meermaals aangeschreven, zelf, ook tussen de advocaten6..
6)
In verband met de omgang zijn meerdere procedures tussen partijen gevoerd. Veelal ingeleid door een kort geding nakoming door de man. In september 2014 heeft het Hof, in hoger beroep tegen een kort geding uitspraak uitgelokt door de man, een gewijzigde omgangsregeling bekrachtigd. De regeling strekte onder andere tot vastlegging van het sinds voorjaar 2012 afschaffen van de tweewekelijkse vaderweekenden7..
7)
In december 2014 heeft moeder in deze verzocht om verhoging kinderalimentatie voor [kind 1] en [kind 2] en partneralimentatie met terugwerkende kracht per 1 februari 2012, het vervallen van de regelmatige tweewekelijkse bezoeken hierna ook wel te duiden als: verzoek I, II resp. III8.. Bij wijze van tegenverzoek heeft vader verzocht de kinderalimentatie te verlagen. Zoals gewijzigd in hoger beroep strekte het tegenverzoek van vader tot het op € 0,- stellen van de kinderalimentatie voor [kind 1] en voor [kind 2], hierna ook wel te duiden als: verzoek IV resp. V9..
8)
Op 2 februari 2015 heeft genoemde [betrokkene 1] aangegeven aan de vrouw dat hij bekend was met de onbekendheid van de vrouw met de inkomsten van haar ex-man, [ betrokkene 1]'s studievriend [de man], en dat bij navraag [ betrokkene 1] had achterhaald dat [de man] als drilling engineer een inkomen verdiende op dat moment van ± $ 400.000,-10.. De man heeft nagelaten informatie over zijn inkomsten te geven. De rechtbank heeft het verzoek toegewezen zonder de gevraagde terugwerkende kracht.
9)
De man kwam in hoger beroep. De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld (onder andere) tegen de weigering februari 2012 als datum van ingang11.. In hoger beroep kwam in het licht van de grieven over en weer volledig open.
10)
Het Hof heeft verzoek I, II en III afgewezen, en verzoek IV en V deels toegewezen in het licht van de toelichting van de man in hoger beroep met ingang van 1 april 2013 ontslag te hebben genomen om zich aan de zorg van zijn derde kind, [kind 3], te wijden.
Inleiding 2: Draagkracht man resp. afwezigheid van draagkracht
Gemotiveerde betwistingen resp. stellingen van moeder/vrouw
11)
De man heeft steeds ten toon gespreid een vasthoudende weigering inkomstengegevens te verschaffen als aangeduid in de procesreglementen12., de vrouw beperkend in gemotiveerde betwistingen naar voren te brengen resp. stellingen in te nemen aangaande draagkracht van de vader/man. De moeder/vrouw heeft naar voren gebracht over draagkracht van de man voor zover in cassatie van belang:
- 1)
Geen zorgkosten ad € 480,- per maand vanaf 1 februari 2012:
draagkrachtverlichting ten opzichte van de situatie van december 2011 bij de man wegens het wegvallen van de kosten van de tweewekelijkse vaderweekeinden13..
- 2)
Andere lagere kosten dan in 2011 resp. nog door de man aan te geven vanaf 1 april 2013: pariteit Polen, waar de lasten lager zijn omdat het leven veel goedkoper; samenwonen met [betrokkene 2] (kostenbesparing ten opzichte van alleen wonen en een relatie hebben met [betrokkene 2], die eigen woonlasten zou hebben); geen kosten voor [kind 3], deze worden goeddeels opgebracht door inwoning van [kind 3] en de draagkracht van de moeder van [kind 3]14..
- 3)
Drilling engineer voor ± $ 400.000,- per jaar aan inkomen op grond van schatting [betrokkene 1] vanaf 1 februari 2012: het mailbericht van 2 februari 2015 van genoemde [betrokkene 1]:
‘Nea,
so viel ich we ss hast du keine Informationen ueber den derzeitigen Arbeitsplatz und sein Einkommen von [de man].
Ich habe von zwei unabhaengigen Quellen gehoert das [de man] nach wie vor fuer die Firma [A] arbeitet.
Allerdings nicht mehr im Buero als Angestellter in der Schweiz sondern als Consultant auf der Bohranlage in Nigeria. [A] betreibt zwei Bohranlagen in Nigeria. Die [E] und die [F]. Erstere ist eine Anlage des Typs auf der er schon fuer [B] gearbeitet hat.
Sein Einkommen kann ich nur schaetzen. Du kannst davon ausgehen das ein Companyman (Drilling Supervisor) auf einer Bohranlage in Nigeria in der Groessenordnung von 2.000 US$ pro Tag verdient. Dies ist steuerlich sicher sehr verguenstigt wenn nicht steuerfrei. Bei einer 4/4 Rotation (4 Wochen arbeiten / 4 Wochen frei) kaeme er im Durchschnitt auf 1.000 US$ pro Tag.
Regards
[betrokkene 1]
Drilling Manager’
De vrouw heeft hier meermaals een beroep op gedaan: de man was al sinds 1 januari 2012 voor [A] werkzaam in die functie, eerst op kantoor en nadien op een platform voor de kust van Nigeria15.. De man heeft dit voor het eerst in hoger beroep betwist in juni 2015 voor de periode met ingang van 1 april 2013. Op eigen verzoek eindigde toen zijn dienstbetrekking als drilling engineer bij [A]. De man wilde naar zeggen voor zijn zoon [kind 3] zorgen en [kind 3]s moeder is kostwinner16.. De man heeft ter onderbouwing overgelegd een verklaring van [A], dat hij voor 1 april 2013 niet op een roulatiebasis werkzaam was, en over de periode nadien, dat hij niet op een permanent contract voor [A] werkte, de mogelijkheid openlatend dat hij bijv. voordien anders dan op/af werkte en na l april 2014 op tijdelijke basis werkzaam bleef, al dan niet als werknemer of externe inhuur17..
- 4)
Bedrijfsvideo [A] ter bevestiging van de in voorjaar 2015 nog voortdurende inkomsten van de man als drilling engineer: Bekenden hebben de vrouw gewezen op een bedrijfsvideo ‘Together we grow’ op You Tube van [A], de werkgever van de man, over hoe goed [A] is voor haar personeel. Op tijdstip 1:55 en de seconden nadien komt een man voor18., volgens velen, waaronder [kind 2], was dit haar vader resp. de man, [de man]. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is deze video wederom afgespeeld. De voorzitter heeft daarop de man gevraagd, of hij de man op 1.55 in de video is. De man heeft dit ontkend19., naar niet onbegrijpelijk oordeel van het Hof voldoende, kennelijk uitgaande van stelplicht bij de moeder/vrouw.
- 5)
Hoge overgespaarde inkomsten van de man In voorjaar 2014 uit de periode vanaf het eindigen van het huwelijk tot dan: Raadpleging van het ‘Kadaster’ in Polen wees uit dat [betrokkene 2], de nieuwe partner van de man in 2010 een flat had gekocht in [a-plaats] aan de [a-straat] en dat in 2014 de man en [betrokkene 2] een huis hebben gekocht, enkele straten verderop, aan de [b-straat]; ieder voor 50%, voor PZL 1.200.000,-, blijkens de akten in het Poolse Kadaster, betaald uit eigen middelen. Het aandeel van de man was bijna € 150.000,-. De Poolse akten zijn overgelegd20..
De man heeft de vastgoed-aankopen niet betwist in hoger beroep. De man zelf heeft pas voor het eerst bij de mondelinge behandeling in hoger beroep aangegeven op een vraag van de voorzitter, dat de man geld geschonken had gekregen in verband met aankoop van het woonhuis; de vrouw heeft dit ter zitting betwist, en ter adstructie van die betwisting er op gewezen dat de man geen stukken heeft overgelegd om een dergelijke belangrijke stelling zo laat in de procedure te onderbouwen.
- 6)
Niet maatgevend zijn door de vader/man opgegeven verklaringen voor afwezige inkomsten: dat de vader/man niet zou werken vanaf april 2013 is met klem bestreden door de moeder/vrouw. Onder andere vele landen op de wereld om fiscaal inkomen te genieten, en/of een eigen door de vennootschap om van daaruit bijv. via rekening-courant opnamen en/of dividendopnamen over geld te beschikken en/of als consultant werken in plaats van op de loonlijst van een grote oliemaatschappij21.. Een loonstrook zegt ook niets, onder andere door de vele secundaire regelingen en mogelijkheden van beloning22.. Voorts de uiterlijke schijn van zeer hoge welstand aan [kind 1] en [kind 2] gebleken tijdens de omgang met vader23.. De man heeft deze in voorjaar 2013 voorziene inkomstenverlaging NIET aangegeven in eerste aanleg in deze procedure, noch in andere procedures tussen partijen, maar aangegeven dat hij dus wel bestaande bronnen van inkomsten geheim wilde houden24..
Bewijslast
12)
De moeder/vrouw heeft zowel bij de rechtbank als in hoger beroep bij het Hof betoogd ten aanzien van alle verzoeken, I t/m V in hoger beroep en in incidenteel hoger beroep25.:
- 1)
De bewijslast rust op de man op grond van de hoofdregel van art 150 RV, dan wel op grond van een bijzondere rechtsregel en/of de redelijkheid en billijkheid;
- 2)
De moeder/vrouw heeft onverplicht, niet een onverplicht bewijsaanbod doend, (tegen)bewijs aangeboden, voor zover op haar een bewijslast rust.
13)
De moeder heeft een gespecificeerd (tegen)bewijsaanbod gedaan bij verweer i.e.a. ten aanzien van verzoek V26. onder andere [betrokkene 1] en studiegenoten van de man te horen dat hij in voorjaar 2015 een positie had voor [A] waaruit hij een inkomen betrok van = $ 400.000,-, op jaarbasis. Voorts ook in hoger beroep bij de mondelinge behandeling: Direct na het negatieve antwoord van de man ter zitting op de vraag van de voorzitter over de man in de video op 1:55, heeft de voorzitter gevraagd of de vrouw nog meer bewijsmiddelen had: zij (haar raadsman) heeft ten aanzien van verzoeken I t/m V de voorzitter aangegeven dat als getuige [betrokkene 1] en de twee aan haar bij naam onbekende personen aangeduid in de verklaring van [betrokkene 1] konden bevestigen resp. konden bevestigen dat, naar zij wisten de man, wel degelijk werkzaam was in de off shore27.., en [betrokkene 1] kan het Hof de namen noemen van zijn zegslieden.
Aandraagplicht
14)
Da moeder/vrouw heeft zowel bij de rechtbank als in hoger beroep bij het Hof betoogd ten aanzien van alle verzoeken, I t/m V, dat de man informatie over zijn draagkracht, waaronder begrepen het eventuele ontbreken daarvan, moet aandragen. Onder andere omdat alle gegevens zich in zijn ‘ sfeer’ bevinden, omdat de gerechten daarom vragen op grond van de (voorbeeld)brieven zoals opgenomen in de procesreglementen familiezaken bij de rechtbank en het Hof28, alsmede in het licht van de toezegging van de man i.e.a. dat een draagkrachtberekening zou worden toegezonden29..
15)
Als aangegeven: de man heeft in eerste aanleg en in eerdere procedures steeds geweigerd financiële informatie te geven over zijn werkgever, resp. waar hij werkte. De rechtbank heeft mede vanwege deze weigering de stellingen van de vrouw voor correct aangenomen. In hoger beroep heeft de man aangegeven dat hij eerder de rechtbank en zijn eigen advocaat onjuist had geïnformeerd dat hij weigerde op te geven wat zijn bronnen van inkomsten waren, bevestigend dat hij dus wel inkomen had toen in voorjaar 2015, erkennend de tegenpartij, zijn eigen advocaat en de rechtbank onjuist geïnformeerd te hebben30.. De man zou, naar hij in hoger beroep in strijd hiermee betoogde, al twee jaar geen bronnen van inkomsten hebben gehad. De vrouw heeft de waarachtigheid van deze mededeling betwist31.. In vervolg op deze schending van art. 21 Rv door de man heeft het Hof het verzoek van de vader/man toegewezen;
Middel 1: Bewijs, bewijslastverdeling en aandraagplicht; gemotiveerd betwisten of voldoende stellen
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, doordat het Hof in rechtsoverweging 9 van de beschikking en in het dictum van de bestreden beschikking onjuist en/of onbegrijpelijk heeft overwogen c.q. beslist als vervat in de bestreden beschikking, gelet op een of meer van de volgende zo nodig in onderling verband en in onderlinge samenhang te lezen redenen.
Inleiding
1)
Zie hetgeen de moeder/vrouw in eerste aanleg en in (tegen) hoger beroep ten aanzien van de betreffende verzoeken II, II en V heeft aangegeven ter onderbouwing, resp. bestrijding van het tegenverzoek van de man, als aangegeven in Inleiding 2, ten aanzien van bewijs, bewijslastverdeling, aandraagplicht en in vervolg hierop de beoordeling van de naar voren gebrachte gemotiveerde betwistingen resp. naar voren gebrachte stellingen32..
Klachten
Het Hof heeft het (tegen)bewijsaanbod van de moeder resp. vrouw afgewezen als te vaag, resp. het horen van door haar genoemde getuigen zou geen bewijs opleveren van haar stellingen over draagkracht van de vader resp. man, en de stellingen van de moeder/vrouw dat hij een inkomen van enkele honderdduizenden euro's, althans hoog, heeft afgewezen als onvoldoende.
1)
Het Hof heeft miskend dat de bewijslast van aspecten als alimentatieplicht, behoefte, ontbrekende eigen financiële middelen en de wijziging van omstandigheden33. op de alimentatiegerechtigde rust, nu zij zich beroept op het rechtsgevolg daarvan, en/maar dat de bewijslast over ontbreken van zijn draagkracht om alimentatie te betalen op de alimentatieplichtige rust, waar sprake is van een bevrijdend verweer aan zijn zijde in vervolg op de eerdere door de alimentatiegerechtigde bewezen onderdelen van het probandum, en verweerder aldus een beroep op het rechtsgevolg van het ontbreken van zijn draagkracht. Dit volgens de hoofdregel van art 150 Rv. Dit geldt zowel ten aanzien van de verzoeken II en III van de vrouw, verhoging alimentatie voor [kind 2] en de vrouw zelf, als het verweer voor [kind 2] tegen het tegenverzoek V van haar vader. In leder geval heeft de vader/man de bewijslast van zijn eigen ontbrekende draagkracht krachtens voornoemde hoofdregel van art 150 Rv ten aanzien van zijn eigen tegenverzoek V, verlaging ten aanzien van [kind 2], waar zijn beroep op rechtsgevolg bedoeld in art. 150 Rv nog meer dan in zijn afweer van de verzoeken II en III aan de orde is.
2)
Voorts heeft het Hof miskend dat in dezen de bewijslast over ontbreken van zijn draagkracht om alimentatie te betalen op de vader/man rust ten aanzien van een of meer van de verzoeken II, III en/of (afweer tegen) V op grond van enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, waar het hier gaat om voor wat betreft de kinderalimentatie de effectiviteit van een regel van openbare orde, en/of feiten volledig in de sfeer van de vader/man, en/of de complexiteit van fiscaal vriendelijke wijzen van belonen in internationale off shore ook aangehaald door het Hof34., en/of vaders/mans eerdere stellingen bij de rechtbank dat hij weigerde zijn inkomstenbronnen op te geven, die ontkrachten zijn stelling dat geen inkomen heeft nu hij zijn 3e kind verzorgt, het ontbreken van een verklaring van de vader/man voor de periode februari 2012 april 2013, en/of de standaardverzoeken van het Hof overeenkomstig de relevante procesreglementen informatie te verschaffen mede ex art 20 en 21 Rv over de relevante periode, waar hier de ontbrekende draagkracht van de vader/man werd betwist, in het licht van de onvolledige gegevens die de vader/man wel verschaft heeft en/of de tegenstrijdigheid van vader/man in eerste aanleg over zijn niet op te geven wel bestaande inkomsten vanaf 2013 ten opzichte van zijn in hoger beroep gesteld: afwezige inkomsten vanaf 2013 35., althans had de moeder/vrouw haar stellingen zover bewezen dat het hof hier behoudens tegenbewijs de man tot bewijs resp. tegenbewijs had dienen toe te laten.
3)
In het licht van de klachten onder 1 en 2 hiervoor heeft het Hof miskend dat de vrouw resp. de moeder slechts tegenbewijs hoeft te leveren over de stellingen van de vader/man ten aanzien van zijn eigen ontbrekende draagkracht. En in zijn beoordeling miskend dat de moeder/vrouw als de partij, die gemotiveerd betwist, niet de stelplicht of bewijslast heeft resp. krijgt van de stellingen die zij naar voren brengt ter motivering van de betwisting36., maar slechts gemotiveerd hoeft te betwisten.
4)
In het licht van de klachten onder 1 en 2 hiervoor heeft het Hof miskend dat de moeder/vrouw slechts tegenbewijs hoeft te leveren over de stellingen van de vader/man ten aanzien van zijn eigen ontbrekende draagkracht. Hofs oordeel dat het bewijsaanbod van de moeder resp. vrouw te weinig gespecificeerd is, miskent dat een aanbad tot tegenbewijs niet gespecificeerd hoeft te zijn.
5)
Zo de moeder/vrouw wel gehouden was tot een gespecificeerd bewijsaanbod heeft het Hof de eisen ter zake voldoende specifiek bewijsaanbod miskend, en/of is Hofs oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd, voor wat betreft de twee zegslieden van [betrokkene 1], waar duidelijk was voor het Hof dat de moeder/vrouw aanbood als getuigen te doen horen de twee personen aangeduid in [betrokkene 1]'s verklaring37., welke namen de vrouw onbekend waren, en wat zij kunnen verklaren: ‘Ich habe von zwel unabhaenglgen Quellen gehoart das [de man] nach wia vor fuer die Firma [A] arbeitet. Allerdings nicht mehr Im Buero als Angestellter in der Schweiz sondern als Consultant auf der Bohranlage in Nigeria’. Waar het aan het Hof wel duidelijk was welke personen hier bedoeld werden, ook al was hun naam niet bekend, en ook wat zij konden verklaren, dat de man werkte op één van twee booreilanden voor de kust van Nigeria voor of in dienst van [A], met name nu niet vereist is dat namen van getuigen genoemd worden, als duidelijk is wie bedoeld is, en als de inhoud van hetgeen verklaard kan worden voldoende concreet is geduid38..
6)
Zo de moeder/vrouw wel gehouden was tot een gespecificeerd bewijsaanbod heeft het Hof de eisen ter zake voldoende specifiek bewijsaanbod miskend, en/of is Hofs oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd, voor wat betreft horen van [betrokkene 1], waar duidelijk was voor het Hof dat de moeder/vrouw aanbood als getuige te doen horen [betrokkene 1] over zijn verklaring39. : ‘Ich habe von zwei unabhaengigen Quellen gehoert das [de man]. nach wle vor fuer die Firma [A] arbeitet. Allerdings nicht mehr Im Buero als Angestellter in der Schweiz sondern als Consultant auf der Bohranlage in Nigeria’, waar het het Hof wel duidelijk was dat [betrokkene 1] hun namen kon noemen, en wat hij over zijn contact met hen kan verklaren en wat zij konden verklaren, dat de man werkte op één van twee booreilanden voor de kust van Nigeria voor of in dienst van [A], met name nu niet vereist is dat namen van getuigen genoemd worden, als duidelijk is wie bedoeld is, en als de inhoud van hetgeen verklaard kan worden voldoende concreet is geduid40..
7)
Zie ook het eerdere bewijsaanbod van de moeder/vrouw in het verweer bij de rechtbank tegen het verzoek om verlaging, dat op grond van de devolutive werking van het hoger beroep het Hof niet had mogen passeren41. in afweer van moeder tegen het deels door het Hof toegewezen verzoek V, en dat het Hof zelfs niet eens bespreekt.
8)
Voorts heeft het Hof een verboden prognose gemaakt over de uitkomst van te leveren bewijs (‘op dat gesteld nog gebleken is dat de voorgedragen getuige — de studievriend — meer of anders kan of zal verklaren dan reeds schriftelijk gedaan, welke verklaring het hof passeert’) door te oordelen op voorhand dat hetgeen [betrokkene 1] zou verklaren als getuige voor het Hof onvoldoende zou zijn omdat dit niet meer zou zijn dan zijn mail van februari 2015.
9)
Hofs oordeel ‘Uit de overgelegde stukken is voorts niet gebleken dat de vrouw dan wel de kennissen van de vrouw (de genoemde studievriend) uit eigen waarneming hebben vastgesteld dat de man in Nigeria (of elders) werkzaam is, zodat het hof de stelling van de vrouw dienaangaande eveneens passeert.’ en ‘De vrouw haar stelling, dat de man op dit moment een betaalde baan heeft, onvoldoende onderbouwd’ gaan Uit van een onjuiste rechtsopvatting, en/of is onbegrijpelijk gemotiveerd, met name in het licht van art. 150 Rv en de klachten hiervoor, het Hof oordeelt impliciet dat de vrouw bewijslast heeft van de aanwezigheid van draagkracht bij de vader/man en/of weegt dit niet als een gemotiveerde betwisting, terwijl de verklaring van [betrokkene 1] wel tot bewijs zou kunnen dienen, en de stellingen voldoende concreet dienen te zijn in het licht van hetgeen bewezen kan worden, in het licht van de stellingen van de vrouw dat de man per 1 januari 2012 als drilling engineer aan het werk is, recent op één van twee booreilanden voor de kust van Nigeria, en het door [betrokkene 1] gedulde inkomen verdient42., al dan niet mede in het licht van de afwezige ontkenningen van vader/man over de periode voor het nemen van ontslag bij [A] per 1 april 2013 om [kind 3] te verzorgen, en de halve bevestiging van [A] dat de man sedertdien alleen maar niet op een permanente (arbeids)overeenkomst werkte voor [A]43..
10)
Hofs oordeel het verweer van de moeder/vrouw tegen de maatgevendheid van volledige informatie uit de verklaringen van de Poolse Belastingdienst over het nihil-inkomen van de man in 2013 en 2014 af te wijzen44. omdat de man over enig deel van zijn inkomen (bedoeld wordt: in Polen) belastingplichtig zal zijn (geweest), is rechtens onjuist althans onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van partijen45., althans een verboden aanvulling van feiten. Waar het Hof dit feit, deze ‘wijsheid’ over de door de moeder/vrouw betwiste niet-maatgevend zijn, dat resp. die hier ineens ‘ten tonele wordt gevoerd’, aan ontleent, is onduidelijk. Het zijn geen feiten of omstandigheden van algemene bekendheid of algemene ervaringsregels bedoeld in art. 149 Rv, die het Hof zelf mag aanvullen, noch zijn het door de moeder/vrouw onbetwiste resp. onvoldoende gemotiveerd betwiste stellingen van de man, zodat het Hof hier kennelijk overgaat tot een verboden aanvulling van de feiten. Voorts is Hofs oordeel over de maatgevendheid van de verklaring van de Poolse Belastingdienst over 2013 en 2014 onjuist en onbegrijpelijk, met name in het licht van het eigen oordeel van het Hof dat de vader/man tot en met 31 maart 2013 voor [A] werkzaam was in loondienst, welk ten processe vaststaand inkomen van de vader/man niet blijkt uit de 2013-verklaring van de Poolse Belastingdienst.
11)
Hofs beoordeling van de navolgende stellingen van de moeder/vrouw genoemd onder Inleiding 2 is voorts onbegrijpelijk gemotiveerd, althans het Hof is hier onvoldoende op ingegaan, deze stallingen van de moeder/vrouw in hun onderlinge verband te lezen: De man is sinds feb. 2012 werkzaam als drilling engineer, hij verdient sindsdien het door [betrokkene 1] aangeduide bedrag, de omgangskosten in mindering op zijn draagkracht van ± € 480,- per maand zijn voor de man vervallen sinds februari 2012 en/of verminderde lasten door samenwonen in Polen met [betrokkene 2], de man betaalde in voorjaar 2014 uit eigen middelen PZL 600.000,- voor zijn huidige woonhuis ten bewijze van overgespaarde inkomsten van de man uit de periode tot voorjaar 201446..
12)
Een en ander van de voorgaande klachten in dit middel mede in het licht van Hofs eigen oordeel in r.o. 11, dat de moeder/vrouw onderschrijft voor zover in haar voordeel, dat de vader/man onvoldoende onderbouwd heeft dat hij thans geen kinderalimentatie meer kan voldoen47, en in r.o. 9 — voor zover in haar voordeel — dat de vader/man wel een betaalde baan kan/zal hebben kennelijk ergens in de toekomst, kennelijk ongeacht zorg voor [kind 3].
Voor de middelen hierna is zulks van belang waar volgens het Hof kennelijk dit draagkrachtverlies aan de zijde van de vader/man herstelbaar is.
Het slagen van een of meer onderdelen van voorgaande klachten treft ook de conclusie van het Hof dat de man nu geen inkomen heeft, maar op termijn wel weer een betaalde baan zal, hebben, voor zover in het nadeel van moeder/vrouw.
Toelichting
1)
De vader/man was drilling engineer bij einde samenleving in 2008, het gezin was financieel en maatschappelijk onderdeel van de top-declel zoals de Fransman T. Piketty dat aanduidt in zijn boek Kapitaal in de 21e eeuw48., vader/man is in 2011 erin geslaagd wegens gebrek aan draagkracht departneralimentatie als inkoper naar € 0,’ te krijgen, na zijn door de rechtbank afgewezen verzoek uit 2009 om limitering, vader/man is onverwijld na Hofs uitspraak van 21 december 2011 per 1 januari 2012 weer gaan werken gaan werken als drilling engineer, na één jaar intermezzo, vanaf 1 januari 2012 terug in de top-deciel; inmiddels nog meer dan voorheen door een partner rijker, althans hoger betaald, dan voorheen zijn 1e vrouw, en de koopkrachtpariteit Nederland-Polen49. van ± 1.5 ten aanzien van koopkracht in Polen. Stelselmatig weigerde hij informatie te geven over zijn inkomsten, en plaatst het Hof zo de alimentatiegerechtigde voor een onmogelijke bewijsopdracht ondanks zoals dit hof het zo welsprekend formuleert ‘belastingvriendelijke honoreringsconstructies in de betreffende branche’. Geld resp. geen geld is belangrijk. Van de top-deciel in 2008, is het eenoudergezin inmiddels een eind neerwaarts, naar de onderste deciel(en) op de maatschappelijke ladder. Naar voelen van moeder en dochter tracht vader/man dit met enig door hen gevoeld venijn met name zo te houden50..
2)
De verdeling van de bewijslast maakt of breekt een recht door de directe invloed op de afdwingbaarheid ervan. De partij-getulgeregel van art. 164 Rv maakt het nog erger, zeker in familiezaken, indien de bewijslast op de alimentatiegerechtigde zou liggen. Moet de vrouw de nieuwe collega's van haar man laten komen als getuige? Als zij al weet waar de man werkt? Internationale rechtshulp vragen in het land van het nieuwe werk van de ex-man, Polen, Nigeria, Tsjechië? In een tijd van zo weinig vastigheid qua inkomen? Wat als de man geen arbeidscontract heeft? Moet de alimentatiegerechtigde de aanwezigheid van draagkracht bewijzen? Of moet de alimentatieplichtige de afwezigheid van draagkracht bewijzen? Of de mindere variant: behoudens tegenbewijs door de alimentatieplichtige aangenomen? Dat de rechterlijke macht die verdelingsvraag veelal ontloopt wanneer alle partners meewerken in het redelijke volledig informeren van de rechter, maakt niet dat de vraag niet wel degelijk gesteld moet worden. Zwakkere partijen, met name partijen met bewijsnood, onder andere wegens een grote feitensfeer bij hun tegenpartij, en/of economisch zwakker worden door de wetgever in bewijs ter zake hun aanspraken geholpen. Patiënt in een medisch ‘ ongeluk’ onder narcose op de operatietafel, een werknemer in een bedrijfsongeval, de curator als de administratie weg is, de opdrachtgever ten vervoer bij schade aan de goederen die opdrachtgever niet onder zich had resp. niet kon zien etc. Bewijst de zuigeling resp. zijn/haar bijstandsmoeder de aanwezigheid van draagkracht bij vader? Zeker wanneer vader allang in een buitenland woont/werkt en/of ‘job hopt’? En/of een eigen in het buitenland gevestigde onderneming heeft? Of een sabbatical opneemt of een mindere baan accepteert tijdelijk net ten tijde van een verwachte inkomstenijking in een procedure om dan maar even in te teren op eerdere overgespaarde inkomsten?
3)
De varianten: Behoudens tegenbewijs aannemen? Een sterke aandraagplicht voor wat betreft de feitelijke info51.? De vigerende reglementen streven dit laatste al na52.. Wanneer de feitenrechter geen gevolgen toekent ten nadele van de alimentatieplichtige om mee te werken, zouden die twee opties, net als hier, tandeloos kunnen uitpakken voor de alimentatiegerechtigde, resp. in cassatie evenzeer onaantastbaar als de bewijslast van aanwezigheid van draagkracht laten, waar het Hof in deze die bewijslast bij de alimentatiegerechtigde oordeelde.
4)
De verdeling van de bewijslast heeft doorslaggevende invloed op de beoordeling van de stellingen van partijen, die daarmee niet in stand kan blijven maar opnieuw dient te geschieden. De partij met de bewijslast dient immers voldoende concreet stellingen te ontplooien voor de rechter om te begrijpen wat die partij bedoelt in het licht van bijv. een probandum. Het is aan diens tegenpartij om slechts voldoende gemotiveerd te betwisten. In het licht van een voldoende gemotiveerde betwisting kan de partij met de bewijslast onder omstandigheden niet volstaan met slechts herhalen van de oorspronkelijke stellingen, maar zal deze aanvullende stellingen (verhoogde stelplicht) naar voren dienen te brengen.
Middel 2: Draagkracht vader alimentatie [kind 2] gelijk draagkracht ten tijde van beschikking van 21 december 2011
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, doordat het Hof in rechtsoverweging 11 van de beschikking en in het dictum van de bestreden beschikking onjuist en/of onbegrijpelijk heeft overwogen c.q. beslist als vervat in de bestreden beschikking, gelet op een of meer van de volgende zo nodig in onderling verband en in onderlinge samenhang te lezen redenen.
Inleiding
1) ten aanzien van [kind 2] gaat het om verzoeken II en V: voor [kind 2] om meer alimentatie per 1 februari 2012 en van vader om € 0,- alimentatie voor [kind 2] wegens zijn gestelde dagelijkse zorg voor [kind 3] en de komst van een 4e kind voor vader. In het licht van de devolutieve werking van het hoger beroep zijn de verweren van moeder ten behoeve van [kind 2] bij de rechtbank ook aan de orde in hoger beroep. Het gaat met name om de (afwezigheid van) draagkracht van vader aangegeven bij Inleiding 2.53..
Klachten
1)
Het slagen van klachten in middel 1 en/of 4 treft ook deze bestreden r.o. 11 zodat de draagkracht van de vader ruim voldoende is en/of herrekend moet worden.
2)
Rechtens onjuist althans onbegrijpelijk gaat het Hof in de beoordeling van de draagkracht, die de vader heeft, ‘in het licht van het onder 9 overwogene’ uit van een draagkracht van de man niet hoger dan de draagkracht van de man ten tijde van de beschikking van 21 december 2011, een en ander in het licht van onder andere de navolgende in onderling verband te lezen redenen:
- 1)
Het verzoek II (alimentatie voor [kind 2]) ziet op de periode vanaf 1 februari 2012;
- 2)
Hetgeen moeder gesteld heeft in Inleiding 254.;
- 3)
Vast staat tussen partijen dat vader tussen 1 februari 2012 en 1 april 2013 een betaalde dienstbetrekking bij [A] had55. in een functie waarin vader gedurende het huwelijk inclusief toeslagen, bonussen etc. ± $ 400.000, althans € 200.000,- als t/m 2009 verdiende, aanzienlijk meer dan als inkoper in 2010–2011, welk nu juist een verlaging was ten opzichte van drilling engeneer eerder, die het Hof in de beschikking van 21 december 2011 wel meewoog;
- 4)
Het wegvallen van de zorgkosten ad ± € 480,- per maand nu vader niet meer iedere twee weken naar Nederland kwam voor omgang met [kind 1] en [kind 2], leidende tot een draagkrachtstijging van ± € 480,- per maand per 1 februari 2012;
- 5)
Vader is met ingang van 1 mei 2014 blijkens zijn eigen stellingen gaan wonen in [a-plaats] bij [betrokkene 2], in de haar toebehorende flat. Hieruit volgt een wegvallen van eerdere huurlasten ad ± € 1.200,-, die hij volgens het hof in de beschikking van 21 december 2011 had in Kassel, toen hij daar inkoper was, leidende tot een verdere draagkrachtstijging van vader van ± € 1.200,- per maand per 1 mei 2013.
Toelichting
Alles gelijk aan de situatie van 21 december 2011 waren de lasten in mindering op vaders draagkracht bij vertrek bij [A] om voor [kind 3] te gaan zorgen € 1.680,- lager en dus vaders draagkracht € 1,680,- hoger. Dit los van het inkomstenverschil tussen inkoper in 2010–2011 en drilling engineer in 2012–2013, ook zijn werk in 2005–2009.
Middel 3: Verdeling draagkracht over kinderen vanaf april 2013
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, doordat het Hof in rechtsoverweging 11 van de beschikking en in het dictum van de bestreden beschikking onjuist en/of onbegrijpelijk heeft overwogen c.q. beslist als vervat in de bestreden beschikking, gelet op een of meer van de volgende zo nodig in onderling verband en in onderlinge samenhang te lezen redenen.
Inleiding
1)
Ook hier geldt: ten aanzien van [kind 2] gaat het om verzoeken II en V: voor [kind 2] om meer alimentatie per 1 februari 2012 en van vader om € 0,- alimentatie wegens zijn zorg voor [kind 3] en de komst van een 4e kind voor vader. In het licht van de devolutieve werking van het hoger beroep zijn de verweren van moeder ten behoeve van [kind 2] bij de rechtbank ook aan de orde in hoger beroep.
2)
Over de behoefte van [kind 3], dat die laag zal zijn: [kind 3] woont bij de ouders in en Polen is goedkoper dan Nederland om te leven. [betrokkene 2] kan bijdragen in de kosten van [kind 3]56.. Nederlandse alimentatienormen zijn niet van toepassing op de aanspraken van [kind 3] ten aanzien van zijn ouders57..
3)
Voor wat betreft (ontbrekende) draagkracht van vader zij verwezen naar hetgeen bij de eerdere middelen van cassatie en in Inleiding 2 is aangegeven. Voor wat betreft de draagkracht van [betrokkene 2] om bij te dragen in de kosten van verzorging van wonen en van [kind 3] (en volgende kinderen van hen beiden) heeft de moeder aangegeven, dat [betrokkene 2] in staat is ruim bij te dragen in de kosten van opvoeding van [kind 3], dat de overgelegde inkomstengegevens van [betrokkene 2] onvolledig zijn, dat moeder betwist dat het inkomen van [betrokkene 2] zo laag is al opgegeven door de man, dat als collega van de man [betrokkene 2] een inkomen geniet als aangegeven door [betrokkene 1] in zijn mail van 2 februari 2015, hetgeen in lijn was met de door [betrokkene 2], uit eigen middelen aangekochte flat en het door haar betaalde aandeel in het woonhuis ad PZL 1.2 miljoen, dat zij vanaf 2014 met de man deelt58., waardoor zij ook geen huurlasten hebben.
Klachten
Het Hof heeft de beschikbare draagkracht van vader gelijkelijk over het aantal kinderen van vader verdeeld: eerst over drie ([kind 1], [kind 2] en [kind 3]) en na de geboorte van het 4e kind op voorhand al over de dan vier kinderen van vader.
1)
Het slagen van klachten in de voorgaande middelen en middel 4 hierna treft ook deze draagkracht te verdelen drie resp. vier kinderen, zodat de draagkracht van de vader voldoende is en/of herrekend moet worden, en voorts op de gronden als aangegeven bij Middel 159. onbegrijpelijk is Hofs overweging ‘Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het onder 9 overwogene, niet worden uitgegaan van een hogere draagkracht aan de zijde van de man ten opzichte van zijn draagkracht ten tijde van het afgeven van de beschikking van 21 december 2011 van dit hof’.
2)
Het gelijkelijk verdelen van de beschikbare draagkracht van vader over drie (straks vier) kinderen van vader, [kind 1], [kind 2] en [kind 3], gaat uit van een onjuiste toepassing van het recht, en/of Hofs oordeel is onbegrijpelijk, waar het Hof deze overwegingen kennelijk ook toepast in zijn afwijzing ten aanzien van de hele periode waarover moeder voor [kind 2] verhoging heeft gevraagd in verzoek II, vanaf 1 februari 2012, en de vader tot 1 april 2013 een dienstbetrekking had bij [A], en [kind 3] pas geboren is in maart 2013.
3) Het gelijkelijk verdelen van de beschikbare draagkracht van vader gaat uit van een onjuiste toepassing van het recht, met name art. 1:397 BW en 1:404 BW, met name de uitspraak van de Hoge Raad 13 juni 1992 NJ 2012/498:
‘3.4.1
Het middel is terecht voorgesteld. Op grond van art. 1:397 lid 2 BW geldt dat indien meer personen op grond van bloed- en aanverwantschap tot het verstrekken van levensonderhoud zijn gehouden, de omvang van ieders verplichting afhangt van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van ieders draagkracht en de bijzondere verhouding waarin ieder staat tot degene die onderhoud behoeft. Ingeval het gaat om kinderalimentatie die door ouders is verschuldigd, zal de omvang van ieders verplichting in beginsel moet worden vastgesteld naar rato van ieders draagkracht (art. 1:404 lid 1 BW). Indien een ouder een nieuwe relatie is aangegaan waaruit kinderen zijn geboren, dan zal niet alleen rekening moeten worden gehouden met het feit dat die ouder verplicht is om tevens bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van die kinderen, maar ook met het feit dat op de andere ouder van die kinderen eenzelfde verplichting rust en dat de onderlinge bijdrageplicht van de ouders in de nieuwe relatie eveneens bepaald dient te worden naar rato van ieders draagkracht. Aldus kan de bijdrageverplichting van die andere ouder mede van invloed zijn op het voor een kind uit een eerdere relatie beschikbare gedeelte van de draagkracht van de jegens dat kind onderhoudsplichtige ouder. Het hof heeft daarom niet kunnen voorbijgaan aan het betoog van de vrouw dat de man de inkomensgegevens van zijn echtgenote dient over te leggen (vgl. HR 22 april 1988, LJN AD0287, NJ 1989/386, HR 28 mei 1993, LJN ZC0978, NJ 1994/434, HR 11 november 1994, LJN ZC1539, NJ 1995/129 en HR 26 november 2010, LJN BN7055, NJ 2010/633). Voor zover het oordeel van het hof daarop mocht berusten dat de draagkracht van de man ontoereikend is om aan zijn verplichtingen jegens alle kinderen volledig te voldoen — en zijn draagkracht daarom gelijkelijk moet warden verdeeld over alle kinderen — geldt dat het heeft miskend dat het eerst tot deze vaststelling kon komen nadat het de draagkracht van de echtgenote van de man had onderzocht en vastgesteld, nu de voor [kind 1] beschikbare draagkracht van de man daardoor mede op vorenstaande wijze kan worden beïnvloed (HR 22 april 2005, LJN AS3643, NJ 2005/379).
3.4.2
Indien de rechter niet de beschikking krijgt over de voor de berekening van de draagkracht van de andere ouder van de kinderen uit de andere relatie benodigde gegevens, staat het hem vrij die draagkracht te schatten aan de hand van de hem wel ter beschikking staande gegevens, en daarbij, gelet op art. 21 en 22 Rv., rekening te houden met het feit dat de benodigde gegevens niet verstrekt zijn en met de eventuele verklaring die daarvoor is gegeven. Indien de andere ouder geacht moet worden in eigen levensonderhoud te voorzien, kan de rechter in dat geval, zonder nader onderzoek naar diens draagkracht, ervan uitgaan dat die andere ouder ten minste voor de helft bijdraagt in de behoefte van die kinderen.’
4)
Zo het Hof dit niet miskend heeft is Hofs oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd, voor zover het Hof geen overweging heeft gegeven ten aanzien van de essentiële stellingen van de moeder en (tegen)bewijsaanbiedingen van moeder:
- 1)
Stellingen en (tegen)bewijsaanbiedingen van moeder ten aanzien van vaders draagkracht60.;
- 2)
[betrokkene 2]'s inkomstengegevens zijn onvolledig, [betrokkene 2] geniet een inkomen vergelijkbaar met het inkomen dat naar stelling van [betrokkene 1] de vader verdient. Haar hoge inkomen wordt bevestigd door de kennelijke beschikking over overgespaarde inkomsten voor aankoop van [betrokkene 2]'s flat in 2010 en het voldoen van [betrokkene 2]'s aandeel in voorjaar 2014 van de PZL 600.000,- van het gezamenlijke woonhuis van [betrokkene 2] en vader, waar [betrokkene 2] en [de man] thans wonen met [kind 3];
- 3)
Minder behoefte in geld van kinderen die thuis wonen bij de ouders als [kind 3] dan kinderen die niet bij de betreffende ouder wonen, en/of dat het in huis hebben van [kind 3] leidt tot een besparing van de financiële zorgbehoefte van [kind 3] jegens de vader, en de lagere kosten van leven in Polen ten opzichte van leven in Nederland, op hetgeen [kind 3] jegens zijn vader en moeder kan vorderen zijn de Nederlandse alimentatienormen niet van toepassing61..
Toelichting
1)
Het vereist een afweging van vele verschillende belangen door het Hof om de behoefte van de drie (straks vier) kinderen vast te stellen na de wijzingen van omstandigheden, welke bepaling naar Nederlands recht van openbare orde is, nu er drie (straks vier) kinderen zijn met meer dan twee ouders, meer dan een enkel ‘uitsmeren’ van de draagkracht over meer kinderen zoals het Hof doet hier. Het gaat om vergelijking van inkomstengegevens en draagkracht van de twee ouders van ieder van de betrokken kinderen, en de behoeften van ieder van de kinderen. Tussen vader en de kinderen uit zijn volgende relatie zal buitenlands — l.t.t. Nederlands — familierecht gelden. Na wat [betrokkene 2] bij kan dragen aan de behoefte aan zorg in geld van de thuiswonende gemeenschappelijke kinderen met vader, zal geen afslag in draagkracht ten laste van kinderalimentatie voor [kind 2] afwezig zijn, althans minder zijn dan het Hof toepaste.
Middel 4: Conflicterende verzorgingsplichten; partneralimentatie vanaf 1 februari 2012
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, doordat het Hof in rechtsoverweging 10 en 11 van de beschikking en in het dictum van de bestreden beschikking onjuist en/of onbegrijpelijk heeft overwogen c.q. beslist als vervat in de bestreden beschikking, gelet op een of meer van de volgende zo nodig in onderling verband en in onderlinge samenhang te lezen redenen.
Inleiding
1)
In r.o. 10 heeft het Hof de afwijzing van de partneralimentatie gemotiveerd, en mede de beperking van de kinderalimentatie. In het licht van de wettelijke volgorde van kinderalimentatie boven partneralimentatie heeft aanpassing van de door de man verschuldigde kinderalimentatie invloed op zijn draagkracht partneralimentatie aan de vrouw te betalen, en heeft het slagen van de voorgaande middelen invloed op de draagkracht van de man voor alimentatie voor de vrouw en voor [kind 2].
2)
Het echtpaar was welgesteld, deel uitmakend van de top-deciel en wat daar maatschappelijk bij hoort, als een ruim inkomen, wonen in een ruim huis in het [a-wijk] en de kinderen op een privéschool. In de eerste alimentatieprocedure is de partneralimentatie gesteld op € 2.500,- en kinderalimentatie op € 494,- per kind; het verzoek van man tot nihilstelling is definitief afgewezen in 2010; de opvolgende alimentatierechters hebben de partneralimentatie steeds op € 0,- gesteld wegens gebrek aan draagkracht van de man, in feite daarmee de afwijzing van mans verzoek tot nihilstelling alsnog toewijzend62.. De vrouw heeft beroep gedaan op kracht en gezag van gewijsde van haar aanspraak op alimentatie in de periode vanaf 7 maart 2011 en de behoefte naar de stand van het huwelijk63.. Haar ontbrekende eigen draagkracht heeft zij ook naar voren gebracht64.. Voor wat betreft haar beroep op draagkracht bij de man, resp. haar betwisting van het ontbreken van draagkracht bij de man verwijst de vrouw naar Inleiding 265., onder andere dat het haar voorgewend voorkomt en dat de man — wederom66. — onwaarheid naar voren brengt67.. Verzoek III, partneralimentatie voor de vrouw zelf, ziet op de periode vanaf 1 februari 201268..
3)
Geconfronteerd in hoger beroep met het beroep van de man — over de periode 1 april 2013 en nadien — heeft de vrouw, meer als subsidiair verweer, met name over conflicterende verzorgingsplichten naar voren gebracht dat het onredelijk is dat de man een inkomen van meer dan € 200.000,- en ruim voldoende draagkracht zou opgeven, om [kind 3], een zuigeling, de luiers te verschonen, dat de man dat nooit wilde, dat de man voor het gederfde inkomen vele kinderverzorgsters kan inhuren, dat de man bij een op/af-schema 160 dagen per jaar bij zijn zoon kan zijn, dat de verzorgingsplichten jegens vrouw (en hun kinderen) tijdelijk zijn en aflopen, het maatschappelijk aanvaardbaar zijn dat ouders werken en kinderopvang voor hun kinderen inschakelen69..
4)
In het licht van Hofs oordeel onderaan r.o. 9 (‘weer een baan …’) staat vast dat het gaat om een herstelbare vermindering van draagkracht van de man (zo die vermindering in inkomsten al aanwezig is). De vrouw heeft dit voor herstel vatbare verlies van inkomen, zo het er zou zijn, ook betoogd70..
5)
Het voorgaande geldt naar analogie evenzeer ten aanzien van verzoek II, alimentatie voor [kind 2] vanaf 1 februari 2012.
Klachten
Het Hof heeft de verschuldigde partneralimentatie over de gevraagde periode — vanaf februari 2012 — op nihil gesteld nu de man volgens het Hof niet jegens de vrouw verwijtbaar per 1 april 2013 ontslag nam om voor [kind 3] te zorgen.
1)
Hofs oordeel ‘jegens de vrouw op dat moment, op basis van de beschikking van dit hof in deze zaak van 21 december 2011, geen alimentatieverplichting’ gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting, waar het Hof miskend heeft de afwijzing door de rechtbank in de beschikking van 2010 met kracht en gezag van gewijsde van het verzoek van de man om limitering en/of de overwegingen van het Hof in de beschikking van 21 december 2011 ten aanzien van de behoefte van de vrouw en de kinderen op € 2.864,- netto per maand resp. € 560,- per kind per maand. Zo het Hof dit niet heeft miskend is Hofs oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd in het licht van de stellingen en (tegen)bewijsaanbiedingen van de moeder/vrouw genoemd en/of aangeduid in de inleiding van dit middel.
2)
Hofs oordeel ‘Naar het oordeel van het hof heeft de man destijds door het opzeggen van zijn baan niet in strijd met de belangen van de vrouw en van de minderjarigen gehandeld.’ en nadien gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van draagkracht van de man voor de periode relevant voor het verzoek van de vrouw, ingaande 1 februari 2012, om partneralimentatie het doen eindigen van zijn dienstverband bij [A] door de man een relevante vermindering van de draagkracht van de man acht over de periode 1 februari 2012 tot 1 april 2013 waar de man blijkens zijn eigen stellingen toen nog inkomen bij [A] genoot uit arbeidsovereenkomst. Zo het Hof dit niet heeft miskend, is Hofs oordeel in het licht van het na 1 februari 2012 nog in dienst zijn [A] onbegrijpelijk gemotiveerd voor de periode tot de geboorte van [kind 3].
3)
Hofs oordeel ‘Naar het oordeel van het hof heeft de man destijds door het opzeggen van zijn baan niet in strijd met de belangen van de vrouw en van de minderjarigen gehandeld.’ en nadien gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting: In geval van conflicterende verzorgingsplichten/alimentatieplichten ten aanzien van een verzorgingsplichtige/alimentatieplichtige moet een afweging worden gemaakt van de omstandigheden van het geval, waaronder maar niet beperkt tot het belang van de nakoming van de verzorginsplicht\alimentatieontvangst. In geld voor de verzorgings-\alimentatiegerechtigde, en/of van de alternatieven voor de verzorgings-\alimentatiegerechtigde met name een eventuele andere ouder, de resterende duur van de betrokken verzorgings-\alimentatieplichten, en/of van de alternatieven voor de verzorgingsplichtige/alimentatieplichtige, waarbij als uitgangspunt en/of vuistregel financiële verzorgingsplichten/alimentatie voorrang hebben boven verzorgingsplichten in natura, en in geval van tekortschietende financiële draagkracht financiële verzorgingsplichten jegens kinderen voorrang hebben boven financiële verzorgingsplichten jegens ex-echtgenoten, en/of van de maatschappelijke opvattingen over de periode waar de afweging betrekking op heeft. Zo het Hof dit niet heeft miskend, is Hofs oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd in het licht van de stellingen en (tegen)bewijsaanbiedingen van de moeder/vrouw genoemd en/of aangeduid in de inleiding van dit middel en de vast staande feiten.
Toelichting
1)
Over de periode februari 2012 — april 2013 heeft het Hof geen relevante overweging gewijd aan zijn afwijzing van het wijzigingsverzoek van de vrouw.
2)
Alimentatieplicht van de man staat vast na afwijzing van zijn verzoek tot nihilstelling resp. limitering in 2010; alleen de hoogte staat ter discussie. Het komt de vrouw voor dat de man zolang hindert tot 12 jaar op 7 maart 2023 voorbij zijn. [kind 2] leert moeilijk; zij wordt 18 in [maand] 2018, en zal geen hoge (en dus langdurige) opleiding na 2018 gaan volgen, zoals het er thans uitziet, zodat alimentatieplicht jegens [kind 2] vermoedelijk eerder zal zijn geëindigd dan jegens de vrouw. Het Hof lijkt voldoende te achten ‘een kind ter viering van de nieuwe liefde’ om van de tijdelijke alimentatieplicht ex art 1:157 en/of 1:392 BW verlost te raken. Het Hof opent een doos van Pandora aan mogelijkheden voor een alimentatieplichtige om zich aan alimentatieplicht te onttrekken, resp. zelf op leder gewenst moment in te zetten op wijziging van omstandigheden71.. Aanspraken op alimentatie, die uit de aard daarvan tijdelijk zijn, worden hiermee illusoir, door belemmeringen van de alimentatiegerechtigde opgeworpen voor de resterende duur van die betreffende alimentatieplicht. Zeker gelet op de bewijslastverdeling (en daarmee samenhangende bewijsnood, stelplichtproblemen, partijgetuige-problemen) zoals het Hof die in rechtsoverweging 9 als uitgangspunt nam.
3)
Maatschappelijk is het niet abnormaal om kinderopvang in te zetten in een situatie als tussen de vader/man en [kind 3]; hier wordt de man de duurste babysit denkbaar. Het openbare-orde-karakter van kinderalimentatie is hiermee ook ten einde, ten nadele van de alimentatiegerechtigde kinderen, die hun halfbroertjes/zusje zo succesvol ingezet zien worden om hen in de laagste deciel(en) te houden, waar vader en de nieuwe partner het eerdere leven in de top-deciel voortzetten. Het openbare-orde karakter van het recht op kinderalimentatie geldt niet zo sterk voor partneralimentatie, maar ook dat is met waarborgen omkleed ter bescherming van de economisch zwakkere partij.
4)
De invloed op bijv. maatschappelijke voorzieningen is evenzeer aan de orde: komt de vrouw in de bijstand, en vordert de Sociale Dienst in bij de man, omdat hij zijn baan van ± $ 400,000,- opgeeft om luiers te verschonen van [kind 3], is dan wel of niet verhaal van de Sociale Dienst toegestaan? De vrouw komt, nu [kind 1] en [kind 2] thuis wonen, niet voor aanvullende bijstand in aanmerking. Dat wordt met de verlaging door het Hof wellicht al anders, en in ieder geval wanneer de kinderen het huis uit zijn.
5)
Wanneer zorg in geld of zorg in natura, worden vergeleken, en niet overvloedig zijn, is het redelijk en maatschappelijk gewenst zorg in geld voorrang te geven. Ouders in het weekend zien, en de kinderjuf doordeweeks is in bijv. Zweden gemeengoed. Ook in Nederland wordt kinderopvang niet opvoedkundig verwerpelijk of maatschappelijk vaststaand ernstig nadelig voor een kind geacht. Maatschappelijke opvattingen aan bijv. het wetsontwerp 34231 zijn juist het tegenover gestelde, waar de ex-partner niet door kinderopvoeding na einde huwelijk zich kan onttrekken aan de verplichting eigen financiële middelen te verwerven en daar dus tijd voor vrij te maken onder andere ten nadele van opvoedtijd te besteden aan de kinderen.
6)
Wanneer zorg in natura voor een nazaat en zorg in geld beperkt zijn, gaat ook volgens art. 1:398 BW zorg in geld voor. Zorg in natura komt alleen naar voren, bij afwezigheid van de mogelijkheid van zorg in geld.
7)
Vader vergt voorts ook van moeder dat deze wel werkt en niet voltijds kan besteden aan de opvoeding van ([kind 1] en) [kind 2]. Waarom dan zo anders ten aanzien van [kind 3]? Te meer geldt dit nog gelet op het relatieve gewicht: vader/man verdient ± 10× modaal72., moeder/vrouw ± 1/2 modaal. Het is een feit van algemene bekendheid naar stelling van de moeder/vrouw dat uit diverse onderzoeken is gebleken dat tot ± 2× modaal extra geld een sterk marginaal voordeel bewerkstelligt (en andersom een verlaging ingrijpend(er) is), resp. bij hogere inkomens iets meer of minder geen of minder invloed heeft op de maatschappelijke situatie van iemand. Wanneer lemands kosten betaald zijn voor wat hij/zij wil, maakt het saldo overgespaarde inkomsten minder uit. [kind 3] zelf een nieuwe luier aandoen zorgt ervoor dat [kind 2] niet naar de privéschool kan welk gelet op haar leerproblemen wel voor haar gewenst zou zijn. Ook [kind 2] is een kind van vader.
8)
Het is niet gewoon, en zelfs bij voorkeur te vermijden, om de debiteur van een plicht zozeer in de gelegenheid te stellen zijn subjectieve mening in te zetten zich geheel of gedeeltelijk te onttrekken aan zijn verplichtingen en tast ook de rechtszekerheid aan en de bestaanszekerheid van alimentatiegerechtigden. Zeker niet dient het de alimentatieplichtige zelf te zijn die die afweging maakt, maar de rechter. Dit met name in het licht van het bijzondere karakter van de aanspraken waar het hier om gaat, kinderalimentatie en partneralimentatie, waar de eigen draagkracht al verdisconteerd is, en het gegeven dat de crediteuren in alle gevallen economisch zwakkere partijen zijn, resp. partijen zonder eigen bevoegdheid om in rechte hun stem te laten horen. Wie weet zou [kind 3] wel niet willen dat over zijn rug zijn vader een ‘oorlog uitvecht’ met zijn halfbroer en -zus en hun moeder met [kind 3] als reden resp. voorwendsel?
Voorbehoud proces-verbaal hoger beroep
Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep is opgevraagd,
maar nog niet ontvangen. Verzoekster houdt zich het recht voor het verzoek tot cassatie aan te vullen, indien en voor zover bedoeld proces-verbaal daartoe aanleiding geeft.
Mitsdien:
het de Hoge Raad behage, bij beschikking:
- I.
Op de gronden voornoemd de bestreden uitspraak te vernietigen en de behandeling van de onderscheiden verzoeken terug te verwijzen voor voortzetting van de behandeling;
- II.
Kosten rechtens.
Den Haag, 30 maart 2016
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 30‑03‑2016
De [C]'s en de [D]'s kennen elkaar goed. De mannen studeerden samen, [de man] was op verzoek van [betrokkene 1] getuige op het huwelijk van [betrokkene 1]. [betrokkene 1] heeft de beslissende duw gegevens in de carrière van de man naar vastigheid en hogere inkomens met zijn hulp aan [de man] in 2005. Vrouw, verweer h.b. 14-7-15, p. 2–3.
Vrouw, verzoek i.e.a., productie 3 — beschikking Rechtbank 22-12-2010
Vrouw, verzoek i.e.a., productie 5 — beschikking Hof 21-12-2011. Lasten man op p. 5
Laatstelijk: vrouw, brief aan hof 16-10-15, productie 14–16
Vrouw, incidenteel hoger beroep, grief, p. 19 e.v.; De deels weggelakte overeenkomst is overgelegd door de man als productie 5 bij verweer incidenteel hoger beroep 26-8-2015
Vrouw, verweer hoger beroep 14-7-15, par. 54–62 en brief aan Hof 16-10-2015, productie 17 e.v.
Vrouw, verzoek i.e.a., productie 7 t/m 13; w.o. productie 11, de beschikking hof 16-9-15 met de laatstelijk geldende omgangsregeling zonder 2-wekelijkse vaderweekeinden
Verzoek I — [kind 1]'s verzoek om kinderalimentatie per 1-2-12; II — idem voor [kind 2]; III — idem ter zake partneralimentatie voor de vrouw zelf. Zie vrouw, verzoek i.e.a., petitum en vrouw, incidenteel hoger beroep, grief, p. 19 e.v. en petitum, p. 23
Verzoek IV — verzoek vader tot neerwaartse wijziging kinderalimentatie [kind 1]; V — idem ten aanzien van [kind 2]. Zie man, hoger beroep schrift, petitum
Vrouw, verweer i.e.a. 3-2-15, par. 4, en productie 14 — mail [betrokkene 1] 2-2-15
Vrouw, verweer h.b. 14-7-15, par. 53 en verder
Zie de procesreglementen in familiezaken bij Rechtbank en Hof en voorbeeldbrieven daarin over opvragen van stukken bij de partijen. In vergelijk hiermee de daadwerkelijk door vader/man overgelegde financiële gegevens. Ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep gaf de man aan ‘privacy’. Eerder had hij aangegeven bang te zijn dat de moeder/vrouw [B] in Kassel had aangeschreven wegens achterstallige kinderalimentatie. Vader had toen achterstand in alimentatie en beslag in Duitsland was onmogelijk in praktijk. De vrouw haalt dit aan in verweer h.b., par. 12 en 19, p. 9
Zorgregeling. Vrouw, verweer h.b. 14-7-15, par. 13–18, p. 9 2e helft, par. 32, verwijzend naar het verzoek i.e.a., daar: par. 15 1e gedachtestreep, par. 17, 20, 29
Andere mindere lasten. Vrouw, verweer h.b. 14-7-15, par. 12, 48, (aankoop woonhuis, dus geen huur meer), 49 (mede invloed draagkracht [betrokkene 2]). Zie ook verzoek i.e.a. 21–23
Drilling engineer. Vrouw, Verweer i.e.a., par. 4 en 5, productie 14: mailbericht van [betrokkene 1] van 2-2-15; vrouw, verzoek i.e.a., par 18–19,
Man, verzoek h.b., par. 13–14
Man, brief aan Hof 16-10-15, productie 2
De vrouw heeft een schijf met opname van deze video gedeponeerd ter griffie van de Rechtbank, en later van het Hof, en zal deze ook deponeren ter griffie van de Hoge Raad. De video staat nog Immer op Internet: [website]. Geraadpleegd 28-3-16.
Het verslag van de zitting in hoger beroep is nog niet beschikbaar
Overgespaard inkomen aan vastgoed besteed. Vrouw, verweer h.b. 14-7-15, 48. Vrouw, pleidooi h.b., par. 10, onder vii t/m x
Vrouw, verweer h.b., par. 25
Vrouw, verweer h.b., par. 30
Vrouw, verweer h.b., par. 25
Vrouw, verweer h.b., par. 27. Zie ook man, h.b. verzoek, par. 14–15 en productie 19 (brief man aan President Hof), zoals de man (vrijwel) iedere procedure een brief over zijn ‘redelijkheid’ aan de rechter schrijft. Zie ook mr Geleijns' opmerking dienaangaande in proces-verbaal Rechtbank; de Rechtbank haalt dit ook aan
Bewijs. Hoger beroep, verweer 14-7-15, par. 64 en 65. In eerste aanleg: verweer 3-2-15, p. 9 en 10; verzoek i.e.a., par. 32–33
Verzoek van de man — na wijziging — om nihil stelling ten aanzien van [kind 2]
Het proces verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof is opgevraagd. Dat deze uitwisseling van informatie tussen het hof en de vrouw heeft plaatsgevonden blijkt uit r.o. 9 van da uitspraak van het hof, waarin het hof het voorstel om [betrokkene 1] te horen aanhaalt en deze door de vrouw aan het hof aangeduide onbekende getuigen als niet doorslaggevend terzijde stelt.
Man, verweer 21-1-15, par. 30
Met name man, verweer incidenteel h.b. 26-8-15, par. 14
Hoger beroep, man, par. 8 en 9; betwisting vrouw: verweer 14-7-15, par. 26. Het Hof heeft de uitleg van de man aanvaard.
Zie inleiding 2 hiervoor, argumenten aldaar en de vindplaatsen van argumenten in de stukken.
Bij de verzoeken IV er V rust volgens de hoofdregel de bewijslast op de alimentatieplichtige, hij verzoekt die wijzigingen tot verlaging.
Hof ‘belastingvriendelijke honoreringsconstructies in de betreffende branche’
De relevante periode is vanaf 1 februari 2012. Over informatie die het Hof gebruikelijk vraagt, zie onder andere par. 2.1.2 Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven
Hoge Raad 23 oktober 1992 NJ 1992 813 Inzake van der [naam 1]\[naam 2], rechtsoverweging 3.2
Het Hof haalt dit aan in r.o. 9
HR 6-4-2001 NJ 2002/385 inzake VNP/[naam 3]
Het Hof haalt dit aan in r.o. 9
HR 6-4-2001 NJ 2002/385 inzake VNP/[naam 3]
Aangeboden: vader, moeder, [betrokkene 1] e.a. over onder andere draagkracht bij vader/man. Verweerschrift: 3-2-15, p. 10
Zie Inleiding 2, met name hatgeen de vrouw heeft aangegeven ten aanzien van [betrokkene 1] en drilling engineer (argument sub 3) en de daar genoemde vindplaatsen, bijv. haar verweer in h.b. par. 56
Man, brief aan hof 16-10-15, productie 2
‘Het hof gaat er vanuit dat da man, indien hij inkomen geniet, wat er verder zij van belastingvriendelijke honoreringscanstructies in de betreffende branche, over enig deel van zijn inkomen belastingplichtig zal zijn, zodat het hof aan de stelling van de vrouw dat deze Poolse bescheiden niet maatgevend zijn voorbij gaat. ’ de betreffende verklaringen zijn overgelegd door de vader/man bij brief aan het Hof van 16-10-15 als productie 9 resp. 10.
Het Hof haalt ook aan in rechtsoverweging 9 dat de vrouw de maatgevendheid van de verklaringen van de Poolse belastingdienst heeft betwist. Zie onder andere p. 2 midden (geen baan onwaar),
Voor de vindplaatsen van deze betwistingen/stellingen van de moeder/vrouw, zie de vindplaatsen vermeid bij Inleiding 2.
Thomas Piketty, Capital in the 21st century, 2014, p. 250–257, 261–262 en 278–281, met name p. 280 midden, vertaald uit het Frans, orig. uit 2013.
± 2/3 van Nederland, zodat geld in Polen een koopkracht heeft van ± 1,5 maal t.o.v. in Nederland. Vrouw, verzoek i.e.a., par. 22 en verweer i.e.a. 3-2-15, par. 17
Vader/man heeft in hoger beroep toegelicht aan het Hof over waarom hij zijn advocaat en de Rechtbank in 2013 en 2014 niet heeft verteld dat hij geen inkomen meer had. Zijn antwoord: ‘ privacy’.
Zoals voorheen art 1638X (oud) BW.
Zie de voorbeeldbrieven in de procesreglementen voor familiezaken bij Rechtbank en Hof in geval van alimentatiegeschillen.
Voor de vindplaatsen van deze betwistingen/stellingen van de moeder/vrouw, zie de vindplaatsen vermeld bij Inleiding 2.
De man is sinds feb. 2012 werkzaam als drilling engineer, hij verdient het door [betrokkene 1] aangeduide bedrag, geen zorgregeling, kostenbesparing door met [betrokkene 2] in Polen samenwonen, overgespaarde inkomsten, nu de man betaalde in 2014 uit eigen middelen PZL 600.000 voor zijn huidige woning. Voor vindplaatsen in de gedingstukken, zie inleiding 2, waar ten aanzien van ieder van deze betwistingen/stellingen de vindplaatsen zijn aangegeven. De verwijzing in de company video is gewogen en beoordeeld door het Hof.
Man, brief aan hof 16-10-15, productie 2; man, verweer incidenteel h.b., productie 5 — deels weggelakte overeenkomst [A]
Vrouw, verweer i.e.a., par. 12 en 17 ([betrokkene 2] draagt mee kosten, goedkoper in Polen),
Vrouw, verweer i.e.a., par. 17 (geen Nederlandse alimentatienormen gelden voor [kind 3]s aanspraken ten aanzien van zijn ouders)
Inkomsten [betrokkene 2]: I.e.a: verzoek i.e.a., par. 23; verweer, In hoger beroep: verweer 14-7-2015, p. 12, p. 17, p, 18; pleitnota, par. 10 onder ix en onder x.
Vindplaatsen van de argumenten van de moeder zijn aangegeven bij Inleiding 2 aangaande draagkracht van vader
Zie hetgeen in Inleiding 2 is aangegeven
Hoog inkomen [betrokkene 2], zie inleiding bij dit middel en de daar aangegeven vindplaatsen. Leven in Polen goedkoper, verzoek i.e.a. par. 22 en verweer i.e.a. 3-2-15, par 17; [kind 3], minder lasten voor kind bij de ouders thuis, verzoek i.e.a., par. 23 en verweer i.e.a. 3-2-15, par. 17; Nederlandse alimentatienormen niet van toepassing op aanspraken van [kind 3] op vader, verweer i.e.a. 3-2-15, par. 17.
Vrouw, verzoek, i.e.a,, productie 1 — beslissing voorlopige voorziening, dictum; overige alimentatie-uitspraken, productie 2–6
Vrouw, verweer h.b. 14-7-15, par. 41
Vrouw, verweer h.b. 14-7-15, par. 41; brief aan Hof, 16–10-15, productie 14–16
Voor vindplaatsen in de stukken en de gewisselde argumenten, zie aldaar.
Man, verweer incidenteel h.b., par. 14 over het waarom van zijn eerdere onwaarheid.
Vrouw, verweer h.b. 14-7-15, (onwaar) p.2 bullit 2, 25, 26, 27, 29; pleidooi h.b., par. 10 openingszin
Vrouw, verzoek i.e.a., petitum; vrouw, verweer h.b. 14-7-15, grief incidenteel hoger beroep, p. 19 en p. 23, conclusie in incidenteel hoger beroep;
Vrouw, verweer h.b. 14-7-15, (afweging, maatschappij waar werken verwacht wordt, gederfd inkomen gelijk aan 5 au pairs etc.) par. 1, 2e bullet, (van de man kan bijdrage worden gevergd) par. 26, (leerproblemen kinderen etc. dus extra kosten) par. 31, par 46 (uitzenden komt vaak voor, ook met kinderen, dan zijn kinderen juist dichtbij de expat).
Vrouw, verweer h.b. 14-7-15, par. 1 en 7, 8, 25, 26, (het is zeer tijdelijk, de man heeft zo weer een baan); ook pleidooi h.b., par. 9
Hier wachtte de man tot juni 2015 om verlaging te vragen wegens de geboorte van [kind 3] in voorjaar 2013 en zijn gestelde zorg voor [kind 3].
± € 30.000,- per jaar bruto