Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/1.6
1.6 Toetsingskader
mr. dr. M.D.J. van der Wulp , datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291077:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
A.J. van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2009, p. 27.
Dit toetsingskader is in onderzoeken op het gebied van de btw vaker gehanteerd. Zie: A.J. van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2009, p. 28 en S.B. Cornielje, Fusies en overnames in de Europese BTW (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 6.
W.J. Slagter, Rechtvaardigheid en doelmatigheid. Enige beschouwingen over het compromiskarakter van het recht (oratie), 1961, p. 4. Zie ook: A.J. van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2009, p. 39.
Zie bijv. OECD, Implementation of the Ottawa Taxation Framework Conditions. The 2003 Report, OECD 2003, p. 30-31 en OECD, International VAT/GST Guidelines, OECD 2017, p. 17-18.
E. Poelman, Cursus Belastingrecht FBR.4.1.1.B (online, bijgewerkt t/m 2 februari 2021) en P.G.M. Jansen, Beginselen van behoorlijk bestuur in het belastingrecht, Den Haag: Sdu Fiscale en Financiële Uitgevers 2006, p. 55.
Zie bijv. OECD, Implementation of the Ottawa Taxation Framework Conditions. The 2003 Report, OECD 2003, p. 30 en OECD, International VAT/GST Guidelines, OECD 2017, p. 18.
Vgl. A.J. van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2009, p. 40.
In dit onderzoek staat de vraag centraal hoe de belastingheffing van vastgoedtransacties in de Europese btw plaatsvindt naar positief recht en hoe zij behoort plaats te vinden naar wenselijk recht. Om deze vraag op een bevredigende wijze te kunnen beantwoorden, is een toetsingskader nodig. Dit toetsingskader dient het positieve recht (hoe het recht is) te onderscheiden van het wenselijke recht (hoe het recht zou moeten zijn). Daarnaast dient dit toetsingskader zo objectief mogelijk te zijn.1 In dit onderzoek onderscheid ik het wenselijk recht van het positieve recht aan de hand van de wezenlijke kenmerken van de Europese btw.2 De wezenlijke kenmerken van de Europese btw zijn: het beginsel van algemene heffing, het beginsel van de fiscale neutraliteit en het rechtskarakter van de btw.3 In dit onderzoek zal niet steeds aan alle afzonderlijke wezenlijke kenmerken van de Europese btw worden getoetst, maar uitsluitend aan de wezenlijke kenmerken van de Europese btw die voor dat (deel)onderwerp relevant zijn.
Slagter heeft erop gewezen dat het goede recht niet meer is dan een compromis tussen rechtvaardigheid en doelmatigheid (lees: uitvoerbaarheid).4 In overeenstemming hiermee wordt in de Ottawa Taxation Framework Conditions van de OESO ‘efficiency’ genoemd als een ‘fundamental principle of taxation’.5 Recht dat (zoveel als mogelijk) voldoet aan de wezenlijke kenmerken van de Europese btw maar niet of nauwelijks uitvoerbaar is, kan immers bezwaarlijk als wenselijk recht worden bestempeld. Hetzelfde heeft te gelden voor recht dat (zoveel als mogelijk) in overeenstemming is met de wezenlijke kenmerken van de Europese btw maar in strijd is met het formele rechtszekerheidsbeginsel, dat wil zeggen: recht dat niet niet duidelijk en ondubbelzinnig is.6 Niet voor niets beschouwt de OESO ook ‘certainty en simplicity’ als een ‘fundamental principle of taxation’.7 Een inbreuk op de wezenlijke kenmerken van de btw acht ik daarom gerechtvaardigd voor zover het doelmatigheidsbeginsel en/of het formele rechtszekerheidsbeginsel daartoe nopen of noopt. De toets aan het doelmatigheidsbeginsel en het formele rechtszekerheidsbeginsel hanteer ik in dit onderzoek dus als ultimum remedium.8
Het voorgaande betekent dat het positieve recht afwijkt van het wenselijke recht (en dus voor verbetering vatbaar is) indien het niet of onvoldoende recht doet aan de wezenlijke kenmerken van de btw en hiervoor geen (afdoende) rechtvaardiging is te vinden in het beginsel van doelmatigheid en/of het formele rechtszekerheidsbeginsel. Om vast te stellen in hoeverre het positieve recht beantwoordt aan het wenselijke recht, leg ik het positieve recht dus in de weegschaal van de wezenlijke kenmerken van de Europese btw. In hoofdstuk 2 ga ik nader in op het positieve recht dat het voorwerp vormt van dit onderzoek – de Europese btw, zoals neergelegd in de Btw-richtlijn, de Btw-uitvoeringsverordening en de jurisprudentie van het Hof van Justitie – en de belangrijke rol die het Hof van Justitie speelt bij de uitleg van de bepalingen van de Btw-richtlijn en de Btw-uitvoeringsverordening. Daarnaast werk ik in dit hoofdstuk het toetsingskader nader uit.