Hof 's-Hertogenbosch, 12-10-2023, nr. 200.330.007, 01
ECLI:NL:GHSHE:2023:3342
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
12-10-2023
- Zaaknummer
200.330.007_01
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2023:3342, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 12‑10‑2023; (Hoger beroep)
Uitspraak 12‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Hoger beroep tegen tussenbeschikking. Niet-ontvankelijk.
Partij(en)
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 12 oktober 2023
Zaaknummer: 200.330.007/01
Zaaknummer eerste aanleg: 10147923 OV VERZ 22-6251
in de zaak in hoger beroep van:
[de rechthebbende] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat: mr. M. Ozgul,
Als belanghebbende merkt het hof aan:
[bewindvoeringskantoor] B.V. gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de bewindvoerder.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 21 april 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 juli 2023, heeft de bewindvoerder verzocht het hoger beroepschrift gegrond te verklaren en de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat:I. het bewind over de rechthebbende met ingang van 21 april 2023 wordt opgeheven.
2.2.
Het hof heeft op 24 augustus 2023 een mondelinge behandeling gepland ten aanzien van de ontvankelijkheid van de rechthebbende in het hoger beroep. Deze mondelinge behandeling is niet doorgegaan. Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling van de ontvankelijkheidskwestie. De rechthebbende heeft bij V6-formulier van 23 augustus 2023 een inhoudelijk standpunt ingenomen over de ontvankelijkheid. De bewindvoerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om schriftelijk een standpunt in te nemen over de ontvankelijkheid van de rechthebbende in het hoger beroep.
3. De feiten
Bij beschikking van 26 januari 2022 heeft de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda , de goederen van [de rechthebbende] , geboren te [geboorteplaats] (Zaïre) op [geboortedatum] 1977, onder bewind gesteld met benoeming van [bewindvoeringskantoor] B.V. tot bewindvoerder. Het bewind is ingesteld op grond van de lichamelijke of geestelijke toestand.
4. De omvang van het geschil
4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de beslissing op het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind aangehouden tot na ontvangst van een gezamenlijk verslag van de rechthebbende en de bewindvoerder over – kort weergegeven – het verloop van een zelfredzaamheidstraject.
4.2.
De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.
5. De ontvankelijkheid
5.1.
De rechthebbende heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid - samengevat - het volgende aangevoerd. Voor de ontvankelijkheid is van doorslaggevend belang of de beslissing een voor hoger beroep vatbare beslissing is. De kantonrechter heeft volgens de rechthebbende bij de beschikking van 21 april 2023 bepaald dat tegen deze beschikking hoger beroep kan worden ingesteld. De beschikking van 21 april 2023 kan worden gelezen als een beslissing op een geschil tussen partijen. De kantonrechter heeft ervoor gekozen het bewind nog niet op te heffen, maar heeft partijen opgedragen om samen een maatwerk op te stellen waarbij wordt toegewerkt aan financiële kaders waarbinnen de rechthebbende zijn eigen financiën kan beheren. Hierdoor houdt de bestreden beschikking meer in dan alleen het verlof tot het tussentijds instellen van hoger beroep. Indien de beschikking niet meer zou inhouden dan dit verlof, dan zou het een rolbeschikking zijn en dat zou een administratieve maatregel zijn ter bevordering van de proceseconomie. In dit geval bevat de uitspraak echter ook een beslissing over het opdragen van partijen tot het toewerken naar maatwerk, waardoor het meer betreft dan een rolbeschikking. Partijen hebben belang bij een inhoudelijke bespreking van het geschil en zijn door de keuze van de kantonrechter om op deze manier te beslissen op het gevraagde verlof op het spoor gezet van tussentijds hoger beroep. Volledigheidshalve verwijst de rechthebbende naar de Conclusie d.d. 2 juli 2023 van het Parket bij de Hoge raad (ECLI:NL:PHR:2021:695).
5.2.
De bewindvoerder heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de ontvankelijkheid van de rechthebbende in hoger beroep.
5.3.
Het hof overweegt als volgt.
5.3.1.
Op grond van artikel 358 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan hoger beroep van tussenbeschikkingen slechts tegelijk met de eindbeschikking worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald.
Voor het onderscheid tussen een (al dan niet gedeeltelijke) eindbeschikking en een tussenbeschikking is volgens vaste rechtspraak doorslaggevend of door middel van een beslissing in het dictum van de beschikking een eind is gemaakt omtrent enig deel van het verzochte.
5.3.2.
De bestreden beschikking is een zuivere tussenbeschikking en niet ook gedeeltelijk een eindbeschikking, nu de kantonrechter (nog) geen eind heeft gemaakt aan hetgeen de rechthebbende heeft verzocht: te weten opheffen van het bewind. Integendeel, de kantonrechter heeft expliciet in het dictum van de bestreden beschikking opgenomen dat de beslissing op het verzoek tot opheffing van het bewind wordt aangehouden tot na ontvangst van een verslag over - kort gezegd - de zelfredzaamheid van de rechthebbende. Zoals opgenomen onder 5.3.1 van deze beschikking staat tegen een tussenbeschikking geen hoger beroep open anders dan tegelijk met de eindbeschikking, tenzij de rechter anders heeft bepaald.
5.3.3.
Anders dan de rechthebbende heeft gesteld, is niet gebleken dat de advocaat van de rechthebbende aan de kantonrechter heeft gevraagd om tussentijds hoger beroep in te mogen stellen noch heeft de kantonrechter bepaald dat tegen de bestreden beschikking hoger beroep kan worden ingesteld. Het beroep van rechthebbende op de Conclusie d.d. 2 juli 2021 van het Parket bij de Hoge Raad met kenmerk: ECLI:NL:PHR:2021:695 snijdt dan ook geen hout, omdat in die procedure juist wel sprake was van een tussenvonnis waarin was bepaald dat hoger beroep van dat vonnis mocht worden ingesteld. Voor zover de rechthebbende met zijn stelling een beroep doet op de rechtsmiddelenclausule die onder de bestreden beschikking staat, wordt dit beroep verworpen. Volgens vaste jurisprudentie kan een onjuiste rechtsmiddelenclausule of een onjuiste (telefonische) mededeling van een gerecht, nog daargelaten de vraag of hiervan in dezen sprake is, behoudens bijzondere omstandigheden, er niet toe leiden dat de geldende wettelijke bepalingen aan de kant worden gezet. Dit geldt in het bijzonder wanneer een partij wordt bijgestaan door een advocaat, van wie geacht mag worden dat hij of zij voldoende deskundig is en op de hoogte van het procesrecht (zie bijvoorbeeld HR 4 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996: ZC2164 (NJ 1997, 63) en de conclusie van de A-G, HR 26 september 1997, ECLI:NL:HR:1997: ZC2441 (NJ 1998, 7) en HR 27 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4041).
5.3.4.
Gelet op het voorgaande zal het hof de rechthebbende niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek in hoger beroep.
6. De beslissing
Het hof:
verklaart de rechthebbende niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, J.C.E. Ackermans-Wijn en E.M.C. Dumoulin, en is in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.