Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/III:Deel III Positiefrechtelijke analyse
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/III
Deel III Positiefrechtelijke analyse
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS451595:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Opzet analyse
De opzet van de analyse van de verschillende onderwerpen (het positiefrechtelijk gedeelte) is dat eerst de geldende wetgeving wordt behandeld, deze vervolgens – indien relevant – wordt geduid aan de hand van de wetsgeschiedenis en becommentariërende literatuur en ten slotte de jurisprudentie wordt geanalyseerd.1
Per onderwerp is getracht alle voor het geldende recht relevante wetgeving en jurisprudentie mee te nemen waarin het juridische begrip van godsdienst aan de orde is. Daarbij is gebruik gemaakt van de ‘systematische methode’ en de ‘sneeuwbalmethode’. De eerste methode wil zeggen dat naar wetgeving en jurisprudentie is gezocht aan de hand van handboeken, overzichtswerken, artikelsgewijs commentaar, dissertaties, tijdschriftartikelen, annotaties etc. over de godsdienstvrijheid in het algemeen en meer specifiek over bepaalde – afhankelijk van het onderwerp – rechten met een religieus object. Daarnaast is in verschillende digitale zoeksystemen, zoals Kluwer Navigator, Opmaat en Rechtsorde, op basis van relevante zoektermen (termen met een godsdienstige lading, afhankelijk van het onderwerp) naar wetgeving en jurisprudentie gezocht. De tweede methode wil zeggen dat naar wetgeving en jurisprudentie is gezocht door referenties in literatuur, annotaties, jurisprudentie en wetgeving na te gaan. Overigens is de bespreking van rechterlijke uitspraken niet geheel uitputtend. Hiervoor zijn twee redenen. Ten eerste omdat niet alle rechterlijke uitspraken worden gepubliceerd en ten tweede omdat sommige uitspraken bewust niet in de beschouwing zijn meegenomen. Het gaat dan om een klein aantal uitspraken waarin de wijze waarop het begrip ‘godsdienst’ werd uitgelegd vrijwel identiek was aan wel besproken uitspraken. Mijns inziens bestaat er geen noodzaak om alle uitspraken mee te nemen in het onderzoek. Gezien de precedentenwerking in de rechtspraak zijn immers vooral de ‘landmark cases’ van belang. Deze bepalen, samen met de veranderingen in wetgeving, de ontwikkeling van de rechtsorde.2
Ten slotte is de selectie van wetgeving en jurisprudentie enigszins afgebakend door de tijd. Zoals reeds is opgemerkt concentreert het onderzoek zich op het geldende recht. Het onderzoek richt zich daarmee op een actueel juridisch begrip van godsdienst. Bij sommige onderwerpen is echter wel ingegaan op de geschiedenis van een rechtsobject met een religieuze lading. In die gevallen is ook wat oudere wetgeving en jurisprudentie betrokken. Dit is alleen gedaan wanneer het nodig was om meer inzicht te krijgen in het huidige juridische begrip van godsdienst.
De analyse per onderwerp begint met het lokaliseren van de plaats binnen het juridische ‘systeem’ waar de uitleg van het begrip godsdienst plaatsheeft. Vervolgens concentreert de analyse zich op de vraag of er sprake is van een objectiverende, subjectiverende of autonome uitleg en welke motieven of beweegredenen hierachter schuil gaan. Tot slot is nagegaan of deze duiding kan worden geassocieerd met de genoemde politiek-filosofische ideaaltypen.
Per onderwerp komen (veelal) impliciet de volgende vragen aan de orde:
Wat is binnen de juridische systematiek van het betreffende onderwerp het begrip van godsdienst?
Komt men tot dit begrip van godsdienst door een objectiverende, subjectiverende of autonome uitleg en waaruit blijkt dit?
Is er een legitimatie voor deze duiding?
Met welk politiek-filosofisch ideaaltype kunnen we deze legitimatie associëren?
Per onderwerp wordt in de slotparagraaf expliciet een conclusie getrokken naar aanleiding van de twee subonderzoeksvragen:
Wat is het juridische begrip van godsdienst?
Binnen welk politiek-filosofisch kader kan het juridische begrip van godsdienst worden geplaatst?
5 Aanvraag verblijfsvergunning asiel6 Rituele slacht7 Kleding en omgangsvormen als uiting van godsdienst8 De eedsaflegging9 Verbod op godslastering10 De beledigings- en discriminatiedelicten11 Beledigende uitlatingen ingegeven door een godsdienstige overtuiging12 Psychische overmacht vanwege een godsdienstige overtuiging13 Het kerkgenootschap14 Inrichtingsvrijheid van het kerkgenootschap15 ANBI-status16 De eredienstvrijstelling voor de onroerendezaakbelasting (OZB)17 Openbaar onderwijs18 Bijzonder onderwijs19 De inrichtingsvrijheid van het bijzonder onderwijs