Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VII.1
VII.1 Inleiding
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS377326:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser-Maeijer 2-111 (2000), nr. 450. Zie in dit verband HR 9 juli 1990, NJ 1991, 51 m.nt. Ma (Sluis), waarin de Hoge Raad in ro. 3.3 stelde dat van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen sprake kan zijn indien de vennootschap geen of (in verhouding tot de winst) slechts gering dividend uitkeert, zonder dat het vennootschappelijk belang dit rechtvaardigt. In zijn noot (sub 4) wees Maeijer voor een geval 'als hier aan de orde' op de mogelijkheid van art. 2:343 BW voor de minderheidsaandeelhouder.
Aldus ook Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 9.
Zie ook Losbl. Rp. (Roest), Titel 8, afd. 1, § 3, aant. 4; en Losbl. Rp. (Schutte-Veenstra), art. 201, aant. 7.
Zie ook Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 723.
Zie over ruziesplitsing ook Asser-Maeijer 2-111 (2000), nr. 583g; en Van Solinge (2000).
In de praktijk laten ruziënde aandeelhouders de geschillenregeling van titel 8 boek 2 BW links liggen. Voor de impopulariteit van de uitstotings- en uittredingsprocedure zijn diverse oorzaken aan te wijzen (zie de vorige hoofdstukken). Om uit de vennootschappelijke impasse te geraken, moeten de partijen dus op zoek naar alternatieven.
De vernietiging van besluiten (art. 2:15 BW) door de rechtbank biedt nauwelijks uitkomst. Bij een impasse in de vergadering komen de aandeelhouders juist niet tot besluitvorming. Er zijn dan geen te vernietigen besluiten. Een door een grootaandeelhouder gedicteerde aandeelhoudersvergadering kan besluiten nemen waarbij het belang van de minderheidsaandeelhouder genegeerd wordt. Indien de laatste meent dat het besluit tot winstreservering neerkomt op 'zijn uithongering', kan hij de vordering van art. 2:15 BW instellen. Het besluit is mogelijk in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en dus vatbaar voor vernietiging.1 Het keer op keer vernietigen van dergelijke besluiten is echter ook geen oplossing.2 Het rechtsmiddel van art. 2:15 BW is een incidentele ingreep. Bij voortdurende geschillen tussen aandeelhouders geeft de vernietiging van besluiten geen definitief en bevredigend antwoord.
In de uitkoopprocedure (art. 2:92a/201a BW) is de gedwongen overdracht van de aandelen het te bereiken doel. De gelijkenis met de geschillenregeling, en in het bijzonder met de uitstoting van art. 2:336 BW, dringt zich op. Er is in beide procedures sprake van waardering van aandelen tegen een bepaalde datum. Het is dezelfde rechter (de OK) die de vordering beoordeelt, al komt hij bij de geschillen-regeling eerst in hoger beroep in actie. Het karakter van de uitkoopprocedure is echter totaal verschillend van dat van de geschillenregeling.3 Bij de uitkoopprocedure heeft de meerderheidsaandeelhouder die minimaal 95% houdt in beginsel het recht om de minderheid uit te kopen. Van een belangenafweging is geen sprake, de enkele aanwezigheid van een kleine minderheid is voldoende om de vordering toe te wijzen. Het gedrag van de aandeelhouders doet — anders dan bij de uitstoting — niet ter zake. De grond voor een uitkoopvordering of een uitstootvordering is dus niet hetzelfde. In de praktijk vindt de uitkoop overigens vaak plaats bij openbare NV's, na een openbaar bod. Op dergelijke vennootschappen is de geschillenregeling niet van toepassing (art. 2:335 BW). Een alternatief voor de geschillenregeling is de procedure van art. 2:92a/201a BW dus niet.
De regeling van de overdracht na een verplicht openbaar bod (art. 2:359c en 2:359d BW) is evenmin een alternatief. De vennootschappen waarop de uitkoop van art. 2:359c BW en het verkooprecht van art. 2:359d BW betrekking hebben, zijn niet de besloten vennootschappen ex art. 2:335 BW waar de geschillenregeling voor geschreven is. De minderheidsaandeelhouder die niet inging op het bod, kan in een benarde positie geraken en heeft op grond van art. 2:359d BW een 'preventief uittreedrecht'. Deze uittreding moet de rechter toewijzen indien de objectief bepaalbare omstandigheden van lid 1 zich voordoen. Van een schadelijke gedraging behoeft geen sprake te zijn.4
Het uiteengaan van aandeelhouders wordt ook bewerkstelligd met een zuivere splitsing waarbij de aandeelhouders enkel aandelen nemen in verschillende verkrijgende rechtspersonen. Deze 'ruziesplitsing' van art. 2:334cc BW is specifiek geschreven voor ruziënde aandeelhouders.5 Aan de geschillen komt een definitief einde met deze splitsingsfaciliteit. Voor de effectuering van een ruziesplitsing is wel besluitvorming met een versterkte meerderheid vereist. Lid 1 sub d van art. 2:334cc BW vereist dat drie vierden van de uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin 95% van het geplaatste kapitaal is vertegenwoordigd, voor de splitsing moeten zijn. De voorwaarden voor het op deze wijze opknippen van het bedrijf staan in het splitsingsvoorstel en de toelichting. De ruziënde aandeelhouders moeten het dus wel eens zijn over de verdeling. Gezien de hoge besluitvormingsdrempel is immers van het 'doordrukken' van een ruziesplitsing geen sprake. In de praktijk betekent dit dat de aandeelhouders die het er over eens zijn dat zij niet langer kunnen samenwerken, het hoofd koel dienen te houden om de vennootschap met een ruziesplitsing te verdelen. Lukt dit niet, dan is het toch de langdurige uitstotings- of uittredingsprocedure waarmee de scheiding bereikt moet worden.
De aandeelhouders kunnen in een eigen regeling ook voorzien in de oplossing van tussen hen rijzende geschillen. Zo'n eigen regeling gaat ex art. 2:337 BW voor op de toepassing van de wettelijke geschillenregeling. Ik bespreek de primaire positie van de eigen regeling in § VII.2. In het bijzonder ga ik in op de mogelijkheid om in arbitrage de aandelenoverdracht te bewerkstelligen.
In de praktijk kiezen de aandeelhouders vaak voor een enquêteprocedure om de impasse en de verstoorde verhouding te beëindigen. Veel enquêtezaken zijn `verkapte geschillenregelingzaken'. De verhouding met deze wél populaire procedure van titel 8 van boek 2 BW verdient daarom aandacht. In § VII.3 onderzoek ik onder meer de samenloop van beide procedures. Ik beantwoord de vraag of de geschillenregeling en de enquêteprocedure niet beter in elkaar geschoven kunnen worden. Ook een kort geding kan uitkomst bieden voor geschillen tussen aandeelhouders. Onder bijzondere omstandigheden is de gedwongen overdracht van aandelen bij wijze van voorlopige voorziening geoorloofd. De toepassing van de geschillenregeling in kort geding komt in § VII.5 aan de orde.
Naast deze alternatieven is ook samenloop met een andere procedure mogelijk. De geschillenregeling staat niet op zichzelf. De feiten die tot de uitstotings- of uittredingsvordering leiden, geven vaak tevens grond aan een schadevergoedingsvordering. Vooral bij uittreding doet zich de pijn gevoelen van de waardevermindering van de aandelen door het gedrag van de aandeelhouder. Het instellen van twee vorderingen is dan nodig: de aandeelhouder wil uittreden en een vergoeding ontvangen voor de onrechtmatige gedragingen die hem schade hebben berokkend. Deze connexiteit leidt onder meer tot diverse procesrechtelijke problemen. Het feit dat de schade van de aandeelhouder kan bestaan uit afgeleide schade, staat toewijzing van de vordering in de weg. In § VII.4 bespreek ik de problemen die voortvloeien uit de samenhang met een schadevergoedingsvordering. Ik sluit af met een synthese.