Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/2.2
2.2 Inleiding totaalwinst
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630580:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 3.8 Wet IB 2001 is via artikel 8 Wet Vpb 1969 ook van toepassing op lichamen die zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting.
Bouwman merkt terecht op dat de Hoge Raad de afgelopen 100 jaar een forse prestatie heeft verricht door het begrip ‘totale winst’ verder in te vullen. Bouwman 2016.
Kamerstukken I, 22 december 2009, nr. 14-499, pagina 489.
L.G.M. Stevens 2014.
De Commissie totaalwinst is van mening dat de primaire functie van het totaalwinstbeginsel is een onderscheid te maken tussen hetgeen tot de winstsfeer hoort en wat niet. De Commissie is voorts van mening dat die kwestie voor lichamen van beperkte betekenis is, gelet op artikel 2, vijfde lid Wet Vpb 1969. Mijns inziens vloeit uit deze primaire functie voort dat het totaalwinstbeginsel bepaalt of de winst is verkregen uit een onderneming. Aangezien het totaalwinstbeginsel ook de kwantitatieve vraag beantwoordt, is het totaalwinstbeginsel mijns inziens niet van beperkte betekenis voor de lichamen waarop artikel 2, lid 5 Wet 1969 van toepassing is. Commissie totaalwinst, pagina 5.
HR 17 februari 1993, nr. 28 260, BNB 1994/163: ‘Ook het bepaalde in artikel 2, lid 4, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 leidt niet tot de door het middel daaraan verbonden gevolgtrekking dat het in Ierland geleden verlies deel uitmaakt van de voor de heffing van de vennootschapsbelasting in aanmerking te nemen winst. Weliswaar dient belanghebbende, nu zij is opgericht naar Nederlands recht, ingevolge deze bepaling als binnenlandse belastingplichtige te worden aangemerkt, doch dit brengt niet mee dat voordelen die ingevolge een verdragsbepalingslechts door een andere mogendheid mogen worden belast, tot de – in Nederland te belasten – winst worden gerekend.’
Artikel 3.25 Wet IB 2001.
Grapperhaus 1978 en Grapperhaus 1979.
Hofstra is één van de tegenstanders van deze stelling. Volgens Hofstra is er geen relatie tussen het totaalwinstbegrip en verliescompensatie te onderkennen, met name ten aanzien van de vennootschapsbelasting. Het recht op onbeperkte verliescompensatie wijst Hofstra af op grond van een meer algemeen rechtsbeginsel: verjaring. Hofstra is van mening dat op enig ogenblik het verleden moet worden afgesloten, op soortgelijke wijze als dat bijvoorbeeld ook in het strafrecht geschiedt. Hofstra 1979.
Zie ook Post die een schematisch overzicht geeft van de voor- en tegenstanders van onbeperkt verliescompensatie.
Met ingang van 1 januari 2022 zullen verliezen (weer) onbeperkt verrekenbaar zijn. Dit geldt ook voor verliezen van voor 31 december 2021, maar die nog niet zijn verrekend. Vanaf die periode ontstaat kan dus geeen verliesverdamping meer optreden. De totaalwinst van een onderneming hoeft echter nog steeds niet gelijk te zijn aan de som van de jaarwinsten, omdat verliezen van voor de genoemde periode al kunnen zijn verdampt.
Het totaalwinstbeginsel vinden wij reeds in de Wet Belastingen op bedrijfs- en andere inkomsten uit 1893. In artikel 3 van deze wet was bepaald dat winst de som is van al hetgeen in geld of geldwaarde wordt genoten uit bedrijf of onderneming. Hoewel de wettekst in de loop van de jaren is aangepast, heeft er geen materiële verandering van het totaalwinstbeginsel plaatsgehad. Oude jurisprudentie omtrent het totaalwinstbeginsel is nog steeds van belang, maar dient wel geïnterpreteerd te worden binnen de huidige tijdgeest. De huidige tijdgeest, die een andere mentaliteit met zich meebrengt, kan de doelstelling van de wet langzaam wijzigen (evolutieve interpretatie). Het totaalwinstbeginsel dient daarom geïnterpreteerd te worden binnen de huidige doelstelling van de Wet IB 2001 en Wet Vpb 1969.
Winst uit een onderneming is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming.1 De invulling van het totaalwinstbeginsel heeft de wetgever overgelaten aan de Hoge Raad.2 Het totaalwinstbeginsel regelt welke voordelen aan de objectieve onderneming toerekenbaar zijn. Op basis van het totaalwinstbeginsel wordt de draagkrachtaanwas van de onderneming bepaald en daarmee de belastingbijdrage. Het belang van het totaalwinstbeginsel blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de totaalwinstbepaling al sinds 1893 in de fiscale wetgeving is opgenomen en relatief weinig inhoudelijke wijzigingen heeft ondergaan. Tijdens de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2010 is nogmaals het belang van het totaalwinstbeginsel benadrukt:3
‘Niet meer, maar ook niet minder dan de door een onderneming behaalde totaalwinst dient uiteindelijk in de heffing te worden betrokken. Hieruit vloeit voort dat het verloren gaan van verliesverrekeningsmogelijkheden zoveel mogelijk moet worden vermeden.’
De totaalwinstbepaling heeft volgens HR 2 april 1947, B. 8335 twee functies, namelijk een kwantitatieve en een kwalitatieve functie. De kwantitatieve vraag betreft de vaststelling van de omvang van de winst. De omvang is afhankelijk van de keuze van het voor de belastingheffing meest adequate winstbegrip (het totale winstbegrip). De kwalitatieve vraag betreft de beslissing welke voordelen in beginsel bij de berekening van de winst in aanmerking moeten worden genomen. Hierbij gaat het om de vraag of de voordelen toerekenbaar zijn aan de onderneming of niet.45
Binnenlandse belastingplichtigen worden voor hun wereldinkomen in de Nederlandse belastingheffing betrokken. De wereldwinst van een onderneming is het inkomen van de belastingplichtige waar ook ter wereld verdiend en omvat daardoor zowel de binnenlandse als de buitenlandse inkomsten. De wereldwinst wordt bepaald door de Nederlandse fiscale regels toe te passen op de wereldwijde activiteiten van de belastingplichtige. Uiteraard kunnen belastingverdragen het Nederlandse heffingsrecht beperken. Bovendien volgt uit het zogenoemde Ierland II arrest dat vennootschappen met een dubbele vestigingsplaats beperkt belastingplichtig in Nederland zijn, voorzover het verdrag het heffingsrecht aan Nederland toewijst.6
De totaalwinst moet op basis van de regels van goed koopmansgebruik worden toegerekend aan de jaren (jaarwinstbepaling). Dit geschiedt met inachtneming van een bestendige gedragslijn die onafhankelijk is van de vermoedelijke uitkomst.7 Ook goed koopmansgebruik is niet nader in de wet gedefinieerd, maar in de jurisprudentie tot ontwikkeling gekomen. Behoudens in het geval van verliesverdamping is de totaalwinst in beginsel gelijk aan de som van de jaarwinsten. Een beperking van de mogelijkheden om de verliezen te verrekenen is een inbreuk op het totaalwinstbeginsel. Mijns inziens worden daarom in de literatuur terecht deze steeds verdere beperkingen bekritiseerd.891011