Op zoek naar de heilige graal
Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/4.3.4:4.3.4 Niet absoluut
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/4.3.4
4.3.4 Niet absoluut
Documentgegevens:
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633565:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nationale grondrechten zijn niet absoluut in de zin dat ze altijd zouden prevaleren boven andere waarden en rechtsregels maar ze zijn afhankelijk van de in Nederlandse samenleving bestaande behoeften en heersende overtuigingen.1 Daarom zijn grondrechten – net als alle geschreven recht – onderworpen aan het proces van interpretatie, rechtsvinding en rechtsvorming, dat zich kenmerkt door een voortdurende wisselwerking tussen de behoeften van de samenleving en de inhoud van de grondrechtelijke norm.2
Ook gelden voor grondrechten beperkingsclausules. Volgens het legaliteitsbeginsel moet de bevoegdheid tot die beperking op de Grondwet zijn terug te voeren. De grondrechten kunnen slechts beperkt worden volgens de in de Grondwet vermelde voorwaarden.
Een belangrijke beperking in de Nederlandse grondwet is de uitdrukking ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’ (o.a. in artikel 6, 7 en 9 GW). Deze beperkingsclausule houdt in dat (a) alleen de formele wetgever bevoegd is de uitoefening van het grondrecht aan beperkingen te onderwerpen; delegatie is niet toegestaan en (b) de wetgever bij het gebruik maken van deze beperkingsbevoegdheid ervoor zorg moet dragen dat in het concrete geval een rechtsgang naar een rechterlijk orgaan openstaat. Het begrip ‘rechterlijk orgaan’ verwijst hier niet alleen naar de gewone rechter, maar naar elk onafhankelijk rechtsprekend orgaan, zoals de administratieve rechter, sommige tuchtrechters en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.3 De wetgever mag zijn grondwettelijk verleende beperkingsbevoegdheid alleen aan andere organen overdragen (delegeren) wanneer in het grondrechtartikel een vorm van het werkwoord ‘regelen’, de zelfstandige naamwoorden ‘regels’ en ‘regeling’, of de term ‘bij of krachtens’ voorkomen.4
Naast deze competentievoorschriften spelen doelcriteria een belangrijke rol bij de beperking van grondrechten. Volgens deze beperkingsmethode moet de beperking op het grondrecht bepaalde expliciet in het grondwetsartikel vermelde doelen dienen, zoals in het belang van de openbare orde (art. 8 GW). Ook in de mensenrechten komen doelcriteria voor. Zo bevatten de artikelen 8-11 EVRM een aantal beleidsdoeleinden (doelcriteria) die een inbreuk op het mensenrecht rechtvaardigen. Voorbeelden van deze doelcriteria zijn: het belang van de openbare veiligheid, de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.5
Het EVRM stelt extra eisen aan de beperkingen. Ze moeten beantwoorden aan een dringende maatschappelijke behoefte en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Dit impliceert dat ze moeten voldoen aan het proportionaliteits- en het subsidiariteitsvereiste. Ook moeten de beperkende voorschriften voldoende concreet en voorzienbaar zijn voor de betrokkenen. Tot slot moeten de onderbouwende argumenten voor de beperking voldoende relevant en voldoende zwaarwegend zijn.6