Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/304
304 Nuttig bij doelgebonden bevoegdheid
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS459534:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
In HR 1 februari 1963, NJ 1964, 157, m.nt. J.H. Beekhuis (Roos/Escomptobank) aanvaardde de Hoge Raad impliciet het doelcriterium.
Rodenburg 1985, p. 39; Lindijer 2006, nr. 550; Schrage 2012, p. 19. Lindijer 2006, nr. 549 geeft aan dat misbruik op grond van het doelcriterium in het procesrecht een substantiëlere rol kan spelen dan in het vermogensrecht, omdat bevoegdheden in het procesrecht doorgaans doelgebonden zijn, terwijl doelgebonden bevoegdheden in het vermogensrecht zeldzaam zijn.
Lindijer 2006, nr. 543.
Conclusie A-G Langemeijer voor HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2388 (Multi-Terminals Waalhaven/FNV); Van der Kwaak 2002, p. 582; Lindijer 2006, nr. 549.
Het doelcriterium houdt in dat misbruik moet worden aangenomen als de bevoegdheid wordt uitgeoefend met een ander doel dan waarvoor zij is verleend (art. 3:13 lid 2 BW).1 Centraal staat het doel van de bevoegdheid en dit criterium is dan ook alleen bruikbaar als een bevoegdheid een duidelijk doel heeft.2 Immers, alleen als vaststaat wat het specifieke doel is van een bevoegdheid, kan ook worden vastgesteld wanneer de bevoegdheid wordt gebruikt voor een ander dan dat vastgestelde doel. Hoe duidelijker het doel van de bevoegdheid is, hoe scherper de grenzen van de bevoegdheid zijn, waardoor een overschrijding van de bevoegdheidsgrenzen eenvoudiger valt te signaleren.3 Bij de toetsing aan het doelcriterium is geen plaats voor een belangenafweging.4