De verklaring voor recht
Einde inhoudsopgave
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/69:69 Verschillende vergelijkbare vorderingen tussen dezelfde partijen
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/69
69 Verschillende vergelijkbare vorderingen tussen dezelfde partijen
Documentgegevens:
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens, datum 23-03-2015
- Datum
23-03-2015
- Auteur
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens
- JCDI
JCDI:ADS394685:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervoor, nr. 64.
Zie hiervoor, nr. 36.
Zie hiervoor, nr. 65.
Zie over de keuze voor een vordering en de partijautonomie Snijders, Klaassen & Meijer 2011, nr. 43, 44 en 48(d). Zie ook Meier 2010, p. 213.
Zie HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:760 (AIG/X).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor kwam aan de orde dat de selbtständige Feststellungsklage toelaatbaar is als het instellen van de vordering leidt tot prozesswirtschaflich sinnvollen und sachgemäßen Erlediging der Streitpunkte.1 Uit rechtspraak van het Bundesgerichtshof blijkt dat daarvan sprake is als te verwachten is dat de gedaagde vrijwillig de prestatie zal verrichten waarop de verklaring voor recht betrekking heeft.2 In dat geval is het volgens het Bundesgerichtshof uit proceseconomisch opzicht om het even of de eiser een verklaring voor recht vordert dat de gedaagde is gehouden tot een bepaalde prestatie of dat de eiser veroordeling tot die prestatie vordert. Ook in Nederland wordt de verklaring voor recht in verband gebracht met de proceseconomie. In hoofdstuk 3 kwam aan de orde dat onduidelijk is of uit HR 27 februari 1998, NJ 1998, 764 (Europeesche/Ohra) volgt dat de verklaring voor recht een proceseconomisch voordeel moet opleveren ten opzichte van de vordering die strekt tot veroordeling tot prestatie of dat de vordering al toelaatbaar is als de verklaring voor recht geen proceseconomisch nadeel oplevert ten opzichte van het alternatief.3 Het Bundesgerichtshof lijkt dat laatste al voldoende te vinden.4 Tegen de regel dat de eiser mag kiezen welke vordering hij instelt als het in proceseconomisch opzicht om het even is welke vordering hij instelt, verzet zich mijns inziens niets.5 Maar de eiser dient er wel rekening mee te houden dat als hij een verklaring voor recht vordert, hij moet bewijzen (of aannemelijk maken) dat hij voldoende belang heeft bij de vordering, tenzij de vorderingen betrekking hebben op aansprakelijkheid voor schade.6 Dat hoeft hij niet te doen als hij een veroordeling tot prestatie vordert. De kosten die met het bewijzen (of aannemelijk maken) van voldoende belang zijn gemoeid, dienen ook te worden meegenomen bij het beantwoorden van de vraag of de gevorderde verklaring voor recht daadwerkelijk proceseconomisch even gunstig is als het alternatief.