Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/2.2.5.2
2.2.5.2 Corporate governance
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS607822:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Organisation for Economic Co-operation and Development, ‘OECD Principles of Corporate Governance’, Parijs: OECD 2004.
In Rechtbank Amsterdam 22 mei 2006, nrs. 13/993039-04, 13/993016-03, en 13/993222-04, www.rechtspraak.nl, werd geoordeeld dat de Ahold-top in redelijkheid mocht menen dat het Nederlandse recht haar toestond dat zij haar joint ventures consolideerde, en dat er daarom geen sprake was van een ‘Ahold-boekhoudschandaal’. De Ahold-top had echter wel het vertrouwen dat werknemers, klanten, beleggers, de RvC en de accountant in hen stelden, in ernstige mate geschonden.
In HR 13 juli 2007, Rek.nrs. R07/100HR (OK 135), R07/101HR (OK 136) en R07/102HR (OK 137), www.rechtspraak.nl, is beslist dat ABN AMRO de verkoop van LaSalle mocht doorvoeren zonder raadpleging van de aandeelhouders. Aan de ava komt bij het ontbreken van een wettelijke of statutaire regeling géén goedkeuringsrecht toe op basis van ongeschreven recht, en het bestuur heeft in dit verband geen consultatieplicht.
Arie van der Zwan, ‘Nederland verdedigt zijn nationale belangen slecht’, de Volkskrant 5 mei 2007.
Daan van Lent, ‘Stork is regie over eigen toekomst volledig kwijt’, NRC Handelsblad 17 september 2007.
M.J.G.C. Raaijmakers en J.A. McCahery, Corporate Governance and capital markets, an international perspective, Stichting Maatschappij en Onderneming (SMO) 2000, www.smo.nl.
Het begrip ‘corporate governance’ domineert sinds enkele jaren de berichtgeving over ondernemingen. Als gevolg van boekhoudschandalen bij WorldCom, Enron en Parmalat is de afgelopen tien jaar in maatschappelijk opzicht de aandacht gevestigd op de manier waarop bestuurders verslag doen van de financiële resultaten van de vennootschap, het verband met beloningen van bestuurders in aandelen en aandelenoptierechten, het toezicht daarop door de RvC, en de rol van de accountant bij de controle van de jaarrekening. In de Verenigde Staten is in dit verband in 2002 de Sarbanes-Oxley-wetgeving (SOx) ingevoerd. Dit is strenge wetgeving op het gebied van corporate governance, met zware straffen voor overtreders. In Nederland is geen wetgeving ingevoerd, maar zijn er aanbevelingen gedaan, die ertoe hebben geleid dat op 1 januari 2004 de Tabaksblat Code in werking is getreden.
In internationaal verband heeft de OESO aandacht besteed aan corporate governance. In de ‘OECD Principles of Corporate Governance’ zijn niet-verbindende ‘standards’ en ‘good practices’ opgenomen, met de bedoeling om regeringen te assisteren bij de evaluatie en verbetering van hun ‘corporate governance’-raamwerk.1 In EUverband heeft de Commissie Winter (2002) aanbevolen om geen Europese ‘corpora-te governance’ code te verordonneren, maar om de aandacht te richten op de coördinatie van de verschillende codes die de lidstaten hebben geïmplementeerd.
Juist in de periode dat corporate governance in Nederland meer aandacht kreeg, openbaarden zich in 2005 schandalen bij Ahold. In eerste instantie leek sprake van een boekhoudschandaal, maar uiteindelijk ging het om corporate governance.2 Ook de problemen die ABN AMRO in 2007 ondervond ten aanzien van de voorgenomen fusie met Barclays kunnen worden samengevat als een corporate governance kwestie.3 De discussie over de verkoop van dochtervennootschap LaSalle aan Bank of America laat zien dat de macht van de aandeelhouders wellicht is doorgeschoten.4
Bij Stork ontstond in 2006 en 2007 een vergelijkbare situatie. Als gevolg van een overnamestrijd tussen het IJslandse LME Eignarhaldsfélag ehf (LME) en het Britse Candover werd Stork speelbal van aandeelhouders met verschillende belangen.5 Uiteindelijk kozen de aandeelhouders begin 2008 voor een overname door Candover.
Door de uitwerking in wetgeving en codes wordt corporate governance vaak als onderdeel van het ondernemingsrecht beschouwd. Slagter (2005) merkt naar mijn mening echter terecht op dat het in de eerste plaats een intern-organisatorisch vraagstuk is, meer dan juridisch. De oorsprong van het vraagstuk ligt in de bedrijfseconomie, en met name in de agentschaptheorie. In paragraaf 2.2.3 is met betrekking tot deze theorie beschreven dat de nadelige gevolgen van het opportunistisch handelen van de principaal en de agent kunnen worden beheerst door middel van systemen van ‘incentives’, ‘monitoring’ en ‘bonding’. In de literatuur over corporate governance komen deze systemen terug. Raaijmakers en McCahery spreken bijvoorbeeld van verbetering van toezicht (‘monitoring’), openheid door het management (‘bonding’) en openbaarmaking van vennootschappelijke gegevens (‘disclosure’).6 Voorts onderscheiden zij ‘allignment’, waarmee volgens hen de belangen van bestuurders en beleggers congruent worden gemaakt door de eis dat bestuurders tevens aandeelhouder dienen te zijn en door het toekennen van aandelenoptierechten.
Overigens komt corporate governance ook tot uitdrukking in het jaarverslag. In dit verband wijzen Raaijmakers en McCahery op de ontwikkeling van het vakgebied ‘law and economics’ in de Verenigde Staten. Corporate governance heeft dus raakvlakken met de bedrijfseconomie, het ondernemingsrecht en het jaarrekeningen-recht. Om die reden besteed ik in hoofdstuk 3 en 4, bij de beschrijving van verbondenheid in het ondernemingsrecht en het jaarrekeningenrecht, ook aandacht aan het verschijnsel.