Procestaal: Portugees.
HvJ EU, 28-11-2013, nr. C-309/12
ECLI:EU:C:2013:774
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
28-11-2013
- Magistraten
T.von Danwitz, E.Juhász, A.Rosas, D.Šváby, C.Vajda
- Zaaknummer
C-309/12
- Roepnaam
Gomes Viana Novo
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2013:774, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 28‑11‑2013
Uitspraak 28‑11‑2013
T.von Danwitz, E.Juhász, A.Rosas, D.Šváby, C.Vajda
Partij(en)
In zaak C-309/12, *
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Tribunal Central Administrativo Norte (Portugal) bij beslissing van 30 maart 2012, ingekomen bij het Hof op 27 juni 2012, in de procedure
Maria Albertina Gomes Viana Novo,
Ezequiel Martins Dias,
Gabriel Inácio da Silva Fontes,
Marcelino Jorge dos Santos Simões,
Manuel Dourado Eusébio,
Alberto Martins Mineiro,
Armindo Gomes de Faria,
José Fontes Cambas,
Alberto Martins do Alto,
José Manuel Silva Correia,
Marilde Marisa Moreira Marques Moita,
José Rodrigues Salgado Almeida,
Carlos Manuel Sousa Oliveira,
Manuel da Costa Moreira,
Paulo da Costa Moreira,
José Manuel Serra da Fonseca,
Ademar Daniel Lourenço Dias,
Ana Mafalda Azevedo Martins Ferreira
tegen
Fundo de Garantia Salarial IP,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: T.von Danwitz, kamerpresident, E.Juhász (rapporteur), A.Rosas, D. Šváby en C.Vajda, rechters,
advocaat-generaal: Y. Bot,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 mei 2013,
gelet op de opmerkingen van:
- —
M. A. Gomes Viana Novo e.a., vertegenwoordigd door J. Trocado da Costa, advogado,
- —
het Fundo de Garantia Salarial IP, vertegenwoordigd door J. Pereira, advogada,
- —
de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes en J. Quintela Coelho als gemachtigden,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Möller als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Afonso en J. Enegren als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 juni 2013,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 4 en 10 van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB L 283, blz. 23; hierna: ‘richtlijn 80/987, in de oorspronkelijke versie ervan’), zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/74/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 (PB L 270, blz. 10; hierna: ‘gewijzigde richtlijn 80/987’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen M. A. Gomes Viana Novo en 17 andere personen (hierna gezamenlijk: ‘Gomes Viana Novo e.a.’), enerzijds, en het Fundo de Garantia Salarial IP (loonwaarborgfonds; hierna: ‘FGS’), anderzijds, over de dekking door dit fonds van loonaanspraken van verzoekers in het hoofdgeding jegens hun voormalige werkgever, die in staat van insolventie verkeert.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Artikel 3 van richtlijn 80/987, in de oorspronkelijke versie ervan, luidde:
- ‘1.
De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat waarborgfondsen onder voorbehoud van artikel 4 de onvervulde aanspraken van de werknemers honoreren die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen en die betrekking hebben op het loon over de vóór een bepaalde datum vallende periode.
- 2.
De in lid 1 bedoelde datum is naar keuze van de lidstaten
- —
hetzij die van het intreden van de insolventie van de werkgever,
- —
hetzij die van de aanzegging van het ontslag van de betrokken werknemer wegens insolventie van de werkgever,
- —
hetzij die van het intreden van de insolventie van de werkgever of die van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding van de betrokken werknemer wegens insolventie van de werkgever.’
4
Artikel 4 van richtlijn 80/987, in de oorspronkelijke versie ervan, luidde:
- ‘1.
De lidstaten hebben de bevoegdheid om de in artikel 3 bedoelde betalingsverplichting van de waarborgfondsen te beperken.
- 2.
Indien de lidstaten van de in lid 1 bedoelde bevoegdheid gebruikmaken, moeten zij er voor zorgen dat
- —
in het in artikel 3, lid 2, eerste streepje, bedoelde geval de onvervulde aanspraken worden gehonoreerd die betrekking hebben op het loon over de laatste drie maanden van de arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding binnen een periode van zes maanden vóór de datum van het intreden van de insolventie van de werkgever;
- —
in het in artikel 3, lid 2, tweede streepje, bedoelde geval de onvervulde aanspraken worden gehonoreerd die betrekking hebben op het loon over de laatste drie maanden van de arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding vóór de datum van de aanzegging van het ontslag van de werknemer wegens insolventie van de werkgever;
- —
in het in artikel 3, lid 2, derde streepje, bedoelde geval de onvervulde aanspraken worden gehonoreerd die betrekking hebben op het loon over de laatste achttien maanden van de arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding vóór de datum van het intreden van de insolventie van de werkgever of vóór de datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding van de werknemer wegens insolventie van de werkgever. In dit geval kunnen de lidstaten de betalingsverplichting beperken tot het loon over een periode van acht weken, of over perioden die in totaal een periode van acht weken bedragen.’
5
De artikelen 3 en 4 van richtlijn 80/987, in de oorspronkelijke versie ervan, zijn gewijzigd bij richtlijn 2002/74. Volgens artikel 2, lid 1, van laatstgenoemde richtlijn doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 8 oktober 2005 aan deze richtlijn te voldoen en passen zij die bepalingen toe op iedere staat van insolventie van een werkgever die na de datum van inwerkingtreding van die bepalingen intreedt.
6
Richtlijn 2008/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB L 283, blz. 36) heeft de gewijzigde richtlijn 80/987 gecodificeerd en ingetrokken. Gelet op de datum van het intreden van de insolventie van de werkgever van Gomes Viana Novo e.a., moet echter laatstgenoemde richtlijn worden toegepast.
7
Artikel 3 van de gewijzigde richtlijn 80/987 luidt:
‘De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat waarborgfondsen onder voorbehoud van artikel 4 de onvervulde aanspraken van de werknemers honoreren die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen, met inbegrip van de vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsverhouding, indien de nationale wetgeving hierin voorziet.
De aanspraken die het waarborgfonds honoreert, betreffen de onbetaalde lonen over een periode vóór en/of, in voorkomend geval, na een door de lidstaten vastgestelde datum.’
8
Artikel 4 van die richtlijn luidt:
- ‘1.
De lidstaten hebben de bevoegdheid om de in artikel 3 bedoelde betalingsverplichting van de waarborgfondsen te beperken.
- 2.
Indien de lidstaten van de in lid 1 bedoelde bevoegdheid gebruikmaken, stellen zij de periode vast waarover het waarborgfonds de onvervulde aanspraken honoreert. Deze periode mag echter niet korter zijn dan een periode die betrekking heeft op de bezoldiging over de laatste drie maanden van de arbeidsbetrekking vóór en/of na de in artikel 3 bedoelde datum. De lidstaten kunnen bepalen dat deze minimumperiode van drie maanden binnen een referentieperiode van ten minste zes maanden dient te vallen.
De lidstaten met een referentieperiode van ten minste achttien maanden kunnen de periode waarvoor het waarborgfonds de onvervulde aanspraken honoreert, tot acht weken beperken. In dit geval wordt de minimumperiode berekend op basis van de voor de werknemer meest gunstige perioden.
- 3.
De lidstaten kunnen bovendien plafonds vaststellen voor de betalingen door het waarborgfonds. Deze plafonds mogen evenwel niet lager zijn dan een minimum dat sociaal verenigbaar is met het sociale doel van deze richtlijn.
Indien de lidstaten van deze bevoegdheid gebruikmaken, delen zij aan de Commissie mee welke methoden zij hanteren om het plafond vast te stellen.’
Portugees recht
9
Artikel 380 van wet 99/2003 van 27 augustus 2003 inzake de vaststelling van het wetboek van arbeid, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, getiteld ‘Betalingswaarborg’, bepaalt:
‘Het [FGS] waarborgt, overeenkomstig de voorschriften van de bijzondere wetgeving, de betaling van uit arbeidsovereenkomsten en de niet-nakoming of beëindiging ervan voortvloeiende aanspraken van werknemers die de werkgever niet kan voldoen wegens insolventie of ten gevolge van een moeilijke economische situatie.’
10
Bij wet 35/2004 van 29 juli 2004 is het kader voor het FGS vastgesteld. Ingevolge artikel 317 van die wet waarborgt dat fonds, ‘overeenkomstig de volgende artikelen, de betaling van uit arbeidsovereenkomsten en de niet-nakoming of beëindiging ervan voortvloeiende aanspraken van werknemers wanneer de werkgever deze aanspraken niet heeft voldaan’.
11
Artikel 318 van die wet, dat de onder de waarborg vallende situaties bepaalt, luidt:
- ‘1.
Het [FGS] waarborgt de betaling van de in het vorige artikel bedoelde aanspraken in de gevallen waarin de werkgever gerechtelijk insolvent is verklaard.
- 2.
Het [FGS] waarborgt eveneens de betaling van de in het vorige lid bedoelde aanspraken, wanneer de in wetsdecreet nr. 316/98 van 20 oktober 1998 bedoelde verzoeningsprocedure is ingeleid.
- 3.
Onverminderd het bepaalde in het vorige lid moet het [FGS] verzoeken om de gerechtelijke insolventverklaring van de onderneming wanneer de verzoeningsprocedure ten gevolge van de afwijzing of beëindiging ervan in de zin van de artikelen 4 en 9 van wetsdecreet nr. 316/98 van 20 oktober 1998 niet wordt voortgezet en de werknemers van de onderneming om voldoening van de door het [FGS] gewaarborgde aanspraken hebben verzocht.
- 4.
Ten behoeve van de toepassing van het bepaalde in de vorige leden wordt het [FGS], wanneer de betrokken ondernemingen werknemers in dienst hebben, in kennis gesteld:
- a)
door de rechterlijke instanties van het verzoek tot inleiding van de bijzondere insolventieprocedure en de overeenkomstige insolventverklaring;
- b)
door het Instituto de Apoio às Pequenas e Médias Empresas e ao Investimento (IAPMEI) van het verzoek tot inleiding van de verzoeningsprocedure en de afwijzing of beëindiging ervan.’
12
Artikel 319 van die wet beschrijft de gewaarborgde aanspraken als volgt:
- ‘1.
Het [FGS] waarborgt de betaling van de in artikel 317 bedoelde aanspraken die opeisbaar zijn geworden in de zes maanden vóór de datum van indiening van de vordering of van het in het vorige artikel bedoelde verzoek.
- 2.
Indien er geen aanspraken opeisbaar zijn geworden tijdens de in het vorige lid vermelde referentieperiode of het bedrag ervan lager is dan het in lid 1 van het volgende artikel omschreven plafond, waarborgt het [FGS] de betaling van de na deze referentieperiode opeisbaar geworden aanspraken tot aan dit plafond.
- 3.
Het [FGS] waarborgt enkel de betaling van aanspraken waarvan uiterlijk drie maanden vóór de respectieve verjaring ervan om betaling is verzocht.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
13
Aangezien de werkgever van Gomes Viana Novo e.a. vanaf april 2003 was opgehouden hun hun loon te betalen, hebben zij op 15 september 2003 hun arbeidsovereenkomst opgezegd, zoals de ter zake geldende nationale wettelijke regeling hun daartoe het recht gaf. Op 10 februari 2004 hebben Gomes Viana Novo e.a. bij het Tribunal de Trabalho de Barcelos (arbeidsrechtbank te Barcelos) een vordering ingesteld tot vaststelling van het bedrag van hun loonaanspraken en verkrijging van de gedwongen invordering daarvan. Hun verzoek is ingewilligd.
14
Omdat de goederen die het vermogen van de werkgever vormden, niet toereikend waren om deze loonaanspraken te voldoen, hebben Gomes Viana Novo e.a. op 28 november 2005 een procedure tot insolventverklaring van de werkgever ingesteld bij het Tribunal de Comércio de Vila Nova de Gaia (handelsrechtbank te Vila Nova de Gaia). Nadat de insolventie was vastgesteld, werden de loonaanspraken geregistreerd.
15
Op 26 juli 2006 hebben Gomes Viana Novo e.a. het FGS om honorering van hun aanspraken verzocht. Bij beschikkingen van 21 en 26 december 2006 heeft de president van het FGS deze verzoeken afgewezen op grond dat de betrokken aanspraken meer dan zes maanden vóór de inleiding van de procedure tot insolventverklaring van de werkgever opeisbaar waren geworden, dat wil zeggen vóór de in artikel 319, lid 1, van wet 35/2004 van 29 juli 2004 bedoelde referentieperiode.
16
Bij beslissing van 18 maart 2010 heeft het Tribunal Administrativo e Fiscal do Porto (bestuurs- en belastinggerecht te Porto) het door Gomes Viana Novo e.a. ingestelde beroep tot nietigverklaring van die beschikkingen verworpen. Gomes Viana Novo e.a. hebben bij de verwijzende rechter beroep ingesteld tegen die afwijzende beslissing.
17
Daarop heeft het Tribunal Central Administrativo Norte de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
‘Dient het recht van de Unie in het concrete kader van de waarborg van loonaanspraken bij insolventie van de werkgever, met name de artikelen 4 en 10 van [de gewijzigde richtlijn 80/987], aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een bepaling van nationaal recht die uitsluitend aanspraken waarborgt die opeisbaar zijn geworden [gedurende de periode van] zes maanden vóór de indiening van het verzoek tot insolventverklaring van de werkgever, ook wanneer de werknemers bij de arbeidsrechtbank een vordering tegen hun werkgever hebben ingesteld met het oog op de gerechtelijke vaststelling en de gedwongen invordering van de verschuldigde bedragen?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
18
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de gewijzigde richtlijn 80/987 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling die geen loonaanspraken waarborgt die meer dan zes maanden vóór de indiening van een verzoek tot insolventverklaring van de werkgever opeisbaar zijn geworden, ook al hebben de werknemers vóór het begin van die periode van zes maanden een gerechtelijke procedure tegen hun werkgever ingesteld met het oog op de vaststelling en de gedwongen invordering van die aanspraken.
19
Blijkens het aan het Hof overgelegde dossier heeft het FGS geweigerd de loonaanspraken van Gomes Viana Novo e.a. te honoreren, omdat die loonaanspraken meer dan zes maanden vóór de indiening van het verzoek tot insolventverklaring van de werkgever opeisbaar waren geworden, welke datum in de nationale wettelijke regeling tot omzetting van de gewijzigde richtlijn 80/987 is gekozen als beginpunt van de in de artikelen 3, lid 2, en 4, lid 2, van die richtlijn bedoelde referentieperiode.
20
De oorspronkelijke en de gewijzigde versie van richtlijn 80/987 strekken ertoe alle werknemers een minimumbescherming op het niveau van de Europese Unie bij insolventie van de werkgever te waarborgen door de honorering van de onvervulde aanspraken uit arbeidsovereenkomsten of -verhoudingen die betrekking hebben op het loon over een bepaalde periode (zie arresten van 4 maart 2004, Barsotti e.a., C-19/01, C-50/01 en C-84/01, Jurispr. blz. I-2005, punt 35; 16 juli 2009, Visciano, C-69/08, Jurispr. blz. I-6741, punt 27, en 17 november 2011, van Ardennen, C-435/10, Jurispr. blz. I-11705, punt 27).
21
Met het oog op dat doel verplicht artikel 3 van de gewijzigde richtlijn 80/987 de lidstaten de maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn opdat nationale waarborgfondsen die onvervulde aanspraken van de werknemers honoreren.
22
Zowel richtlijn 80/987, in de oorspronkelijke versie ervan, als de gewijzigde richtlijn 80/987 geven de lidstaten echter de bevoegdheid om de betalingsverplichting te beperken door de vaststelling van een referentieperiode of een waarborgperiode en/of plafonds voor de betalingen.
23
Dienaangaande blijkt uit punt 3 van het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering en toepassing van een aantal bepalingen van richtlijn 2008/94 [COM(2011) 84 definitief], waarvan de artikelen 3 en 4 in wezen overeenstemmen met die van de gewijzigde richtlijn 80/987, dat een groot aantal lidstaten gebruik hebben gemaakt van die bevoegdheid om hun betalingsverplichting in de tijd te beperken en/of plafonds hebben vastgesteld voor de betalingen.
24
Artikel 3 van richtlijn 80/987, in de oorspronkelijke versie ervan, gaf de lidstaten de bevoegdheid om uit verschillende mogelijkheden de datum te kiezen, waarvoor het achterstallige loon werd gewaarborgd. Rekening houdend met die keuze bepaalde artikel 4, lid 2, van die richtlijn welke onvervulde aanspraken hoe dan ook door de waarborgverplichting moesten worden gehonoreerd wanneer een lidstaat krachtens lid 1 van dat artikel had besloten die waarborgverplichting te beperken (zie in die zin arrest van 10 juli 1997, Maso e.a., C-373/95, Jurispr. blz. I-4051, punt 47).
25
Met de bij richtlijn 2002/74 aan artikel 3 van richtlijn 80/987, in de oorspronkelijke versie ervan, aangebrachte wijzigingen is de oorspronkelijke vermelding van de drie data in dat artikel geschrapt, zodat de lidstaten ingevolge lid 2 van die bepaling thans vrij de datum vaststellen vóór en/of, in voorkomend geval, na welke de periode ligt waarover het waarborgfonds de aanspraken betreffende onbetaalde lonen honoreert (zie in die zin arrest van 18 april 2013, Mustafa, C-247/12, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 39–41).
26
Op grond van artikel 4, leden 1 en 2, van richtlijn 80/987, in de oorspronkelijke versie ervan, konden de lidstaten, indien zij ervoor kozen de door het fonds geboden waarborg te beperken, de minimumwaarborg van drie maanden binnen een periode van zes maanden vóór de referentiedatum laten vallen. Na de inwerkingtreding van de bij richtlijn 2002/74 aan richtlijn 80/987, in de oorspronkelijke versie ervan, aangebrachte wijzigingen is het zelfs mogelijk om die periode na die referentiedatum te laten vallen. De lidstaten hebben eveneens de bevoegdheid om te voorzien in een tot acht weken beperkte minimumwaarborg, op voorwaarde dat die periode van acht weken binnen een langere referentieperiode van ten minste achttien maanden valt.
27
Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de gewijzigde richtlijn 80/987 er niet aan in de weg staat dat een lidstaat als beginpunt van de referentieperiode de datum kiest van de indiening van het verzoek tot insolventverklaring van de werkgever. Voorts mag een lidstaat die besluit gebruik te maken van de bevoegdheid om de waarborg te beperken door een referentieperiode vast te stellen, ervoor kiezen om die referentieperiode tot zes maanden te beperken, zolang hij de betaling van het loon over de laatste drie maanden van de arbeidsverhouding waarborgt.
28
Aangezien de nationale regeling in het hoofdgeding het loon over de laatste drie maanden van de arbeidsverhouding waarborgt, staat het de nationale wetgever vrij om, door de vaststelling van bepalingen luidens welke het FGS de betaling waarborgt van de loonaanspraken die opeisbaar zijn geworden tijdens de zes maanden vóór de indiening van het verzoek tot insolventverklaring van de werkgever en, onder bepaalde voorwaarden, zelfs na die datum, gebruik te maken van de hem bij de artikelen 3 en 4 van de gewijzigde richtlijn 80/987 verleende bevoegdheid om de verplichting van de waarborgfondsen te beperken.
29
Zoals blijkt uit de in punt 20 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak van het Hof, beoogt de gewijzigde richtlijn 80/987 slechts een minimumbescherming van werknemers bij insolventie van hun werkgever. De bepalingen betreffende de bevoegdheid van de lidstaten om hun waarborg te beperken, tonen aan dat de bij de gewijzigde richtlijn 80/987 ingestelde regeling rekening houdt met de financiële capaciteit van de lidstaten en het financiële evenwicht van hun waarborgfondsen beoogt te waarborgen.
30
Dit uit zich met name in de bevoegdheid van de lidstaten om de waarborgperiode te verkorten indien de minimumreferentieperiode lang is, zoals artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de gewijzigde richtlijn 80/987 bepaalt, en in de bevoegdheid om plafonds vast te stellen voor de betalingen op grond van artikel 4, lid 3, van die richtlijn.
31
De in artikel 4 van de gewijzigde richtlijn 80/987 bedoelde gevallen waarin de betalingsverplichting van de waarborgfondsen mag worden beperkt, moeten strikt worden uitgelegd (zie in die zin reeds aangehaald arrest van Ardennen, punt 34).
32
Een strikte uitlegging van die gevallen mag echter niet elke betekenis ontnemen aan de uitdrukkelijk aan de lidstaten voorbehouden bevoegdheid om die betalingsverplichting te beperken.
33
Dit zou het geval zijn indien de gewijzigde richtlijn 80/987 aldus moest worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling die geen loonaanspraken waarborgt die meer dan zes maanden vóór de indiening van een verzoek tot insolventverklaring van de werkgever opeisbaar zijn geworden.
34
Voorts zij benadrukt dat, blijkens de in punt 20 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak van het Hof, richtlijn 80/987 ertoe strekt werknemers een bescherming bij insolventie van hun werkgever te waarborgen. Bijgevolg vereist de bij die richtlijn ingestelde regeling een band tussen de insolventie en de onvervulde loonaanspraken.
35
Op basis van het aan het Hof overgelegde dossier blijkt echter dat in het hoofdgeding geen sprake van een dergelijke band is.
36
Terwijl de litigieuze loonaanspraken voortvloeien uit het feit dat de werkgever van Gomes Viana Novo e.a. vanaf april 2003 was opgehouden hun hun loon te betalen en zij daarom in september 2003 hun arbeidsovereenkomst hebben opgezegd, zijn andere werknemers van dezelfde werkgever in de jaren 2004 tot en met 2006 immers hun loon blijven ontvangen en zijn hun overeenkomsten pas in mei 2006 beëindigd wegens insolventie van hun werkgever. Derhalve heeft de werkgever, ondanks de vertragingen bij de betaling van de lonen, een aanzienlijk deel van zijn personeel verschillende jaren na de opzegging van de arbeidsovereenkomsten van Gomes Viana Novo e.a. behouden en betaald.
37
Derhalve moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat de gewijzigde richtlijn 80/987 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling die geen loonaanspraken waarborgt die meer dan zes maanden vóór de indiening van een verzoek tot insolventverklaring van de werkgever opeisbaar zijn geworden, ook al hebben de werknemers vóór het begin van die periode een gerechtelijke procedure tegen hun werkgever ingesteld met het oog op de vaststelling en de gedwongen invordering van die aanspraken.
Kosten
38
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/74/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling die geen loonaanspraken waarborgt die meer dan zes maanden vóór de indiening van een verzoek tot insolventverklaring van de werkgever opeisbaar zijn geworden, ook al hebben de werknemers vóór het begin van die periode een gerechtelijke procedure tegen hun werkgever ingesteld met het oog op de vaststelling en de gedwongen invordering van die aanspraken.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 28‑11‑2013