Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/4.3.2
4.3.2 De onpartijdigheid van de strafrechter
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS464478:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Een uitzondering is opgenomen voor de zittingsrechter die tijdens de terechtzitting door de strafkamer wordt aangewezen als rechter-commissaris, zodat hij getuigen en deskundigen kan horen (artikel 316, lid 2 Sv).
Overigens ziet volgens de Hoge Raad artikel 268 Sv niet op de omgekeerde situatie: een rechter-commissaris die eerder als zittingsrechter in eerste aanleg bij de zaak betrokken was (Hoge Raad 27 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6108; NJ 2007, 208).
EHRM 26 oktober 1984, Series A, nr. A86 (De Cubber).
Hoge Raad 29 september 1992 (ECLI:NL:HR:1992:ZC9103; NJ 1993, 58, met noot Knigge), Hoge Raad 30 juni 1992 (ECLI:NL:HR:1992:ZC9053; NJ 1993, 194, met noot Schalken).
Hoge Raad 13 januari 1998 (ECLI:NL:HR:1998:ZC8320; NJ 1998, 390).
Hoge Raad 23 september 1997 (ECLI:NL:HR:1998:ZD0798; NJ 1998, 188, met noot Knigge).
Hoge Raad 11 januari 2000 (ECLI:NL:HR:2000:ZD1676; NJ 2000, 196).
Hoge Raad 14 april 1998 (ECLI:NL:HR:1998:ZD1019; NJ 1998, 593).
Zie ook Keulen/Knigge, p. 142.
Hoge Raad 30 juni 1992 (NJ 1993, 194, met noot Schalken).
Zie Keulen/Knigge, p. 139.
Hoge Raad 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9920 (NJ 2009, 278).
Hoge Raad 9 januari 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AA9369; NJ 2001, 141).
Zie p. 11 van de leidraad (www.rechtspraak.nl).
Zie p. 7 van de leidraad (www.rechtspraak.nl). De leidraad bevat dan ook geen ‘recht’ in de zin van artikel 79 Wet RO.
Het Wetboek van Strafvordering kent een aantal bepalingen met betrekking tot de onpartijdigheid van de strafrechter. Zo bepaalt het tweede lid van artikel 268 Sv dat de rechter die voorheen als rechter-commissaris enig onderzoek in de zaak heeft verricht niet aan de terechtzitting deel mag nemen.1 Een rechter die eerder als rechter-commissaris aan het gerechtelijk vooronderzoek heeft deelgenomen, kan door de verrichte onderzoekshandelingen op voorhand overtuigd zijn van de schuld van de verdachte.2 Ook het EHRM is van mening dat een zittingsrechter die eerder als rechter-commissaris over een zaak heeft geoordeeld niet gezien kan worden als een ‘impartial tribunal’ in de zin van artikel 6 EVRM.3 Aan de hand van een materiële subjectieve en objectieve toets bepaalt het EHRM of een rechter onpartijdig is (zie onderdeel 3.4.2).
De Hoge Raad past de door het EHRM ontwikkelde objectieve en subjectieve toetsen eveneens toe op het verbod van artikel 268, lid 2 Sv. Hoewel het artikel voorschrijft dat een schending van het verbod nietigheid met zich brengt, leidt volgens de Hoge Raad het optreden van een rechter-commissaris in dezelfde zaak slechts tot nietigheid als is voldaan aan de door het EHRM geformuleerde gronden.4 Ook heeft de Hoge Raad een nadere uitleg gegeven van wat onder ‘enig onderzoek in de zaak heeft verricht’ moet worden verstaan. Zo achtte de Hoge Raad de zittingsrechter die eerder als rechter-commissaris een tapbevel had gegeven in strijd met artikel 268 Sv.5 Ook vond de Hoge Raad een rechter die eerder in de procedure de bewaring van verdachte had bevolen6 en een rechter die het bevel tot inverzekeringstelling op rechtmatigheid had getoetst in strijd met het onpartijdigheidsbeginsel.7 In het algemeen is de Hoge Raad de mening toegedaan dat artikel 268 Sv er mede toe strekt “een voor de rechtspraktijk duidelijke afbakening te scheppen welke redelijkerwijze niet tot discussies aanleiding geeft”.8 De Hoge Raad geeft derhalve een ruime interpretatie aan het begrip ‘enig onderzoek’, zodat vrijwel elke bemoeienis die de zittingsrechter voorheen als rechter-commissaris met de zaak heeft gehad, leidt tot uitsluiting.9
Overigens gaat de Hoge Raad, net als het EHRM, uit van de vooronderstelling dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling onpartijdig is. Slechts uitzonderlijke omstandigheden die zwaarwegende aanwijzingen voor het tegendeel opleveren, kunnen bij de verdachte leiden tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor een vooringenomen oordeel van de rechter.10 De schakelbepaling van artikel 415 Sv zorgt er voor dat de eis van onpartijdigheid eveneens geldt in hoger beroep.
Het derde lid van artikel 268 Sv bepaalt dat aan de tafel van de rechtbank alleen rechters en griffiers mogen plaatsnemen. In de rechtszaal is de tafel van de rechters (de zittende magistratuur) over het algemeen dan ook gescheiden van het katheder waarachter de OvJ (de staande magistratuur) staat. Door deze zichtbare scheiding wordt de schijn van partijdigheid van de rechter ten opzichte van de OvJ vermeden. Artikel 271, lid 2 Sv formuleert een (impliciete) gedragsinstructie voor de zittingsrechter tijdens de terechtzitting: hij mag geen blijk geven van enige overtuiging omtrent schuld of onschuld van de verdachte. Met deze bepaling wordt tevens invulling gegeven aan de onschuldpresumptie van artikel 6, lid 2 EVRM. Laat een rechter blijken overtuigd te zijn van de schuld van de verdachte, dan levert dat een schending op van artikel 6, lid 2 EVRM. Een rechter die tijdens de behandeling van de zaak laat doorschemeren dat hij de verdachte onschuldig vindt, schendt niet de onschuldpresumptie maar toont zich wel vooringenomen.11
De Hoge Raad heeft zich in het verleden slechts sporadisch uitgelaten over de norm van het tweede lid van artikel 271 Sv. Een uiting van de rechter dat hij de verdachte zal houden aan de verklaring die hij bij de politie had afgelegd, werd door de Hoge Raad ontoelaatbaar geacht.12 Een geval waarin de rechter een getuige sterkte toewenst en begrip toont voor de zware stappen die zij heeft moeten zetten om een verklaring ter terechtzitting af te leggen, leverde volgende de Hoge Raad geen strijd op met artikel 271 Sv.13
De rechterlijke onpartijdigheid wordt niet alleen door het Wetboek van Strafvordering en de bijbehorende jurisprudentie vorm gegeven. De Leidraad ‘Onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak’ schetst, naast enkele concrete aanbevelingen die de onafhankelijkheid van de rechter moeten borgen (zie hiervoor onderdeel 4.2.1.4), algemene uitgangspunten ten aanzien van het gedrag van de rechter ter terechtzitting. Zo bepaalt de leidraad dat de rechter zelf verantwoordelijk is voor zijn onpartijdigheid en dat hij zich dient te distantiëren van zijn eigen persoonlijke opvattingen.14 Ook schrijft de leidraad voor dat de rechter er voor moet zorgen blijk te geven van een onpartijdige houding (vgl. artikel 271, lid 2 Sv). De leidraad beoogt de rechter een handvat te bieden bij de beoordeling van zijn positie in een concreet geval. Aangezien de leidraad slechts algemene aanwijzingen bevat, vormen de voorschriften geen dwingendrechtelijke regels.15 Een verdachte kan er bijvoorbeeld geen beroep op doen. Wel kan een verdachte in geval van een door hem waargenomen vooringenomen houding van de rechter andere wegen bewandelen om dit aan de kaak te stellen, zoals het indienen van een klacht of een wrakingsverzoek (zie onderdeel 4.4.3).