Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/2.2.4.3
2.2.4.3 Parlementaire geschiedenis
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS489655:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 3, p. 65.
Van der Steur 2003 (p. 141) lijkt dit terecht te vinden.
Anders Van der Steur 2003, p. 141. Volgens deze auteur speelt de verkeersopvatting in deze geen (leidende) rol. Dit mag ook blijken uit het feit dat hij noch naar Rogmans 1999 noch naar Van Rossel 1994 verwijst.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 83. Zie ook HR 26 maart 1936, NJ 1936,757 (sleepboot Egbertha).
Van der Steur 2003 (p. 134 en 160) lijkt aan de kadastrale boekhouding (die wordt gevoed door de openbare registers: JGG) een doorslaggevende rol te willen geven. De feitelijke situatie wordt volgens hem eerst van belang indien de kadastrale boekhouding geen uitkomst biedt. Zie ook De Jong 2006, p. 114.
In de parlementaire geschiedenis is aan het zaaksbegrip niet expliciet aandacht besteed.
Art. 3:2 merkt als ‘zaken’ aan de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten. Ten aanzien van het cruciale woord ‘object’ wordt in de MvA II opgemerkt dat het de strekking heeft ‘vast te stellen wanneer een stoffelijk “object” rechtsobject kan zijn’.1
Op de suggestie in het VV II2 om ook hier, evenals bij de omschrijving van bestanddelen (art. 3:4) en vruchten (art. 3:9) te verwijzen naar de verkeersopvatting is niet nader ingegaan.3
Toch zal uit de verkeersopvatting moeten blijken of er sprake is van een of meer zaken.4 Of in de woorden van Meijers, sprekend over hulpzaken:
‘de voor het zijn van hulpzaak noodzakelijke bestemming moet dientengevolge objectief aanwezig zijn, d.w.z. niet wat de eigenaar of de gebruiker van de hoofdzaak beoogt, maar wat men in het verkeer oordeelt is beslissend.’5
Daarbij is, anders dan Diephuis meent, niet alleen de feitelijke situatie (denk aan: afscheiding/sluiting/gebruik/bestemming) van belang. De wil van de eigenaar/eigenaren zoals die blijkt uit de openbare registers is mede van belang. De visie van Opzoomer lijkt evenmin juist. Zolang noch uit de openbare registers noch uit de feitelijke situatie iets blijkt van een splitsing van de percelen grond is er sprake van een zaak. Naar mijn oordeel zal bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een of meer zaken gekeken moeten worden naar zowel de feitelijke situatie als de juridische (gepubliceerde) toestand.
Soms is de feitelijke situatie doorslaggevend, soms daarentegen de in de openbare registers geopenbaarde wil van de eigenaar/eigenaren. De rangorde tussen beide elementen zou ik als volgt willen weergeven. Indien uit de feitelijke situatie voortvloeit dat moet worden gesproken over tien onroerende zaken kan uit de gepubliceerde wil van de eigenaar niet voortvloeien dat er minder onroerende zaken zijn. De feitelijke situatie prevaleert.
Volgt uit de feitelijke situatie dat er een onroerende zaak is dan kan uit de gepubliceerde wil van de eigenaar volgen dat er toch meer onroerende zaken zijn. In het laatste geval prevaleert de wil van de eigenaar.6