Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/9.5.3:9.5.3 Schending art. 8 EVRM; geen absoluut karakter
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/9.5.3
9.5.3 Schending art. 8 EVRM; geen absoluut karakter
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS495828:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 8 oktober 1991 (Costello-Roberts t. Verenigd Koninkrijk), § 49.
EHRM 12 mei 2000 (Khan t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2002, 180 (m.nt. Schalken), § 25-28.
EHRM 25 september 2001 (P.G. en J.H. t. Verenigd Koninkrijk), § 37-38.
Vgl. de concurring opinion van rechter Cabral Barreto bij EHRM 10 maart 2009 (Bykov t. Rusland), pt. 1 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dwangmaatregelen kunnen ook schending van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer in art. 8 EVRM tot gevolg hebben.1 In belastingzaken kan daarbij vooral worden gedacht aan de gedwongen afgifte van persoonlijke gegevens. art. 8 heeft overigens heeft geen absoluut karakter. In het tweede lid is vastgelegd dat de uitoefening van het privacyrecht kan worden beperkt door wettelijke voorschriften die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van (onder meer) de nationale en openbare veiligheid, het economische welzijn van het land en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten.
Of de schending van art. 8 EVRM ontoelaatbare dwang impliceert, zal moeten worden beoordeeld naar de omstandigheden. In de zaken Khan2 en P.G. en J.H.3concludeert het Hof bijvoorbeeld tot schending van art. 8, maar niet tot schending van art. 6. De reden voor schending van art. 8, te weten het inzetten van afluisterapparatuur was niet in overeenstemming met het nationale recht, resulteerde niet in een onbehoorlijk strafproces. In de zaken Heglas en Bykov neemt het Hof evenmin schending van art. 6 aan en wijst het erop dat het van de klagers in strijd met art. 8 verkregen bewijs niet het enige was waarop de nationale rechter zijn veroordeling had gebaseerd.4