Procestaal: Nederlands.
HvJ EU, 04-06-2015, nr. C-543/13
ECLI:EU:C:2015:359
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
04-06-2015
- Magistraten
M. Ilešič, A. Ó Caoimh, C. Toader, E. Jarašiūnas, C.G. Fernlund
- Zaaknummer
C-543/13
- Conclusie
P. Mengozzi
- Roepnaam
Fischer-Lintjens
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
EU-recht (V)
Europees belastingrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2015:359, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 04‑06‑2015
ECLI:EU:C:2015:96, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 12‑02‑2015
Uitspraak 04‑06‑2015
M. Ilešič, A. Ó Caoimh, C. Toader, E. Jarašiūnas, C.G. Fernlund
Partij(en)
In zaak C-543/13,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Centrale Raad van Beroep (Nederland), bij beslissing van 15 oktober 2013, ingekomen bij het Hof op 17 oktober 2013, in de procedure
Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank
tegen
E. Fischer-Lintjens,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, A. Ó Caoimh (rapporteur), C. Toader, E. Jarašiūnas en C. G. Fernlund, rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, vertegenwoordigd door H. van der Most als gemachtigde,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. de Ree en M. Bulterman als gemachtigden,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en A. Wiedmann als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Martin en M. van Beek als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 februari 2015,
het navolgende
Arrest
1
De onderhavige prejudiciële verwijzing betreft de uitlegging van artikel 27 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1992/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 (PB L 392, blz. 1; hierna: ‘verordening nr. 1408/71’), en van bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a) en b), bij deze verordening.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: ‘SVB’) en E. Fischer-Lintjens, over de intrekking door het College voor zorgverzekeringen (hierna: ‘CVZ’) — een orgaan waarvan de bevoegdheden thans worden uitgeoefend door de SVB — van een verklaring die was bestemd om te bewijzen dat Fischer-Lintjens niet verplicht was om een Nederlandse zorgverzekering af te sluiten, en dus geen premie verschuldigd was (hierna: ‘verklaring van niet-verzekering’).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Artikel 27 is opgenomen in hoofdstuk 1 (‘Ziekte en moederschap’) van titel III (‘Bijzondere bepalingen met betrekking tot de verschillende soorten prestaties’) van verordening nr. 1408/71. Dit artikel, met het opschrift ‘Pensioenen of renten, verschuldigd op grond van de wettelijke regelingen van verscheidende lidstaten, terwijl in het land van de woonplaats recht op prestaties bestaat’, luidt als volgt:
‘De rechthebbende op pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten, waaronder de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woonachtig is, die recht heeft op prestaties op grond van de wettelijke regeling van laatstbedoelde lidstaat, eventueel met inachtneming van artikel 18 en van bijlage VI, krijgt, evenals zijn gezinsleden, prestaties van het orgaan van de woonplaats en voor rekening van dit orgaan, alsof de betrokkene uitsluitend recht had op een pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van deze lidstaat.’
4
In datzelfde hoofdstuk 1 van deze verordening, stelt artikel 28, met het opschrift ‘Pensioenen of renten, verschuldigd op grond van de wettelijke regelingen van een of meer lidstaten, terwijl in het land van de woonplaats geen recht op prestaties bestaat’, de voorschriften vast inzake de verlening van de prestaties en inzake de vraag voor wiens rekening deze komen. Deze voorschriften zijn van toepassing op de rechthebbende op een pensioen of een rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van één lidstaat, of op de rechthebbende van pensioenen of renten, verschuldigd op grond van de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten, die geen recht op prestaties heeft op grond van de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont, maar zelf, evenals zijn gezinsleden, recht heeft op dergelijke prestaties, voor zover hij op grond van de wettelijke regeling van de voor de pensioenverzekering bevoegde lidstaat, of van ten minste een van de voor deze verzekering bevoegde lidstaten, recht op prestaties zou hebben, indien hij op het grondgebied van de betrokken staat woonde.
5
Artikel 84 bis van voornoemde verordening, met het opschrift ‘Betrekkingen tussen de organen en de onder deze verordening vallende personen’, bepaalt:
- ‘1.
De organen en de personen die onder deze verordening vallen, zijn gehouden tot wederzijdse informatieverstrekking en samenwerking teneinde de goede toepassing van deze verordening te verzekeren.
Overeenkomstig het beginsel van behoorlijk bestuur, beantwoorden de organen elke vraag binnen een redelijke termijn en verstrekken zij aan de betrokkenen in dit verband alle informatie die nodig is voor de uitoefening van de uit hoofde van deze verordening toegekende rechten.
De betrokkenen stellen de organen van de bevoegde staat en van de staat waar de betrokkenen wonen, zo spoedig mogelijk in kennis van iedere wijziging in hun persoonlijke of gezinssituatie, die hun recht op prestaties uit hoofde van deze verordening beïnvloedt.
- 2.
Indien niet wordt voldaan aan de informatieplicht, zoals bedoeld in lid 1, derde alinea, kunnen overeenkomstig het nationale recht evenredige maatregelen worden getroffen. Deze maatregelen moeten gelijkwaardig zijn aan de sancties die in soortgelijke onder de nationale rechtsorde vallende situaties van toepassing zijn en mogen de uitoefening van de door deze verordening aan de betrokkenen verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of buitengewoon moeilijk maken.
[…]’
6
Bijlage VI bij diezelfde verordening, met het opschrift ‘Bijzonderheden voor de toepassing van de wetgevingen van bepaalde lidstaten’, omvat een rubriek R, waarin onder punt 1, met het opschrift ‘Zorgverzekering’, onder a) en b), wordt bepaald:
- ‘a)
Wat betreft het recht op verstrekkingen krachtens de Nederlandse wetgeving wordt voor de toepassing van de hoofdstukken 1 en 4 van titel III van de verordening onder ‘rechthebbenden op verstrekkingen’ verstaan:
- i)
personen die overeenkomstig artikel 2 van de Zorgverzekeringswet [(hierna: ‘Zvw’)] verplicht zijn zich te verzekeren bij een zorgverzekeraar;
[…]
- b)
Personen als bedoeld in punt a, onder i), moeten zich overeenkomstig de [Zvw] verzekeren bij een zorgverzekeraar […]’.
Nederlands recht
Algemene ouderdomswet
7
Artikel 14, lid 1, van de Algemene Ouderdomswet (hierna: ‘AOW’) bepaalt:
‘Het ouderdomspensioen alsmede een verhoging van het ouderdomspensioen wordt op aanvraag toegekend door de Sociale verzekeringsbank.’
8
In artikel 16 van de AOW wordt bepaald:
- ‘1.
Het ouderdomspensioen gaat in op de dag waarop de belanghebbende aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen voldoet.
- 2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan een ouderdomspensioen niet vroeger ingaan dan een jaar vóór de dag waarop de aanvraag werd ingediend of vóór de dag waarop ambtshalve toekenning plaatsvond. De Sociale verzekeringsbank kan voor bijzondere gevallen van het bepaalde in de vorige volzin afwijken.’
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
9
Artikel 5, leden 1 en 4, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: ‘AWBZ’) bepaalt:
- ‘1.
Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene die:
- a.
ingezetene is;
- b.
geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
[…]
- 4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden.’
10
Artikel 5c AWBZ luidt als volgt:
‘De Sociale Verzekeringsbank stelt ambtshalve en, desgevraagd, op aanvraag vast of een natuurlijke persoon voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 5 of 5b vastgestelde voorwaarden voor het verzekerd zijn ingevolge deze wet.’
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999
11
Artikel 21, leden 1 en 6, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: ‘KB 746’) bepaalt:
- ‘1.
Niet verzekerd op grond van de [AWBZ] is de persoon die in Nederland woont, doch die met toepassing van een verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen of van een door Nederland met een of meer andere staten gesloten verdrag inzake sociale zekerheid, in Nederland recht kan doen gelden op verstrekkingen die hem in beginsel worden verleend ten laste van een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een staat waarmee Nederland een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten.
[…]
- 6.
De Sociale verzekeringsbank geeft op aanvraag van de persoon, bedoeld in het eerste, tweede, derde of vierde lid, een verklaring af dat hij niet verzekerd is.’
Zorgverzekeringswet
12
Artikel 2, lid 1, Zvw bepaalt:
‘Degene die ingevolge de [AWBZ] en de daarop gebaseerde regelgeving van rechtswege verzekerd is, is verplicht zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren tegen het in artikel 10 bedoelde risico.’
13
In artikel 3, lid 1, Zvw wordt bepaald:
‘Een zorgverzekeraar is verplicht met of ten behoeve van iedere verzekeringsplichtige die in zijn werkgebied woont, alsmede met of ten behoeve van iedere verzekeringsplichtige die in het buitenland woont, desgevraagd een zorgverzekering te sluiten.’
14
Artikel 5, leden 1 en 5, Zvw bepaalt:
- ‘1.
De zorgverzekering gaat in op de dag waarop de zorgverzekeraar het verzoek, bedoeld in artikel 3, eerste lid, […] heeft ontvangen.
[…]
- 5.
De zorgverzekering werkt, zo nodig in afwijking van artikel 925, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, terug:
- a.
indien zij ingaat binnen vier maanden nadat de verzekeringsplicht is ontstaan, tot en met de dag waarop die plicht ontstond.
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
15
Fischer-Lintjens heeft vanaf 1 december 1934 — haar geboortedag — tot 1 september 1970 in Nederland gewoond. Vervolgens heeft zij in Duitsland gewoond tot 1 mei 2006, op welke datum zij terugkeerde naar Nederland, waar zij sindsdien woont.
16
Sinds oktober 2004 ontvangt Fischer-Lintjens een weduwepensioen van het bevoegde Duitse orgaan. Aangezien zij in 2006 Duitsland heeft verlaten om in Nederland te gaan wonen, heeft zij zich met een E 121-formulier ingeschreven bij de Nederlandse zorgverzekeraar CZ (hierna: ‘CZ’) en heeft zij vanaf 1 juni 2006 in Nederland verstrekkingen kunnen ontvangen krachtens artikel 28 van verordening nr. 1408/71, die voor rekening komen van het bevoegde Duitse orgaan. Fischer-Lintjens heeft in Duitsland bijdragen betaald voor haar zorgverzekering.
17
Op 20 oktober 2006 ontving Fischer-Lintjens van het CVZ de verklaring van niet-verzekering voor de AWBZ, welke verklaring was bestemd om ten overstaan van de Nederlandse autoriteit die is belast met de inning van de bijdragen, te bewijzen dat in Nederland geen bijdrage was verschuldigd. Fischer-Lintjens heeft op het formulier dat zij moest invullen om deze verklaring te verkrijgen aangegeven dat zij geen pensioen of verstrekkingen ontving krachtens de Nederlandse wettelijke regeling, maar een pensioen op grond van de Duitse wettelijke regeling.
18
Bovengenoemde verklaring was, bij ongewijzigde omstandigheden, geldig van 1 juni 2006 tot en met 31 december 2010.
19
Hoewel Fischer-Lintjens de leeftijd van 65 jaar had bereikt, waardoor zij in Nederland vanaf 1 december 1999 krachtens de AOW pensioengerechtigd was, heeft zij dat pensioen echter pas in mei 2007 aangevraagd. Volgens de verwijzende rechter verkeerde Fischer-Lintjens voordat zij haar verzoek indiende, ten onrechte in de veronderstelling dat zij daar geen recht op had.
20
Bij besluit van 8 november 2007, gewijzigd op 24 april 2008, heeft de SVB aan Fischer-Lintjens overeenkomstig artikel 16, lid 2, van de AOW een pensioen toegekend en uitbetaald met één jaar terugwerkende kracht vanaf de datum van de eerste dag van de maand waarin het verzoek was ingediend, derhalve met ingang van 1 mei 2006.
21
Fischer-Lintjens heeft vóór de maand oktober 2010 deze wijziging in haar situatie noch aan CZ, noch aan het CVZ, noch aan het Duitse zorgverzekeringsorgaan meegedeeld.
22
Op 21 oktober 2010 heeft Fischer-Lintjens een formulier ingevuld dat haar door de SVB in het kader van haar verzoek om verlenging van haar verklaring van niet-verzekering was toegezonden. Zij heeft daarop aangegeven dat zij sinds 1 mei 2006 een AOW-pensioen ontving.
23
Bij besluit van 2 november 2010 heeft het CVZ Fischer-Lintjens laten weten dat zij verzekeringsplichtig was voor de AWBZ en de Zvw, en dat zij derhalve in Nederland premies moest betalen, aangezien zij zich niet meer bevond in een van de situaties als bedoeld in artikel 21, lid 1, van KB 746 en derhalve verzekeringsplichtig was vanaf juni 2006. Bijgevolg heeft het CVZ de verklaring van niet-verzekering van Fischer-Lintjens ingetrokken (hierna: ‘intrekkingsbesluit’) en heeft CZ de zorgverzekeringsovereenkomst van Fischer-Lintjens opgezegd. Deze intrekking en opzegging hadden terugwerkende kracht tot 1 juni 2006.
24
Vervolgens heeft het Duitse zorgverzekeringsorgaan een bedrag van meer dan 5 000 EUR aan premies — die Fischer-Lintjens sinds 1 juni 2006 in Duitsland had betaald — gerestitueerd.
25
Hierna heeft CZ van Fischer-Lintjens de aan het bovengenoemde Duitse orgaan betaalde ziektekosten, ten belope van meer dan 11 000 EUR, teruggevorderd. Volgens het CVZ kan de zorgverzekering krachtens artikel 5, lid 5, Zvw enkel terugwerken indien zij is afgesloten binnen vier maanden nadat de verzekeringsplicht is ontstaan. Fischer-Lintjens moest dus zelf de ziektekosten betalen die aan dit Duitse orgaan waren vergoed voor de periode waarin zij niet was gedekt door een zorgverzekering, dat wil zeggen van juni 2006 tot 1 juli 2010, aangezien laatstgenoemde datum de datum was waarop Fischer-Lintjens over een Nederlandse zorgverzekering beschikte.
26
Op 7 december 2010 heeft Fischer-Lintjens bij het CVZ een bezwaar ingediend tegen het intrekkingsbesluit.
27
Met ingang van 15 maart 2011 is de SVB het bevoegde orgaan geworden tot het verlenen van ontheffing van de verzekeringsplicht uit hoofde van de AWBZ en de afgifte van verklaringen van niet-verzekering. De vóór die datum door het CVZ afgegeven verklaringen worden aangemerkt als door de SVB afgegeven verklaringen.
28
Bij besluit van 21 april 2011 heeft de SVB het bezwaar van Fischer-Lintjens tegen het intrekkingsbesluit ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de Rechtbank Roermond van 17 januari 2012 werd het beroep van Fischer-Lintjens tegen dat besluit toegewezen. Volgens die rechterlijke instantie was de verklaring van niet-verzekering die Fischer-Lintjens had ontvangen, bedoeld om rechtsgevolgen in het leven te roepen die door de intrekking van de verklaring niet teniet konden worden gedaan.
29
De SVB heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, met het betoog dat de verklaring van niet-verzekering, net als het E 121-formulier, een louter declaratoire handeling was. Volgens de SVB kunnen aan nationale regelingen geen rechtgevolgen worden verbonden die afwijken van die welke voortvloeien uit de toepassing van verordening nr. 1408/71.
30
De verwijzende rechter is van oordeel dat de SVB bevoegd was om de verklaring van niet-verzekering met terugwerkende kracht in te trekken, maar dat de SVB, door tot deze intrekking over te gaan, de belangen van Fischer-Lintjens onvoldoende in aanmerking heeft genomen. Volgens die rechter vloeit met name uit het rechtszekerheidsbeginsel voort dat de daadwerkelijke bevoegdheid om pensioenen toe te kennen en om de kosten van de verstrekkingen op zich te nemen, pas ontstaat vanaf de datum van het toekenningsbesluit waarin is vastgesteld dat de betrokkene daadwerkelijk recht heeft op het aangevraagde pensioen. Daarom vraagt hij zich af op welk tijdstip het in het hoofdgeding aan de orde zijnde pensioen daadwerkelijk aan Fischer-Lintjens ‘verschuldigd’ werd in de zin van artikel 27 van verordening nr. 1408/71, aangezien, indien dat artikel met terugwerkende kracht kan worden toegepast, dit in principe zal leiden tot het ontstaan van verscheidene rechtsgevolgen, eveneens met terugwerkende kracht, waaronder in het onderhavige geval de verplichting om over een Nederlandse zorgverzekering te beschikken.
31
In die omstandigheden heeft de Centrale Raad van Beroep de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet het begrip ‘verschuldigd’ zoals bedoeld in de artikelen 27 en volgende van verordening […] nr. 1408/71, aldus worden uitgelegd dat voor de vaststelling vanaf welk moment een pensioen of rente verschuldigd is, beslissend is de datum waarop een toekenningsbesluit is genomen waarna het pensioen is uitbetaald, dan wel de ingangsdatum van het met terugwerkende kracht toegekende pensioen?
- 2)
Indien met het begrip ‘verschuldigd’ wordt gedoeld op de ingangsdatum van het met terugwerkende kracht toegekende pensioen:
Is hiermee te verenigen dat de pensioengerechtigde die onder artikel 27 van verordening […] nr. 1408/71 valt zich ingevolge de Nederlandse wetgeving niet met eenzelfde terugwerkende kracht kan verzekeren voor de zorgverzekering?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
32
Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de vragen zijn gesteld in de bijzondere omstandigheden van het hoofdgeding, waarin, enerzijds, in november 2007 aan Fischer-Lintjens met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2006 een Nederlands pensioen is toegekend, en, anderzijds, Fischer-Lintjens door middel van de verklaring van niet-verzekering van 20 oktober 2006 ten overstaan van de Nederlandse autoriteit die is belast met de inning van de premies, heeft kunnen bewijzen dat zij niet onderworpen was aan de uit artikel 2, lid 1, Zvw, gelezen in samenhang met bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a), van verordening nr. 1408/71, voortvloeiende verplichting om een Nederlandse verplichte zorgverzekering af te sluiten, aangezien zij binnen de werkingssfeer van artikel 28 van deze verordening viel en derhalve recht had op zorgverstrekkingen in Nederland voor rekening van het Duitse bevoegde orgaan. Deze verklaring van niet-verzekering is op 2 november 2010 met terugwerkende kracht tot 1 juni 2006 ingetrokken.
33
In deze context zij eraan herinnerd dat de rechthebbenden op pensioenen, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten, waaronder die van Nederland, waar zij woonachtig zijn, zich, volgens bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a) en b), van voornoemde verordening, om krachtens artikel 27 van diezelfde verordening aanspraak te kunnen maken op zorgverstrekkingen uit hoofde van de wettelijke regeling van laatstgenoemde lidstaat voor rekening van het Nederlandse bevoegde orgaan, overeenkomstig artikel 2 Zvw dienen te verzekeren bij een zorgverzekeringsinstelling. Vaststaat dat volgens artikel 5, leden 1 en 5, Zvw deze verzekering enkel kan terugwerken indien zij binnen vier maanden na het ontstaan van de verzekeringsplicht is afgesloten.
34
Volgens de verwijzende rechter dient derhalve te worden vastgesteld op welke datum Fischer-Lintjens in Nederland recht had op voornoemde verstrekkingen voor rekening van het Nederlandse bevoegde orgaan, welke datum overeenkomt met de datum waarop Fischer-Lintjens niet meer onder artikel 28 van verordening nr. 1408/71 viel omdat artikel 27 daarvan op haar van toepassing was geworden. De verwijzende rechter preciseert evenwel dat, welke deze datum ook moge zijn, de toepassing van de artikelen 2 en 5, lid 5, Zvw ertoe zou kunnen leiden dat Fischer-Lintjens voor een bepaalde periode verstoken zou zijn van een zorgverzekering, aangezien deze bepalingen in de weg staan aan het afsluiten van een dergelijke verzekering met terugwerkende kracht in omstandigheden als die welke de situatie van Fischer-Lintjens kenmerken. Voornoemde rechter wijst er evenwel op dat het aannemelijk is dat de onderbreking van de zorgverzekering van Fischer-Lintjens in de periode tussen 8 november 2007, de datum van de eerste betaling aan haar van het Nederlandse pensioen, en 1 juli 2010, de datum waarop Fischer-Lintjens zich aansloot bij een Nederlandse zorgverzekering, enkel valt toe te rekenen aan de laattijdige aansluiting van laatstgenoemde bij een Nederlandse verzekeraar. De daaruit voortvloeiende schade dient dan ook enkel en alleen door Fischer-Lintjens te worden gedragen.
35
Derhalve wenst de verwijzende rechter met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, in wezen te vernemen of artikel 27 van verordening nr. 1408/71, gelezen in samenhang met bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a) en b), daarbij, aldus moet worden uitgelegd dat het zich in omstandigheden als die in het hoofdgeding verzet tegen een regeling van een lidstaat die niet toestaat dat de rechthebbende op een door deze lidstaat met één jaar terugwerkende kracht toegekend pensioen, zich met diezelfde terugwerkende kracht aansluit bij een verplichte zorgverzekering.
36
Bijgevolg dient te worden bepaald vanaf welk tijdstip Nederland in de omstandigheden van het hoofdgeding krachtens voornoemd artikel 27 van verordening nr. 1408/71 bevoegd is geworden ten aanzien van een pensioengerechtigde als Fischer-Lintjens.
37
In dit verband vormen de bepalingen van voornoemde verordening die betrekking hebben op de vaststelling van de toepasselijke wettelijke regeling, een volledig stelsel van conflictregels, zodat de nationale wetgever niet meer bevoegd is om de draagwijdte en de toepassingsvoorwaarden van zijn nationale wettelijke regeling ter zake te bepalen met betrekking tot de personen die eraan onderworpen zijn en met betrekking tot het grondgebied waarbinnen de nationale bepalingen effect sorteren (zie met name arrest Van Delft e.a., C-345/09, EU:C:2010:610, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
Nu de conflictregels van verordening nr. 1408/71 dwingend gelden voor de lidstaten, heeft het Hof reeds geoordeeld dat het a fortiori uitgesloten is dat de sociaal verzekerden op wie die regels van toepassing zijn de gevolgen ervan teniet kunnen doen doordat zij ervoor kunnen kiezen zich eraan te onttrekken. De toepassing van de bij deze verordening ingevoerde conflictregels hangt immers alleen af van de objectieve situatie waarin de betrokken werknemer zich bevindt (zie in die zin arrest Van Delft e.a., C-345/09, EU:C:2010:610, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39
Ook moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de bepalingen van voornoemde verordening die betrekking hebben op de vaststelling van de toepasselijke wettelijke regeling, niet alleen tot doel hebben de gelijktijdige toepassing van verschillende nationale wettelijke regelingen en de mogelijke complicaties daarvan te voorkomen, maar ook te beletten dat binnen de werkingssfeer van deze verordening vallende personen wegens het ontbreken van een toepasselijke wettelijke regeling geen enkele socialezekerheidsbescherming genieten (zie in die zin arrest Mulders, C-548/11, EU:C:2013:249, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40
Hieruit volgt dat, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 41 van zijn conclusie, een van de doelstellingen van de conflictregels van verordening nr. 1408/71 is dat elke sociaal verzekerde die binnen de werkingssfeer ervan valt, doorlopend is gedekt, zonder dat deze continuïteit kan worden ondermijnd door discretionaire keuzes van individuen of van de bevoegde organen van de lidstaten.
41
In dit verband betreft artikel 27 van voornoemde verordening de rechthebbende op pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten, waaronder de woonlidstaat, die recht heeft op prestaties bij ziekte en moederschap in laatstgenoemde staat. Dit artikel heeft, in samenhang met artikel 28 van diezelfde verordening, tot doel het orgaan aan te wijzen dat aan de rechthebbenden op pensioenen of renten deze prestaties bij ziekte en moederschap moet uitkeren, en het orgaan voor wiens rekening dit komt (zie in die zin arrest Rundgren, C-389/99, EU:C:2001:264, punten 43 en 44).
42
Het bij deze artikelen ingevoerde stelsel legt dus een verband tussen de bevoegdheid om pensioenen of renten uit te betalen en de verplichting om op te komen voor de kosten van de verstrekkingen, waaruit volgt dat deze verplichting afhankelijk is van een daadwerkelijke bevoegdheid ter zake van pensioenen. Derhalve kunnen de verstrekkingen niet voor rekening komen van het orgaan van een lidstaat die slechts een eventuele bevoegdheid ter zake van pensioenen heeft. Bijgevolg wordt in artikel 27 van verordening nr. 1408/71, net als in artikel 28 van deze verordening, met de verwijzing naar een verschuldigd pensioen of een verschuldigde rente een daadwerkelijk aan de betrokkene uitbetaald pensioen of uitbetaalde rente bedoeld (zie in die zin arrest Rundgren, C-389/99, EU:C:2001:264, punt 47).
43
Derhalve moet het Nederlandse pensioen van een betrokkene die zich in eenzelfde situatie als Fischer-Lintjens bevindt, worden beschouwd verschuldigd te zijn in de zin van artikel 27 van verordening nr. 1408/71, vanaf het begin van de periode waarvoor dit pensioen daadwerkelijk aan deze betrokkene is uitbetaald, ongeacht het moment waarop dit pensioen formeel is vastgesteld. Een dergelijk pensioen is dus verschuldigd voor die periode als geheel, ook in de situatie waarin deze, in voorkomend geval, aanvangt vóór de datum van het besluit tot toekenning van dit pensioen.
44
In casu staat vast dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde pensioen daadwerkelijk aan Fischer-Lintjens is uitbetaald, krachtens de Nederlandse wettelijke regeling, voor de periode die aanving op 1 mei 2006. Bijgevolg dient dit pensioen — met het oog op de toekenning van verstrekkingen aan Fischer-Lintjens — vanaf die datum te worden aangemerkt als ‘verschuldigd’ in de zin van artikel 27 van verordening nr. 1408/71.
45
Bovendien zou, zoals de Duitse regering in haar schriftelijke opmerkingen aangeeft, elke andere uitlegging van de term ‘verschuldigd’ in de zin van voornoemd artikel 27 de toepassing in de tijd van de bevoegdheid van een lidstaat inzake de krachtens die verordening verschuldigde verstrekkingen afhankelijk stellen van de snelheid waarmee de nationale administraties de aanvragen van pensioenen of renten verwerken, hetgeen zou indruisen tegen een van de door deze verordening nagestreefde doelstellingen, namelijk die welke erin bestaat, zoals het Hof reeds heeft vastgesteld in punt 40 van het onderhavige arrest, dat elke sociaal verzekerde die binnen de werkingssfeer ervan valt, doorlopend is gedekt.
46
Overigens blijkt uit de aan het Hof verstrekte informatie — die niet wordt betwist — dat Fischer-Lintjens na de intrekking met terugwerkende kracht van haar verklaring van niet-verzekering, niet meer over een zorgverzekering beschikte voor de periode tussen juni 2006 en 1 juli 2010, terwijl zij eerst in Duitsland voor die periode wel zorgverzekeringspremies had betaald, die vanwege het intrekkingsbesluit later aan haar zijn terugbetaald.
47
In dit verband zet de Nederlandse regering in haar schriftelijke opmerkingen uiteen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde Nederlandse regeling in beginsel elke terugwerkende kracht van de Nederlandse zorgverzekering uitsluit, zulks gelet op de voor verzekeringen kenmerkende doelstelling van het verzekeren van toekomstige schade, die zich op de datum waarop de verzekering wordt afgesloten nog niet heeft voorgedaan, alsmede om belanghebbenden die verplicht zijn om een verzekeringsovereenkomst naar Nederlands recht af te sluiten, te stimuleren dit zo snel mogelijk te doen. Een dergelijk ontbreken van terugwerkende kracht waarborgt de solidariteit die ten grondslag ligt aan het zorgverzekeringsstelsel en voorkomt misbruik. Niettegenstaande dit algemene uitsluitingsbeginsel heeft de Nederlandse wetgever voorzien in een beperkte uitzondering, op grond waarvan, wanneer de zorgverzekering begint te lopen binnen vier maanden na het ontstaan van de verzekeringsplicht, deze verzekering terugwerkt tot de dag waarop deze verplichting is ontstaan. Deze terugwerkende kracht is — zo zij van toepassing is, hetgeen in het hoofdgeding niet het geval kan zijn aangezien de verzekeringsplicht van Fischer-Lintjens is ontstaan op 1 mei 2006 — dus beperkt tot vier maanden.
48
Inderdaad kan het gerechtvaardigd zijn dat een lidstaat de mogelijkheid om met terugwerkende kracht een zorgverzekering af te sluiten beperkt teneinde personen die verplicht zijn om een dergelijke verzekering af te sluiten, te stimuleren dit zo spoedig mogelijk te doen. Zo heeft het Hof reeds geoordeeld dat een verplichting tot bijdragebetaling op grond dat er een recht op prestaties bestaat, ook al worden niet effectief prestaties verleend, inherent is aan het door de nationale socialezekerheidsstelsels toegepaste solidariteitsbeginsel. Zonder bijdrageplicht zouden de belanghebbenden immers ertoe kunnen overgaan, tot het intreden van het risico te wachten alvorens aan de financiering van dat stelsel bij te dragen (zie in die zin arrest Van Delft e.a., C-345/09, EU:C:2010:610, punt 75).
49
Dit neemt evenwel niet weg dat de voorwaarden voor aansluiting bij de stelsels van sociale zekerheid van de lidstaten, waarvan de inrichting binnen de bevoegdheid van die staten valt, het Unierecht moeten eerbiedigen en niet tot gevolg mogen hebben dat van de werkingssfeer van een nationale wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, worden uitgesloten de personen op wie diezelfde wettelijke regeling krachtens verordening nr. 1408/71 van toepassing is (zie in die zin arresten Kits van Heijningen, C-2/89, EU:C:1990:183, punt 20, en Salemink, C-347/10, EU:C:2012:17, punten 38–40).
50
Vastgesteld moet worden dat, zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 53 en 54 van zijn conclusie, een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, ertoe leidt dat het voor een persoon aan wie door de autoriteiten van de woonlidstaat krachtens artikel 27 van deze verordening met meer dan vier maanden terugwerkende kracht vanaf het besluit tot toekenning daarvan een pensioen is toegekend, vervolgens onmogelijk is om aan zijn wettelijke verplichtingen te voldoen en om in deze lidstaat een zorgverzekering af te sluiten binnen een termijn die hem recht geeft op meer dan vier maanden terugwerkende kracht, ook al had hij tot dan toe recht op zorgverstrekkingen door het bevoegde orgaan van een andere lidstaat.
51
Zo staat in casu vast dat Fischer-Lintjens, hoewel zij de Nederlandse bevoegde autoriteiten op de hoogte had gesteld van het feit dat zij een Duits pensioen ontving, zich op 8 november 2007 — de datum waarop de SVB het besluit nam waarbij haar recht op een pensioen in Nederland werd vastgesteld met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2006 — vanwege de in artikel 5, lid 5, Zvw, neergelegde beperking niet had kunnen aansluiten bij een verplichte zorgverzekering die haar vanaf 1 mei 2006 dekte. In de omstandigheden van het hoofdgeding was het dus voor Fischer-Lintjens hoe dan ook onmogelijk geweest te vermijden dat de dekking door een dergelijke verzekering gedurende een periode werd onderbroken.
52
Overeenkomstig de in punt 39 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak kan aan een verzekerde als Fischer-Lintjens, die binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 valt, niet vanwege het ontbreken van een toepasselijke wettelijke regeling de bescherming op het gebied van de sociale zekerheid worden ontnomen (zie naar analogie arrest Kuusijärvi, C-275/96, EU:C:1998:279, punt 28).
53
Hieruit volgt dat, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in de punten 55 en 56 van zijn conclusie, de in de bepalingen van een nationale wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, neergelegde beperking, die ertoe leidt dat een persoon die zich in dezelfde situatie bevindt als Fischer-Lintjens, niet in staat is om de krachtens artikel 27 van verordening nr. 1408/71 en bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a) en b), bij deze verordening op hem rustende verplichtingen na te komen, afbreuk doet aan het nuttig effect van het door deze verordening ingevoerde stelsel van conflictregels en aan de krachtens deze verordening op sociaal verzekerden rustende verplichtingen. Het nuttig effect van dit stelsel, dat dwingend geldt voor zowel de lidstaten als belanghebbende personen, kan met name niet worden gewaarborgd indien deze staten door middel van hun nationale wettelijke regelingen in staat zouden zijn om een belanghebbende, zoals Fischer-Lintjens, de mogelijkheid te ontnemen om de krachtens diezelfde verordening op hem rustende verplichtingen volledig na te komen.
54
In dit verband kan het argument van de Nederlandse regering dat de onderbreking van de zorgverzekering van Fischer-Lintjens, met name over de periode tussen november 2007 en juli 2010, enkel voortvloeit uit het feit dat Fischer-Lintjens de wijziging van haar rechten op een pensioen niet aan het Nederlandse bevoegde orgaan heeft meegedeeld, niet worden aanvaard.
55
Artikel 84 bis, lid 1, van verordening nr. 1408/71 voorziet in een verplichting tot wederzijdse informatieverstrekking en samenwerking tussen de bevoegde organen en de onder deze verordening vallende personen. Hoewel deze personen gehouden zijn om deze organen zo spoedig mogelijk in kennis te stellen van iedere wijziging in hun persoonlijke of gezinssituatie die hun recht op prestaties uit hoofde van deze verordening beïnvloedt, dienen de organen immers, in antwoord op verzoeken van deze betrokkenen met betrekking tot diezelfde verordening, aan de betrokkenen in dit verband alle informatie te verstrekken die nodig is voor de uitoefening van de uit hoofde van verordening nr. 1408/71 toegekende rechten.
56
Deze informatie zou, in voorkomend geval, voldoende inlichtingen kunnen bevatten om een persoon, in omstandigheden als die in het hoofdgeding, in staat te stellen te begrijpen dat hij in Nederland verplicht is om een zorgverzekering af te sluiten.
57
Dit neemt evenwel niet weg dat artikel 84 bis, lid 2, van diezelfde verordening bepaalt dat indien niet wordt voldaan aan de informatieplicht, zoals bedoeld in lid 1, derde alinea, van voornoemd artikel 84 bis, overeenkomstig het nationale recht enkel evenredige maatregelen kunnen worden getroffen, die, enerzijds, gelijkwaardig moeten zijn aan de sancties die in soortgelijke onder de nationale rechtsorde vallende situaties van toepassing zijn en, anderzijds, de uitoefening van de door deze verordening aan de betrokkenen verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of buitengewoon moeilijk mogen maken.
58
Dit is niet het geval wanneer de toepassing van een nationale regeling ertoe zou kunnen leiden dat aan een betrokkene die zich in eenzelfde situatie als Fischer-Lintjens bevindt, over een bepaalde periode elke bescherming op het gebied van de sociale zekerheid wordt ontnomen, zonder dat alle relevante omstandigheden, met name die welke betrekking hebben op zijn persoonlijke situatie — zoals zijn leeftijd, zijn gezondheidstoestand en zijn afwezigheid uit Nederland gedurende langere tijd —, in aanmerking zijn genomen. Van bijzonder belang hierbij is bovendien het feit dat Fischer-Lintjens in het tijdvak van november 2007 tot oktober 2010 in Duitsland bijdragen heeft betaald voor een zorgverzekering.
59
Gelet op het voorgaande dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat artikel 27 van verordening nr. 1408/71, gelezen in samenhang met bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a) en b), daarbij, aldus moet worden uitgelegd dat het pensioen van een pensioengerechtigde, in omstandigheden als die in het hoofdgeding, moet worden beschouwd verschuldigd te zijn vanaf het begin van de periode waarvoor dit pensioen daadwerkelijk aan deze betrokkene is uitbetaald, ongeacht de datum waarop het recht op dit pensioen formeel is vastgesteld en ook wanneer deze periode, in voorkomend geval, ingaat vóór de datum van het besluit tot toekenning van dit pensioen. De artikelen 27 en 84 bis van verordening nr. 1408/71, gelezen in samenhang met bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a) en b), daarbij, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich, in omstandigheden als die in het hoofdgeding, verzetten tegen een regeling van een lidstaat die niet toestaat dat de rechthebbende op een door deze lidstaat met één jaar terugwerkende kracht toegekend pensioen zich met diezelfde terugwerkende kracht aansluit bij een verplichte zorgverzekering, en die ertoe leidt dat aan deze rechthebbende elke bescherming op het gebied van de sociale zekerheid wordt ontnomen, zonder dat alle relevante omstandigheden, met name die welke betrekking hebben op de persoonlijke situatie van deze rechthebbende, in aanmerking zijn genomen.
Kosten
60
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 27 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1992/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006, gelezen in samenhang met bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a) en b), bij verordening nr. 1408/71, moet aldus worden uitgelegd dat het pensioen van een pensioengerechtigde, in omstandigheden als die in het hoofdgeding, moet worden beschouwd verschuldigd te zijn vanaf het begin van de periode waarvoor dit pensioen daadwerkelijk aan deze betrokkene is uitbetaald, ongeacht de datum waarop het recht op dit pensioen formeel is vastgesteld en ook wanneer deze periode, in voorkomend geval, ingaat vóór de datum van het besluit tot toekenning van dit pensioen.
De artikelen 27 en 84 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1992/2006, gelezen in samenhang met bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a) en b), daarbij, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich, in omstandigheden als die in het hoofdgeding, verzetten tegen een regeling van een lidstaat die niet toestaat dat de rechthebbende op een door deze lidstaat met één jaar terugwerkende kracht toegekend pensioen, zich met diezelfde terugwerkende kracht aansluit bij een verplichte zorgverzekering, en die ertoe leidt dat aan deze rechthebbende elke bescherming op het gebied van de sociale zekerheid wordt ontnomen, zonder dat alle relevante omstandigheden, met name die welke betrekking hebben op de persoonlijke situatie van deze rechthebbende, in aanmerking zijn genomen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 04‑06‑2015
Conclusie 12‑02‑2015
P. Mengozzi
Partij(en)
Zaak C-543/131.
Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank
tegen
E. Fischer-Lintjens
[verzoek van de Centrale Raad van Beroep (Nederland) om een prejudiciële beslissing]
I — Inleiding
1.
De onderhavige prejudiciële verwijzing van de Centrale Raad van Beroep (Nederland) heeft in wezen betrekking op de uitlegging van artikel 27 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen2., zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 631/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 20043. en bij verordening nr. 1992/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 20064. (hierna: ‘verordening nr. 1408/71’).
2.
De verwijzende rechter vraagt zich met name af of het begrip ‘verschuldigde’ pensioenen of renten, zoals bedoeld in artikel 27 van verordening nr. 1408/71, aldus kan worden uitgelegd dat voor de vaststelling vanaf welk tijdstip een pensioen of rente ‘verschuldigd’ is, beslissend is de datum waarop een toekenningsbesluit is genomen en waarna het pensioen is uitbetaald, dan wel de ingangsdatum van het met terugwerkende kracht toegekende pensioen. Voor het geval dat de tweede in zijn eerste prejudiciële vraag genoemde mogelijkheid moet worden aanvaard, wenst de verwijzende rechter te vernemen of deze uitlegging verenigbaar is met het feit dat de pensioengerechtigde die onder artikel 27 van verordening nr. 1408/71 valt zich ingevolge de Nederlandse wetgeving niet met eenzelfde terugwerkende kracht kan verzekeren voor een zorgverzekering.
3.
Deze vragen zijn gerezen in een procedure van de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: ‘SVB’) tegen E. Fischer-Lintjens betreffende de intrekking van een verklaring, een zogeheten ‘artikel 21-verklaring’5., waarin was bevestigd dat Fischer-Lintjens was vrijgesteld van de verplichting om over een Nederlandse zorgverzekering te beschikken. Een dergelijke verzekering is volgens de regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, verplicht teneinde in Nederland in aanmerking te kunnen komen voor verstrekkingen ten laste van deze lidstaat.
4.
Fischer-Lintjens is geboren op 1 december 1934. Zij heeft tot 1 september 1970 in Nederland gewoond. Vervolgens heeft zij tot 1 mei 2006 in Duitsland gewoond. Zij woont sindsdien weer in Nederland.
5.
Sinds oktober 2004 wordt door de Bondsrepubliek Duitsland aan Fischer-Lintjens een weduwenpensioen uitgekeerd. In 2006 heeft zij Duitsland verlaten om in Nederland te gaan wonen. Zij heeft zich met een E 121-formulier6. ingeschreven bij de Nederlandse zorgverzekeraar CZ (hierna: ‘CZ’) en kon vanaf 1 juni 2006 aanspraak maken op verstrekkingen krachtens artikel 28 van verordening nr. 1408/71 ten laste van de Bondsrepubliek Duitsland. Fischer-Lintjens heeft in Duitsland eveneens premies betaald voor de Duitse zorgverzekering.
6.
Op 20 oktober 2006 heeft Fischer-Lintjens van de destijds bevoegde autoriteit, namelijk het College voor zorgverzekeringen (hierna: ‘Cvz’)7., een artikel 21-verklaring verkregen. Deze verklaring was bedoeld om voor de Nederlandse premieheffende autoriteit te bewijzen dat in Nederland geen premie verschuldigd was. Uit deze verklaring bleek dat Fischer-Lintjens niet was verzekerd voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: ‘AWBZ’). Volgens die verklaring was deze bij ongewijzigde omstandigheden geldig van 1 juni 2006 tot en met 31 december 2010.
7.
Hoewel Fischer-Lintjens de leeftijd van 65 jaar had bereikt, waardoor zij in Nederland vanaf 1 december 1999 krachtens de Algemene Ouderdomswet (hierna: ‘AOW’) pensioengerechtigd was, heeft zij dat pensioen echter pas in mei 2007 aangevraagd.
8.
Bij besluit van 8 november 2007, later gewijzigd bij besluit van 24 april 2008, heeft de SVB aan Fischer-Lintjens een pensioen toegekend met één jaar terugwerkende kracht vanaf de aanvraagdatum, derhalve met ingang van 1 mei 2006.
9.
Fischer-Lintjens heeft tot en met oktober 2010 echter nagelaten de wijzigingen in haar uitkeringssituatie aan CZ, het Cvz en het Duitse ziektekostenverzekeringsorgaan (hierna: ‘DAK’) mede te delen.
10.
Fischer-Lintjens heeft het Cvz immers pas op 21 oktober 2010 ingelicht, in het kader van haar verzoek om verlenging van de artikel 21-verklaring, dat zij sinds 1 mei 2006 een AOW-pensioen ontving. Bij besluit van 2 november 2010 heeft dat orgaan Fischer-Lintjens daarop laten weten dat zij verzekeringsplichtig was voor de AWBZ en de Zorgverzekeringswet (hierna: ‘Zvw’) en dat zij derhalve in Nederland premies moest betalen. Dat besluit was gebaseerd op het feit dat Fischer-Lintjens zich niet meer in een situatie bevond op grond waarvan zij een artikel 21-verklaring kon verkrijgen, welke derhalve met terugwerkende kracht is ingetrokken.
11.
Het DAK heeft daarna de vanaf 1 juni 2006 door Fischer-Lintjens in Duitsland betaalde ziektekostenpremies aan haar gerestitueerd. CZ heeft vervolgens de aan die lidstaat vergoede zorgkosten van meer dan 11 000 EUR van Fischer-Lintjens teruggevorderd.
12.
Volgens het Cvz is Fischer-Lintjens bovendien met terugwerkende kracht verzekeringsplichtig geworden voor de AWBZ en de Zvw. Aangezien de zorgverzekering krachtens artikel 5, lid 5, Zvw slechts maximaal vier maanden nadat de verzekeringsplicht is ontstaan kan terugwerken, diende Fischer-Lintjens derhalve evenwel zelf de aan de Bondsrepubliek Duitsland vergoede zorgkosten te betalen voor het niet door een zorgverzekering gedekte tijdvak. Vanaf 1 juli 2010 beschikt zij echter over een Nederlandse zorgverzekering.
13.
Nadat haar bezwaar was afgewezen, heeft Fischer-Lintjens bij de Rechtbank Roermond met succes het besluit van het Cvz betwist. Volgens deze rechter was de artikel 21-verklaring die Fischer-Lintjens heeft ontvangen, bedoeld om rechtsgevolgen in het leven te roepen, die door de intrekking van de verklaring niet teniet konden worden gedaan.
14.
De SVB, het orgaan waaraan intussen de bevoegdheden van het Cvz waren overgedragen, heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, en voert aan dat de artikel 21-verklaring, net als het E 121-formulier, een louter declaratoire handeling is.
15.
De verwijzende rechter is van mening dat de SVB bevoegd was om met terugwerkende kracht de artikel 21-verklaring in te trekken, maar dat de SVB, door tot deze intrekking over te gaan, de belangen van Fischer-Lintjens onvoldoende in aanmerking heeft genomen. Deze rechter is van mening dat met name vanuit het rechtszekerheidsbeginsel kan voortvloeien dat de daadwerkelijke bevoegdheid om pensioenen toe te kennen en om de kosten van de verstrekkingen op zich te nemen, pas ontstaat vanaf de datum van het toekenningsbesluit waarin is vastgesteld dat de betrokkene daadwerkelijk recht heeft op het aangevraagde pensioen. Daarom vraagt hij zich af op welk tijdstip het in het hoofdgeding aan de orde zijnde pensioen daadwerkelijk aan Fischer-Lintjens ‘verschuldigd’ werd in de zin van artikel 27 van verordening nr. 1408/71, aangezien, indien dat artikel met terugwerkende kracht kan worden toegepast, dit volgens deze rechter in principe zal leiden tot het ontstaan van verscheidene rechtsgevolgen, eveneens met terugwerkende kracht, waaronder in het onderhavige geval de verplichting om over een Nederlandse zorgverzekering te beschikken.
16.
Daarop heeft de Centrale Raad van Beroep de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet het begrip ‘verschuldigd[e pensioenen of renten]’ zoals bedoeld in de artikelen 27 en volgende van verordening nr. 1408/71, aldus worden uitgelegd dat voor de vaststelling vanaf welk moment een pensioen of rente verschuldigd is, beslissend is de datum waarop een toekenningsbesluit is genomen waarna het pensioen is uitbetaald, dan wel de ingangsdatum van het met terugwerkende kracht toegekende pensioen?
- 2)
Indien met het begrip ‘verschuldigd[e pensioenen of renten]’ wordt gedoeld op de ingangsdatum van het met terugwerkende kracht toegekende pensioen:
Is hiermee te verenigen dat de pensioengerechtigde die onder artikel 27 van verordening nr. 1408/71 valt zich ingevolge de Nederlandse wetgeving niet met eenzelfde terugwerkende kracht kan verzekeren voor een zorgverzekering?’
17.
De SVB, de Nederlandse en de Duitse regering alsmede de Europese Commissie hebben met betrekking tot deze prejudiciële vragen schriftelijke opmerkingen ingediend.
II — Analyse
A — Eerste prejudiciële vraag
18.
Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen vanaf welk tijdstip, gelet op de bijzondere kenmerken van het hoofdgeding, een door de woonstaat van een sociaal verzekerde toegekend pensioen geacht moet worden ‘verschuldigd’ te zijn in de zin van artikel 27 van verordening nr. 1408/71, teneinde in samenhang daarmee het tijdstip vast te stellen waarop de bevoegdheid om hem zorgverstrekkingen te vergoeden wordt overgedragen aan deze woonstaat.
19.
Het is van belang om voor alles te benadrukken dat vaststaat dat Fischer-Lintjens tot en met 30 april 2006 in haar hoedanigheid van rechthebbende op een door de Bondsrepubliek Duitsland in deze lidstaat toegekend weduwenpensioen, onder de bevoegdheid van de autoriteiten van deze lidstaat viel.
20.
De bevoegdheid van de Duitse autoriteiten ter zake van het pensioen en de verstrekkingen is door de terugkeer van Fischer-Lintjens naar Nederland en haar beslissing om vanaf 1 mei 2006 aldaar woonachtig te zijn, niet gewijzigd.
21.
Krachtens de conflictregel van artikel 28, lid 1, van verordening nr. 1408/71 heeft de rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat, of op pensioenen of renten verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten, die geen recht op prestaties heeft op grond van de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont, immers niettemin recht op deze prestaties, voor zover hij op grond van de wettelijke regeling van de voor de pensioenverzekering bevoegde lidstaat, of van ten minste een van de voor deze verzekering bevoegde lidstaten, recht op prestaties zou hebben, indien hij op het grondgebied van de betrokken staat woonde.
22.
Op deze grondslag heeft Fischer-Lintjens in casu, in de eerste plaats, in oktober 2006 een artikel 21-verklaring van het Cvz ontvangen, waarin is bevestigd dat er ingevolge haar Duitse pensioen in Nederland geen premies voor de zorgverzekering verschuldigd waren, en zijn, in de tweede plaats, de verstrekkingen die zij in deze lidstaat heeft verkregen, voor rekening gekomen van het bevoegde orgaan van de lidstaat die haar pensioen verschuldigd is, namelijk de Bondsrepubliek Duitsland, waaraan Fischer-Lintjens premies is blijven betalen.
23.
Zodra Fischer-Lintjens een Nederlands pensioen ging ontvangen, na haar verzoek van mei 2007, is haar situatie daarentegen overgegaan van de werkingssfeer van artikel 28, lid 1, van verordening nr. 1408/71 naar die van artikel 27 van deze verordening.
24.
Volgens deze laatstgenoemde bepaling krijgt de rechthebbende op pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten, waaronder de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woonachtig is, die recht heeft op prestaties op grond van de wettelijke regeling van laatstbedoelde lidstaat, eventueel met inachtneming van artikel 18 en van bijlage VI bij verordening nr. 1408/71, immers prestaties van het orgaan van de woonplaats en voor rekening van dit orgaan, alsof de betrokkene uitsluitend recht had op een pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van deze lidstaat.
25.
Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, legt het aldus met name bij de artikelen 27 en 28 van verordening nr. 1408/71 ingevoerde stelsel een verband tussen de bevoegdheid om pensioenen of renten toe te kennen en de verplichting om op te komen voor de kosten van de verstrekkingen, waaruit volgt dat deze verplichting afhankelijk is van een daadwerkelijke bevoegdheid ter zake van pensioenen.8.
26.
De verwijzende rechter vraagt zich evenwel af op welk tijdstip het Nederlandse pensioen van Fischer-Lintjens geacht moet worden ‘verschuldigd’ te zijn in de zin van artikel 27 van verordening nr. 1408/71, om te kunnen vaststellen dat de bevoegdheid is overgedragen aan het Koninkrijk der Nederlanden, sinds 1 mei 2006 de woonstaat van Fischer-Lintjens.
27.
Deze vraag is verklaarbaar op grond van de bijzondere omstandigheden van het hoofdgeding, aangezien er sprake is van een discrepantie in de tijd tussen enerzijds het tijdstip waarop het besluit van de SVB waarbij het recht op pensioen is vastgesteld, is genomen en de datum waarop de eerste pensioenbetaling is verricht, namelijk 8 november 2007, en anderzijds het tijdstip waarop dat besluit in werking is getreden, namelijk met terugwerkende kracht tot 1 mei 2006, dat wil zeggen één jaar voor de indiening van het verzoek van Fischer-Lintjens bij de SVB om haar in Nederland een pensioen toe te kennen.
28.
Op deze vraag stellen de betrokkenen een eenduidig antwoord voor, namelijk dat het bepalende element om het tijdstip vast te stellen waarop een pensioen ‘verschuldigd’ is in de zin van artikel 27 van verordening nr. 1408/71, de datum is waarop dat met terugwerkende kracht toegekende pensioen is ingegaan, in casu op 1 mei 2006. Zich baserend op het arrest Rundgren (C-389/99, EU:C:2001:264) stellen deze partijen in wezen dat het feit dat het pensioen met terugwerkende kracht is toegekend geen invloed heeft op het feit dat het recht om dat pensioen te verkrijgen daadwerkelijk bestaat.
29.
Ik kan mij verenigen met dat standpunt voor zover vaststaat, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan, dat het betrokken pensioen daadwerkelijk is uitbetaald vanaf het begin van het tijdvak waarin het is ingegaan, namelijk vanaf 1 mei 2006.
30.
Een aantal aan de rechtspraak van het Hof en de bescherming van de rechten van betrokkenen ontleende argumenten pleiten ten gunste van een dergelijke oplossing.
31.
Zich baserend op een systematische uitlegging van verordening nr. 1408/71, heeft het Hof in het arrest Rundgren (C-389/99, EU:C:2001:264) gepreciseerd dat, met name wat betreft artikel 27 van verordening nr. 1408/71, het feit dat het opkomen voor de kosten van de verstrekkingen afhankelijk is van de daadwerkelijke bevoegdheid ter zake van pensioenen, op welk feit ik reeds heb gewezen, inhoudt dat dat opkomen voor de kosten niet kan worden toegerekend aan het orgaan van een lidstaat die slechts een eventuele bevoegdheid ter zake van pensioenen heeft. Volgens het Hof wordt bijgevolg in artikel 27 van verordening nr. 1408/71, net als in de artikelen 28 en 28 bis daarvan, met de verwijzing naar verschuldigde pensioenen of renten een ‘daadwerkelijk aan de betrokkene’ uitbetaald pensioen of rente bedoeld.9.
32.
Het Hof heeft de reikwijdte van de artikelen 27, 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 in de zin zoals ik die zojuist heb vermeld, moeten preciseren in een context waarin de woonstaat van de rechthebbende op een ouderdomspensioen van een andere lidstaat, van hem toch — louter op grond van zijn woonplaats — de betaling van pensioenpremies en socialezekerheidspremies vorderde. De woonstaat, in dat geval Finland, was van mening dat het voor de uitsluiting van de verplichting tot betaling van premies niet volstond dat de betrokkene een verklaring had overgelegd volgens welke hij in deze lidstaat geen pensioen had aangevraagd of had ontvangen. Volgens de Finse autoriteiten had de betrokkene daarenboven moeten aantonen dat hij niet beschikte over een (theoretisch) recht op pensioen in Finland. Het Hof heeft deze argumentatie afgewezen door te benadrukken dat er sprake moet zijn van daadwerkelijke betaling van het pensioen aan de betrokkene, voordat de lidstaat de betaling van sociale premies kan vorderen.
33.
In het onderhavige geval lijdt het geen twijfel dat het pensioen dat Fischer-Lintjens in Nederland toekomt, daadwerkelijk aan haar is betaald. Het gaat er in de onderhavige zaak derhalve niet om zich wederom, zoals in de genoemde zaak Rundgren, te verdiepen in de tegenstelling van algemene aard tussen een theoretisch recht op pensioen en de concretisering van dat recht door de daadwerkelijke betaling van dat pensioen. Het arrest Rundgren (C-389/99, EU:C:2001:264) vormt met andere woorden een goed vertrekpunt voor de redenering die moet worden gevolgd om bij te dragen tot de beantwoording van de eerste door de verwijzende rechter voorgelegde prejudiciële vraag, maar is geenszins voldoende om er een volledig antwoord op te geven.
34.
Ten slotte ben ik van mening dat de voorgelegde prejudiciële vraag vereist dat wordt vastgesteld of artikel 27 van verordening nr. 1408/71 eraan in de weg staat dat een lidstaat kan besluiten dat een pensioen ‘daadwerkelijk betaald’ kan zijn voor een tijdvak vóór de datum waarop de bevoegde autoriteiten van de lidstaat het recht op pensioen formeel hebben toegekend.
35.
Het is immers van belang eraan te herinneren dat de SVB de gevolgen van zijn besluit van 8 november 2007, waarbij het recht op pensioen van Fischer-Lintjens in Nederland is vastgesteld, op de grondslag van artikel 16, lid 2, AOW met één jaar, vanaf de indiening van de aanvraag door deze persoon, heeft laten terugwerken.
36.
Aangezien het pensioen pas ‘daadwerkelijk betaald’ is na het besluit van 8 november 2007, zou het op het eerste gezicht kunnen lijken dat het pensioen dus pas na genoemd besluit ‘verschuldigd’ is geworden, als bedoeld in artikel 27 van verordening nr. 1408/71.
37.
Ik ben evenwel van mening dat een dergelijke uitlegging niet kan worden aanvaard. Het arrest Rundgren (C-389/99, EU:C:2001:264) heeft in wezen gepreciseerd dat een pensioen pas ‘verschuldigd’ is wanneer het, om te beginnen, is toegekend door het bevoegde orgaan van een lidstaat, in voorkomend geval na een desbetreffende aanvraag, en, vervolgens, daadwerkelijk is betaald door genoemd orgaan. Dat houdt niet in dat het tijdstip waarop het pensioen wordt toegekend en het tijdstip waarop het verschuldigd is, in de zin van ‘daadwerkelijk betaald’, noodzakelijkerwijs overeenkomen. Wanneer een pensioen wordt toegekend, kan dat met terugwerkende kracht gebeuren. In dat geval erkent het bevoegde orgaan dat het pensioen vóór zijn besluit verschuldigd was, maar dat het om feitelijke redenen die, zoals in het onderhavige geval, met name verband houden met de indiening en de behandeling van een aanvraag van een verzekerde, pas later is betaald. Wanneer de daadwerkelijke betaling echter een bepaald tijdvak omvat, namelijk het tijdvak vanaf het tijdstip waarop het pensioen is toegekend, zou dat pensioen volgens mij moeten worden geacht gedurende dit gehele tijdvak ‘verschuldigd’ te zijn.
38.
Indien in het hoofdgeding het in aanmerking genomen tijdstip het tijdstip van de vaststelling van het besluit van 8 november 2007 zou zijn, zou — zoals de Duitse regering zeer terecht heeft benadrukt — de toepassing in de tijd van de bevoegdheid van een lidstaat ter zake van pensioenen afhankelijk zijn van de snelheid waarmee aan de nationale overheden gerichte aanvragen worden behandeld.
39.
Zoals het Hof herhaaldelijk heeft gepreciseerd, hangt de toepassing van de conflictregels van verordening nr. 1408/71 alleen af van de objectieve situatie waarin de betrokkene zich bevindt.10.
40.
Net zo min als een sociaal verzekerde zich kan onttrekken aan of afstand kan doen van het bij verordening nr. 1408/71, met name artikel 27 daarvan11., ingevoerde stelsel, staat deze verordening de lidstaten ook niet toe dat zij hun overheden discretionair laten beoordelen vanaf welk tijdstip moet worden geconstateerd dat er sprake is van overdracht van bevoegdheden tussen twee lidstaten in de in die bepaling bedoelde situatie.
41.
Het doel van de conflictregels van verordening nr. 1408/71 is immers juist dat elke sociaal verzekerde die binnen de werkingssfeer ervan valt, doorlopend is gedekt zonder dat discretionaire keuzes aan de beoordeling van het individu of van de bevoegde organen van de lidstaten worden gelaten.12.
42.
De erkenning dat het recht op pensioen terugwerkende kracht kan hebben en dat het pensioen kan worden betaald voor het tijdvak vóór de vaststelling van het besluit waarbij formeel wordt vastgesteld dat er sprake is van genoemd recht, sluit aan bij de eerbiediging van de rechten van de sociaal verzekerden en bij de continuïteit van hun dekking, met het doel om de overdracht van bevoegdheden ter zake van pensioenen tussen twee lidstaten neutraal te laten verlopen vanuit het gezichtspunt van de begunstigde van de sociale prestaties.
43.
Bijgevolg stel ik het Hof voor artikel 27 van verordening nr. 1408/71 aldus uit te leggen dat het begrip ‘verschuldigd’ het tijdvak omvat waarin een betrokkene recht op een pensioen heeft, ongeacht het tijdstip waarop dat recht formeel is vastgesteld, wanneer dit pensioen voor dat tijdvak daadwerkelijk is betaald, ook wanneer dat met terugwerkende kracht is gebeurd.
44.
Voor het geval het Hof instemt met deze uitlegging, dient de tweede door de verwijzende rechter voorgelegde prejudiciële vraag te worden onderzocht en beantwoord.
B — Tweede prejudiciële vraag
45.
Met zijn tweede prejudiciële vraag, die de kern vormt van het hoofdgeding, wenst de verwijzende rechter te vernemen of een nationale regeling, zoals artikel 5, lid 5, Zvw, die bepaalt dat de zorgverzekering slechts met maximaal vier maanden terugwerkende kracht vanaf het ontstaan van de verzekeringsplicht kan ingaan, verenigbaar is met het recht van de Unie. Er is volgens de verwijzende rechter dus sprake van een ‘hiaat’ tussen de overdracht van bevoegdheid ten gunste van het Koninkrijk der Nederlanden krachtens artikel 27 van verordening nr. 1408/71 en de (verplichte) aansluiting bij een zorgverzekering in deze lidstaat.
46.
Terwijl de Duitse regering van mening is dat de beperking van de terugwerkende kracht van de zorgverzekering tot vier maanden in strijd is met de doelstelling om de sociale zekerheidsstelsels van de lidstaten te coördineren, zijn de SVB, de Nederlandse regering en de Commissie in wezen van mening dat het ‘hiaat’ waarvan de verwijzende rechter gewag maakt, het gevolg is van de onjuiste opvatting van Fischer-Lintjens omtrent haar informatieverplichting jegens de bevoegde autoriteiten, hoewel zij zich, overeenkomstig bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a), bij verordening nr. 1408/71 en de Nederlandse wetgeving, vanaf 1 mei 2006 had moeten verzekeren bij een zorgverzekeraar in Nederland.
47.
Volgens deze betrokkenen kan Fischer-Lintjens tegen deze argumentatie niet een vermeende bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen in de instandhouding van de geldigheid van de artikel 21-verklaring inbrengen, aangezien deze enkel van declaratoire aard is en op basis van onjuiste informatie is afgegeven. De SVB en de Nederlandse regering stellen dat het recht van de Unie zich in elk geval niet verzet tegen een verregaande beperking van het met terugwerkende kracht ingaan van de zorgverzekering. In Nederland bestaat slechts een recht op verstrekkingen wanneer de sociaal verzekerde een zorgverzekering heeft afgesloten, welke in deze lidstaat geen publiekrechtelijke verzekering is maar een privaatrechtelijke schadeverzekering, die beoogt de risico's te dekken die voortvloeien uit de verwezenlijking van toekomstige gebeurtenissen, die moet worden afgesloten bij een particuliere maatschappij en waarvoor de mogelijkheden om haar met terugwerkende kracht af te sluiten beperkt zijn met het doel het solidariteitsbeginsel te waarborgen, hetgeen rechtvaardigt dat deze nationale maatregel eventueel belemmerend werkt.
48.
De door deze drie betrokkenen aangevoerde argumenten overtuigen mij niet helemaal.
49.
Zeker, ik geef toe dat artikel 27 van verordening nr. 1408/71 het recht formuleert van de rechthebbende op pensioenen of renten verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten, waaronder de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woonachtig is, op prestaties op grond van de wettelijke regeling van laatstbedoelde lidstaat, eventueel met inachtneming van bijlage VI van genoemde verordening. Het is juist dat punt 1, onder a), i), van rubriek R van genoemde bijlage, met het opschrift ‘[z]orgverzekering’, vermeldt dat ‘[w]at betreft het recht op verstrekkingen krachtens de Nederlandse wetgeving […] onder ‘rechthebbenden op [genoemde] verstrekkingen’ [wordt] verstaan: personen die overeenkomstig artikel 2 van de [Zvw] verplicht zijn zich te verzekeren bij een zorgverzekeraar’, terwijl datzelfde punt 1, onder b), preciseert dat ‘[p]ersonen als bedoeld onder a), i) […] zich overeenkomstig de [Zvw moeten] verzekeren bij een zorgverzekeraar […]’.
50.
Het lijdt derhalve geen twijfel dat, om in aanmerking te komen voor door Nederland, sinds 1 mei 2006 de woonstaat van Fischer-Lintjens, toegekende verstrekkingen, laatstgenoemde verplicht was, overeenkomstig bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a), i), en onder b), bij verordening nr. 1408/71 en de bepalingen van de Zvw, zich te verzekeren bij een zorgverzekeraar.
51.
Ik aanvaard tevens dat een sociaal verzekerde, zoals Fischer-Lintjens, om een dergelijke vaststelling te betwisten, zich niet kan baseren op het gerechtvaardigd vertrouwen dat hij koestert in de instandhouding van de geldigheid van een verklaring, zoals de in oktober 2006 door het Cvz afgegeven artikel 21-verklaring, waarbij destijds de vrijstelling van Fischer-Lintjens van haar verplichting om zich te verzekeren bij een Nederlandse zorgverzekeraar en van het betalen van sociale premies in Nederland, is bevestigd. Zoals de SVB en de Commissie ter verdediging hebben aangevoerd, in navolging van hetgeen het Hof juist betreffende het E 121-formulier heeft geoordeeld, is een dergelijke verklaring, die niet meer is dan een vertaling van genoemd formulier, immers zuiver declaratoir.13. Afgezien daarvan blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte feiten dat deze verklaring uitsluitend ‘bij ongewijzigde omstandigheden’ geldig was tot en met 31 december 2010.
52.
Ik kan echter niet instemmen met het standpunt van deze zelfde betrokkenen dat een situatie zoals die in het hoofdgeding uiteindelijk slechts het gevolg is van de nalatigheid van de sociaal verzekerde om de noodzakelijke informatie met betrekking tot zijn persoonlijke situatie aan de bevoegde organen te verstrekken, en niet de uitkomst is van de bij de Nederlandse wetgeving vastgestelde grenzen aan de terugwerkende kracht van de zorgverzekering, die de rechthebbende op een door het Koninkrijk der Nederlanden betaald pensioen — welke rechthebbende in deze lidstaat woonachtig is — verplicht moet afsluiten teneinde in aanmerking te komen voor door deze staat toegekende verstrekkingen.
53.
Zoals de verwijzende rechter kort aanstipt, kan een persoon aan wie door de Nederlandse autoriteiten de betaling van een pensioen wordt toegekend met een terugwerkende kracht van meer dan vier maanden vanaf de datum van indiening van de aanvraag daarvoor, in Nederland immers nooit, met name in het geval waarin hij tot dan toe recht had op zorgverstrekkingen ten laste van een andere lidstaat, een zorgverzekering afsluiten met een terugwerkende kracht van meer dan vier maanden.
54.
In het geval van Fischer-Lintjens had zij, indien zij de bevoegde organen op 8 november 2007 — de vaststellingsdatum van het besluit van de SVB waarbij haar recht op pensioen in Nederland met terugwerkende kracht tot 1 mei 2006 is vastgesteld — onmiddellijk had ingelicht, aldus krachtens artikel 5, lid 5, Zvw, dat de terugwerkende kracht van de zorgverzekering tot maximaal vier maanden beperkt, op zijn vroegst pas vanaf juli 2007 een zorgverzekering kunnen afsluiten.
55.
Los van het feit dat de door Fischer-Lintjens verstrekte informatie mogelijkerwijs te laat was ingediend, een vraag die ik later zal bespreken, doet het feit dat een ingezetene die rechthebbende is op een door het Koninkrijk der Nederlanden betaald pensioen en die krachtens artikel 27 juncto bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a), i), en onder b), van verordening nr. 1408/71 verplicht is zich in deze lidstaat bij een zorgverzekeraar te verzekeren, deze verplichting niet volledig kan nakomen op grond van de door de wettelijke bepalingen van genoemde lidstaat gestelde grenzen, volgens mij afbreuk aan de nuttige werking van het bij verordening nr. 1408/71 ingestelde stelsel en van de krachtens deze verordening op de sociaal verzekerden rustende verplichtingen.
56.
Zoals ik reeds in herinnering heb geroepen, hangt de toepassing van de conflictregels van verordening nr. 1408/71 immers alleen af van de objectieve situatie waarin de betrokken sociaal verzekerde zich bevindt. Deze conflictregels gelden dwingend zowel voor de lidstaten als voor de betrokken personen en eerstgenoemden kunnen derhalve laatstgenoemden niet beletten de verplichtingen die krachtens deze verordening op hen rusten, volledig na te komen. In het onderhavige geval kan het Koninkrijk der Nederlanden volgens mij een ingezetene niet de mogelijkheid ontnemen om te voldoen aan de verplichting om een zorgverzekering af te sluiten vanaf het tijdstip waarop deze lidstaat bevoegd wordt om ten gunste van deze verzekerde een pensioen toe te kennen en om de kosten van de sociale prestaties die hem worden toegekend, op zich te nemen, alsmede om de sociale premies bij genoemde verzekerde te heffen.
57.
Indien de lidstaten een dergelijke vrijheid van handelen zouden hebben, zou dat ertoe leiden dat deze personen, die binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 vallen, wegens het ontbreken van een toepasselijke wettelijke regeling geen enkele socialezekerheidsbescherming zouden genieten.14. De situatie van Fischer-Lintjens maakt dat risico volkomen duidelijk, aangezien de dekking voor zorgkosten waarvoor zij ten laste van de Duitse bevoegde organen in aanmerking kwam, met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2006 is beëindigd, terwijl zij in het gunstigste geval pas vanaf juli 2007 in Nederland een zorgverzekering zou hebben kunnen afsluiten, hoewel deze laatstgenoemde lidstaat vanaf 1 mei 2006 bevoegd is geworden om haar een pensioen te betalen en haar in samenhang daarmee sociale prestaties toe te kennen uit hoofde van verordening nr. 1408/71.
58.
Het betoog, dat de Nederlandse regering voert, dat een tot maximaal vier maanden beperkte terugwerkende kracht van de zorgverzekering gerechtvaardigd is omdat het bij de regeling toegepaste solidariteitsbeginsel moet worden gewaarborgd en omdat misbruik moet worden voorkomen, lijkt mij geenszins relevant in een context zoals die in het hoofdgeding.
59.
Daar een dergelijke verzekering verplicht is en de terugwerkende kracht ervan in principe krachtens de Nederlandse wetgeving zelf is toegestaan, en daar geen enkel feit van het hoofdgeding erop wijst dat Fischer-Lintjens de bedoeling heeft gehad misbruik te maken van de bepalingen van het recht van de Unie15., kan het Koninkrijk der Nederlanden de personen die binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 vallen, immers niet de mogelijkheid ontnemen om te voldoen aan de krachtens deze verordening op hen rustende verplichtingen teneinde volledig de rechten te kunnen genieten die deze verordening hun toekent, dat wil in het onderhavige geval zeggen het recht om dekking van de zorgkosten te verkrijgen vanaf het tijdstip waarop deze lidstaat, met terugwerkende kracht tot 1 mei 2006, bevoegd is geworden om het aan Fischer-Lintjens verschuldigde pensioen te betalen en sociale prestaties aan haar toe te kennen.16.
60.
Een dergelijke benadering is niet in strijd met het oordeel van het Hof in punt 76 van het arrest Van Delft e.a. (C-345/09, EU:C:2010:610) dat de solidariteit van een nationaal socialezekerheidsstelsel (het ging daar eveneens om het Nederlandse stelsel) dwingend moet worden gewaarborgd door alle eronder vallende sociaal verzekerden, onafhankelijk van het individuele gedrag waartoe elk van hen op basis van persoonlijke parameters kan besluiten.
61.
In de eerste plaats had dat oordeel immers betrekking op de betaling door de sociaal verzekerden van de ingehouden bijdragen of premies aan de bevoegde organen van de lidstaat waarvan de wetgeving de grondslag voor het bestaan van het recht op sociale prestaties geeft, een verplichting die in het onderhavige geval niet ter discussie wordt gesteld, vanaf het tijdstip waarop het Koninkrijk der Nederlanden een pensioen verschuldigd wordt en bevoegd wordt om sociale prestaties aan een sociaal verzekerde, zoals Fischer-Lintjens, toe te kennen. In de tweede plaats beoogde het oordeel van het Hof in het arrest Van Delft e.a. eraan te herinneren dat de conflictregels van de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 dwingend gelden voor de sociaal verzekerden en dat zij zich derhalve niet kunnen onttrekken aan de betaling van de ingehouden sociale bijdragen of premies, die zijn voorzien bij de wetgeving van een lidstaat die een pensioen verschuldigd is en die verplicht is aan deze sociaal verzekerden verstrekkingen toe te kennen. Dat is volgens mij precies de objectieve situatie die voortvloeit uit de conflictregel van artikel 27 en van bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a), i), en onder b), van verordening nr. 1408/71, die een lidstaat, welke in principe terugwerkende kracht van particuliere zorgverzekeringsovereenkomsten toestaat, verplicht die overeenkomsten te laten terugwerken, zodat precies deze objectieve situatie wordt weergegeven en zodat de sociaal verzekerden hun uit een dergelijke situatie voortvloeiende rechten volledig kunnen uitoefenen.
62.
Met betrekking tot de onderbreking van de dekking van de zorgkosten van Fischer-Lintjens tussen november 2007 en 1 juli 2010 ben ik evenmin overtuigd van de juistheid van het betoog van de Commissie, die wijst op de uit artikel 84 bis, lid 1, van verordening nr. 1408/71 voortvloeiende informatieplicht die rust op binnen de werkingssfeer van deze verordening vallende personen, en van mening is dat Fischer-Lintjens daaraan niet heeft voldaan, hetgeen ertoe moet leiden dat zij alle gevolgen van deze nalatigheid moet dragen.
63.
Zoals de Commissie erkent, richt artikel 84 bis, lid 1, van verordening nr. 1408/71 zich immers tevens tot de bevoegde organen van de lidstaten die, overeenkomstig het beginsel van behoorlijk bestuur, elke vraag binnen een redelijke termijn moeten beantwoorden en ‘aan de betrokkenen in dit verband alle informatie [moeten verstrekken] die nodig is voor de uitoefening van de uit hoofde van […] verordening [nr. 1408/71] toegekende rechten’.
64.
In het onderhavige geval moet deze verplichting mijns inziens worden beoordeeld in de context van de bijzondere kenmerken van het verplichte zorgverzekeringsstelsel in Nederland, dat niet voorziet in een publiekrechtelijke ziektekostenverzekering, maar de betrokkenen verplicht stappen te ondernemen om een dergelijke verzekering bij een particuliere verzekeringsmaatschappij af te sluiten.
65.
Ik ben van mening dat het in een dergelijke context aan de bevoegde Nederlandse organen was, in het onderhavige geval de SVB, om Fischer-Lintjens overeenkomstig artikel 84 bis, lid 1, van verordening nr. 1408/71, naar aanleiding van de mededeling van het besluit van 8 november 2007 in antwoord op de aanvraag van laatstgenoemde om in Nederland voor een pensioen in aanmerking te komen, voldoende informatie te verstrekken opdat zij kon begrijpen dat zij bij een particuliere verzekeringsmaatschappij een zorgverzekering moest afsluiten om volledig de rechten te genieten die haar bij verordening nr. 1408/71 zijn toegekend. Hoewel dat niet het geval lijkt te zijn geweest, staat het hoe dan ook aan de verwijzende rechter om de juistheid van dat punt na te gaan.
66.
Indien de bevoegde organen aan deze eenvoudige verplichting hadden voldaan, en los van de reeds onderzochte wettelijke beperkingen betreffende de terugwerkende kracht van de zorgverzekering, is het zeer waarschijnlijk dat Fischer-Lintjens onmiddellijk de noodzakelijke stappen zou hebben ondernomen om een dergelijke verzekering af te sluiten en dus niet te maken zou hebben gekregen met een onderbreking van haar dekking voor zorgkosten voor de periode vanaf november 2007.
67.
Gelet op het bovenstaande ben ik van mening dat de tweede prejudiciële vraag aldus moet worden beantwoord dat een lidstaat die aan een sociaal verzekerde die onder artikel 27 en bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a), i), en onder b), van verordening nr. 1408/71 valt, een pensioen toekent dat met terugwerkende kracht ingaat, deze sociaal verzekerde moet toestaan een verplichte zorgverzekering af te sluiten met dezelfde terugwerkende kracht, zodat de objectieve situatie wordt weergegeven die voortvloeit uit de toepassing van deze bepalingen van verordening nr. 1408/71.
III — Conclusie
68.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Centrale Raad van Beroep als volgt te beantwoorden:
- 1.
Artikel 27 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, moet aldus worden uitgelegd dat het begrip ‘verschuldigd’ het tijdvak omvat waarin een betrokkene recht heeft op een pensioen of een rente, ongeacht het tijdstip waarop dat recht formeel is vastgesteld, wanneer dit pensioen of deze rente voor dat tijdvak daadwerkelijk is betaald, ook wanneer dat met terugwerkende kracht is gebeurd.
- 2.
Een lidstaat die aan een sociaal verzekerde die valt onder artikel 27 en bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a), i), en onder b), van verordening nr. 1408/71, een pensioen toekent dat met terugwerkende kracht ingaat, moet die sociaal verzekerde toestaan een verplichte zorgverzekering af te sluiten met dezelfde terugwerkende kracht, zodat de objectieve situatie wordt weergegeven die voortvloeit uit de toepassing van deze bepalingen van genoemde verordening nr. 1408/71.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑02‑2015
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB L 149, blz. 2, geconsolideerde versie PB 1997, L 28, blz. 1.
PB L 100, blz. 1.
PB L 392, blz. 1.
Deze declaratoire verklaring is gebaseerd op artikel 21 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999.
Het binnen de Europese Unie geüniformeerde E 121-formulier vormt de vereiste verklaring voor de inschrijving van een rechthebbende op door een lidstaat aan het orgaan van zijn woonplaats betaald pensioen of rente.
Volgens de verwijzende rechter zijn de bevoegdheden van het Cvz met betrekking tot de afgifte van artikel 21-verklaringen met ingang van 15 maart 2011 overgedragen aan de SVB. De door het Cvz afgegeven verklaringen worden echter aangemerkt als door de SVB afgegeven verklaringen, hetgeen verklaart dat dit orgaan partij is in het hoofdgeding.
Zie in deze zin arresten Rundgren (C-389/99, EU:C:2001:264, punten 46 en 47) en Van der Helder en Farrington (C-321/12, EU:C:2013:648, punten 44 en 47).
Arrest Rundgren (C-389/99, EU:C:2001:264, punt 47).
Zie met name arresten Van Delft e.a. (C-345/09, EU:C:2010:610, punt 52) en Somova (C-103/13, EU:C:2014:2334, punt 55).
Zie naar analogie, betreffende artikel 28, lid 1, van verordening nr. 1408/71, arrest Somova (C-103/13, EU:C:2014:2334, punten 55 en 56).
Zie in deze zin arrest Somova (C-103/13, EU:C:2014:2334, punten 54 en 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest Van Delft e.a. (C-345/09, EU:C:2010:610, punt 62).
Zie naar analogie met name arrest Kuusijärvi (C-275/96, EU:C:1998:279, punt 28).
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt met name dat tot aan de wijziging met terugwerkende kracht van haar situatie, Fischer-Lintjens de sociale premies is blijven betalen aan het DAK, het Duitse bevoegde orgaan.
Het door de Nederlandse regering ter aanvulling aangevoerde argument dat de bij particuliere verzekeringsmaatschappijen gesloten overeenkomsten zijn gebaseerd op een individuele beoordeling van de risico's en derhalve niet meer dan vier maanden kunnen terugwerken, lijkt mij twijfelachtig. In de eerste plaats vormt het risico, zodra de terugwerkende kracht in principe is toegestaan, immers reeds een zeer betrekkelijk criterium. In de tweede plaats, zoals advocaat-generaal Jääskinen in voetnoot 22 van zijn conclusie in de zaak Van Delft e.a. (C-345/09, EU:C:2010:438) heeft gepreciseerd, is het Nederlandse verplichte verzekeringsstelsel een stelsel waaronder de verzekerden zich moeten verzekeren tegen bepaalde risico's en de verzekeraar standaardovereenkomsten moet aanbieden die de basiszorg dekken zonder individuele beoordeling van de risico's.