Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:89 BW:Klachtplicht
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:89 BW
Klachtplicht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 15-09-2025
Actueel t/m
15-09-2025
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. F.J.P. Lock
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:89 BW
Art. 6:89 BW ziet op elke rechtsvordering van de schuldeiser die en ieder verweer dat feitelijk is gegrond op het niet-beantwoorden van de verrichte prestatie aan de overeenkomst, ook indien door de schuldenaar op deze grondslag een rechtsvordering uit bedrog of onrechtmatige daad wordt gebaseerd.1Art. 6:89 BW is in beginsel van toepassing op alle verbintenissen, waaronder die uit hoofde van een arbeidsovereenkomst en die tot betaling van een geldsom.2 De klachtplicht is ook van toepassing op overeenkomsten die een voortdurende verplichting behelzen en in gevallen waarin ook het gestelde tekortschieten een voortdurend karakter heeft,3 maar ziet niet (mede) op gevallen waarin in het geheel geen prestatie is verricht.4
De stelplicht en bewijslast ten aanzien van het gebrek rusten op de partij die dit gebrek aan zijn rechtsvordering of verweer ten grondslag legt.
Beroep op klachtplicht: bevrijdend verweer
Het heeft lang geduurd voordat de Hoge Raad duidelijkheid heeft geschapen over de vraag op wie de stelplicht en bewijslast rusten met betrekking tot de feiten die een beroep op art. 6:89 BW kunnen dragen. In diverse arresten is de kwestie aan de orde geweest5 en in de literatuur is er veel over geschreven.6 In het arrest Far Trading/Edco heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat de stelplicht en bewijslast in beginsel, volgens de hoofdregel van art. 150 Rv, op de schuldenaar rusten, omdat het door hem gevoerde verweer dat niet tijdig is geklaagd, een bevrijdend verweer is.7 Deze bewijslastverdeling strookt met die ter zake van het bevrijdende verweer van rechtsverwerking, waar de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten die tot rechtsverwerking kunnen leiden eveneens op de schuldeiser rusten. Art. 6:89 BW moet opgevat worden als een specifieke, in de wet geregelde vorm van rechtsverwerking.
Moment van klagen
Deze hoofdregel wordt evenwel niet toegepast waar het gaat om de vraag of, en zo ja op welk moment, door de schuldeiser over het gebrek in de prestatie is geklaagd. Ten aanzien van de voor de beoordeling van die vraag relevante feiten en omstandigheden is de bewijslast, en daarmee het bewijsrisico, omgekeerd.8 Voor de beantwoording van de vraag of het recht van de schuldeiser is vervallen, is noodzakelijk dat wordt vastgesteld of, en zo ja op welk moment, door hem over het gebrek in de prestatie is geklaagd. In verband met deze bijzonderheid dient in zoverre een bijzondere regel van bewijslastverdeling als bedoeld in art. 150 Rv te gelden dat, indien de schuldenaar een op art. 6:89 BW gebaseerd verweer voert, het op de weg van de schuldeiser ligt om gemotiveerd te stellen en zo nodig te bewijzen dat en op welk tijdstip hij heeft geklaagd. Daartoe is volgens de Hoge Raad redengevend dat te zeer afbreuk zou worden gedaan aan de strekking van genoemde bepalingen om de schuldenaar te beschermen, indien op hem ook het bewijsrisico ter zake van de klacht zelf en het tijdstip daarvan zou rusten, terwijl de in dat verband relevante feiten vooral gelegen zijn in het domein van de schuldeiser.
Deze (omgekeerde) stelplicht en bewijslast komen dus pas aan de orde als de schuldenaar het verweer voert dat niet tijdig is geklaagd. Voert de schuldenaar dit verweer niet, dan kan art. 6:89 BW niet worden toegepast. Voert de schuldenaar dit verweer wel, dan moet de schuldeiser gemotiveerd stellen en zo nodig bewijzen dat en op welk moment is geklaagd. Dus pas als de schuldenaar als verweer voert dat niet tijdig is geklaagd, is het aan de schuldeiser om (voor zover hij dat nog niet heeft gedaan: alsnog) gemotiveerd te stellen en zo nodig te bewijzen dat en wanneer er geprotesteerd is.9 Deze bijzondere regel sluit aan bij andere oordelen van de Hoge Raad omtrent wie de stelplicht en bewijslast draagt bij schending van klachtplichten.10
Aanvang klachttermijn
De klachttermijn gaat lopen vanaf het moment dat de schuldeiser het gebrek in de prestatie heeft ontdekt of redelijkerwijs behoorde te ontdekken. Daarmee legt het artikel op de schuldeiser ook een onderzoeksplicht: de schuldeiser dient ter beantwoording van de vraag of hem een gebrekkige prestatie is geleverd het in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hem te verwachten onderzoek te verrichten. De lengte van de onderzoekstermijn is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval.11
Ten aanzien van het aanvangsmoment van de klachttermijn overwoog de Hoge Raad in Far Trading/Edco dat het, ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv, op de weg van de schuldenaar ligt om voldoende feiten te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit kan volgen op welk moment de schuldeiser heeft ontdekt of bij een redelijkerwijs van hem te vergen onderzoek had behoren te ontdekken dat de verrichte prestatie niet aan de overeenkomst beantwoordt. Dit leek ook al te volgen uit een arrest uit 2014,12 waar de Hoge Raad oordeelde dat het aan de schuldenaar is om zich erop te beroepen dat de schuldeiser ten aanzien van het gebrek niet aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan en dat hij (dus) te laat heeft geklaagd. Hoewel ook deze feiten veeleer in het domein van de schuldeiser dan in dat van de schuldenaar liggen en ondanks de beschermingsgedachte waarop de klachtplicht berust, rusten de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de aanvang van de klachttermijn dus op de schuldenaar.
Tijdigheid
Als het aanvangsmoment van de klachttermijn en het moment waarop geklaagd is vaststaan, dient vervolgens nog beoordeeld te worden of de schuldeiser daarmee tijdig heeft geklaagd: vormt de tijd die is verstreken tussen het tijdstip dat de bekendheid met het gebrek bestond of redelijkerwijze diende te bestaan, en dat van het protest nog wel een ‘bekwame tijd’ zoals bedoeld in art. 6:89 BW?
Deze beoordeling vindt plaats onder afweging van alle betrokken belangen en met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het geval, waaronder het nadeel dat de schuldenaar lijdt door de lengte van de in acht genomen klachttermijn,13 de aard en inhoud van de rechtsverhouding en de aard en inhoud van de prestatie.14 Deze afweging is aan de rechter, op basis van de door partijen aangedragen gegevens. De tijdigheid als zodanig hoeft een partij dan ook niet te bewijzen (dat is het domein van de rechter), alleen de feiten die daarvoor van belang kunnen zijn.
Ook ten aanzien van deze feiten heeft de Hoge Raad in Far Trading/Edco overwogen dat de bewijslast daarvan, op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv, op de schuldenaar rust:
‘Het ligt dan ook op zijn weg voldoende feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit kan volgen (…) dat het tijdsverloop vanaf dat moment tot aan het moment waarop de schuldeiser geklaagd heeft, zo lang is geweest dat in het licht van de hiervoor (…) bedoelde maatstaven niet kan worden gesproken van een tijdige klacht als bedoeld in art. 6:89 of 7:23 lid 1 BW.’
Het staat de rechter dus niet vrij om, bijvoorbeeld, ambtshalve te onderzoeken of de schuldenaar relevant nadeel heeft gehad van het tijdsverloop totdat door de schuldeiser is geklaagd. Want, aldus de Hoge Raad, het is de schuldenaar die de bewijslast (en, voeg ik toe, de stelplicht) heeft met betrekking tot de voor een geslaagd beroep op art. 6:89 BW relevante feiten. Indien de schuldeiser aanvoert dat de schuldenaar geen relevant nadeel heeft geleden, vormt dat een betwisting van het bevrijdende verweer van de schuldenaar dat er niet tijdig is geklaagd. Van die betwisting draagt de schuldeiser niet de stelplicht en de bewijslast. Het is aan de schuldenaar om tegenover een dergelijke betwisting (alsnog) gemotiveerd aan te voeren dat hij wel nadeel heeft geleden of anderszins gemotiveerd aan te voeren dat in dit geval het tijdsverloop tussen het aanvangsmoment van de klachttermijn en het klagen te lang is geweest. Van de daaraan ten grondslag gelegde feiten draagt hij dan, volgens de hoofdregel, het bewijsrisico.
Indien eenmaal vaststaat dat en wanneer er is geklaagd, is het dus aan de schuldenaar om de feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die de rechter ervan moeten overtuigen dat de klacht, gelet op alle omstandigheden van het geval, te laat is gedaan.15
Zie o.a. R.P.J.L. Tjittes, ‘De klacht- en onderzoeksplicht bij ondeugdelijke prestaties’, RMThemis 2007/1, p. 23-24; W.L. Valk, ‘Klachtplicht en bewijslast’, NTBR 2008/2, p.94-97; Krans in zijn annotatie onder HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3733 in AA 2009, p. 188-190; Snijders in zijn annotatie onder HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3733 in NJ 2008/552; S. Tamboer, ‘De klachtplicht van de koper in het Nederlandse kooprecht’, TvC 2008/6, p.223-224; J.J. Dammingh, ‘De klachtplicht van de koper in het licht van recente rechtspraak’, WPNR 2012/6915, p. 56-57; E.J. Bellaart & D.E. Alink, ‘Omkering van de bewijslast’, MvV 2011/3, p. 69 e.v.; A.L.H. Ernes & J.R. Sijmonsma, PP 2004/2, p. 18 e.v.; A.C. van Schaick, ‘Opschortingsrecht en mededelingsplicht’, NTBR 2009/4, p.135, noot 29; R.P.J.L. Tjittes & J. Kampman, ‘De klachtplicht onttroond – enige beschouwingen naar aanleiding van HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600 (Van de Steeg/Rabobank)’, Contracteren 2013/3, p. 86 e.v.; A.Ch.H. Franken, ‘De bewijslastverdeling bij de klachtplicht, HR Far Trading/Edco (12 december 2014)’, WPNR 2016/7122.
Zie voor een kritische beschouwing hierover Asser in zijn annotatie onder het arrest Far Trading/Edco in NJ 2017/263. Asser had liever gezien dat de Hoge Raad het had gehouden bij de overwegingen in HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7195, NJ 2014/496m.nt. Hijma waarin het proces ten aanzien van bewijsthema van de (on)tijdigheid van de klacht open werd gelaten. Dat zou volgens Asser de rechter in staat stellen om de stelplicht en bewijslast in het concrete geval of soort gevallen te beslissen, hetgeen meer zou aansluiten bij de werking van de norm in een veelheid van gevallen die ten opzichte van elkaar grote verschillen kunnen vertonen op het terrein van de verdeling van de informatie.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:89 BW
Klachtplicht
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 15-09-2025
15-09-2025
01-01-1992 tot: -
mr. F.J.P. Lock
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:89 BW
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 89
Gebrek
Art. 6:89 BW ziet op elke rechtsvordering van de schuldeiser die en ieder verweer dat feitelijk is gegrond op het niet-beantwoorden van de verrichte prestatie aan de overeenkomst, ook indien door de schuldenaar op deze grondslag een rechtsvordering uit bedrog of onrechtmatige daad wordt gebaseerd.1Art. 6:89 BW is in beginsel van toepassing op alle verbintenissen, waaronder die uit hoofde van een arbeidsovereenkomst en die tot betaling van een geldsom.2 De klachtplicht is ook van toepassing op overeenkomsten die een voortdurende verplichting behelzen en in gevallen waarin ook het gestelde tekortschieten een voortdurend karakter heeft,3 maar ziet niet (mede) op gevallen waarin in het geheel geen prestatie is verricht.4
De stelplicht en bewijslast ten aanzien van het gebrek rusten op de partij die dit gebrek aan zijn rechtsvordering of verweer ten grondslag legt.
Beroep op klachtplicht: bevrijdend verweer
Het heeft lang geduurd voordat de Hoge Raad duidelijkheid heeft geschapen over de vraag op wie de stelplicht en bewijslast rusten met betrekking tot de feiten die een beroep op art. 6:89 BW kunnen dragen. In diverse arresten is de kwestie aan de orde geweest5 en in de literatuur is er veel over geschreven.6 In het arrest Far Trading/Edco heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat de stelplicht en bewijslast in beginsel, volgens de hoofdregel van art. 150 Rv, op de schuldenaar rusten, omdat het door hem gevoerde verweer dat niet tijdig is geklaagd, een bevrijdend verweer is.7 Deze bewijslastverdeling strookt met die ter zake van het bevrijdende verweer van rechtsverwerking, waar de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten die tot rechtsverwerking kunnen leiden eveneens op de schuldeiser rusten. Art. 6:89 BW moet opgevat worden als een specifieke, in de wet geregelde vorm van rechtsverwerking.
Moment van klagen
Deze hoofdregel wordt evenwel niet toegepast waar het gaat om de vraag of, en zo ja op welk moment, door de schuldeiser over het gebrek in de prestatie is geklaagd. Ten aanzien van de voor de beoordeling van die vraag relevante feiten en omstandigheden is de bewijslast, en daarmee het bewijsrisico, omgekeerd.8 Voor de beantwoording van de vraag of het recht van de schuldeiser is vervallen, is noodzakelijk dat wordt vastgesteld of, en zo ja op welk moment, door hem over het gebrek in de prestatie is geklaagd. In verband met deze bijzonderheid dient in zoverre een bijzondere regel van bewijslastverdeling als bedoeld in art. 150 Rv te gelden dat, indien de schuldenaar een op art. 6:89 BW gebaseerd verweer voert, het op de weg van de schuldeiser ligt om gemotiveerd te stellen en zo nodig te bewijzen dat en op welk tijdstip hij heeft geklaagd. Daartoe is volgens de Hoge Raad redengevend dat te zeer afbreuk zou worden gedaan aan de strekking van genoemde bepalingen om de schuldenaar te beschermen, indien op hem ook het bewijsrisico ter zake van de klacht zelf en het tijdstip daarvan zou rusten, terwijl de in dat verband relevante feiten vooral gelegen zijn in het domein van de schuldeiser.
Deze (omgekeerde) stelplicht en bewijslast komen dus pas aan de orde als de schuldenaar het verweer voert dat niet tijdig is geklaagd. Voert de schuldenaar dit verweer niet, dan kan art. 6:89 BW niet worden toegepast. Voert de schuldenaar dit verweer wel, dan moet de schuldeiser gemotiveerd stellen en zo nodig bewijzen dat en op welk moment is geklaagd. Dus pas als de schuldenaar als verweer voert dat niet tijdig is geklaagd, is het aan de schuldeiser om (voor zover hij dat nog niet heeft gedaan: alsnog) gemotiveerd te stellen en zo nodig te bewijzen dat en wanneer er geprotesteerd is.9 Deze bijzondere regel sluit aan bij andere oordelen van de Hoge Raad omtrent wie de stelplicht en bewijslast draagt bij schending van klachtplichten.10
Aanvang klachttermijn
De klachttermijn gaat lopen vanaf het moment dat de schuldeiser het gebrek in de prestatie heeft ontdekt of redelijkerwijs behoorde te ontdekken. Daarmee legt het artikel op de schuldeiser ook een onderzoeksplicht: de schuldeiser dient ter beantwoording van de vraag of hem een gebrekkige prestatie is geleverd het in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hem te verwachten onderzoek te verrichten. De lengte van de onderzoekstermijn is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval.11
Ten aanzien van het aanvangsmoment van de klachttermijn overwoog de Hoge Raad in Far Trading/Edco dat het, ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv, op de weg van de schuldenaar ligt om voldoende feiten te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit kan volgen op welk moment de schuldeiser heeft ontdekt of bij een redelijkerwijs van hem te vergen onderzoek had behoren te ontdekken dat de verrichte prestatie niet aan de overeenkomst beantwoordt. Dit leek ook al te volgen uit een arrest uit 2014,12 waar de Hoge Raad oordeelde dat het aan de schuldenaar is om zich erop te beroepen dat de schuldeiser ten aanzien van het gebrek niet aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan en dat hij (dus) te laat heeft geklaagd. Hoewel ook deze feiten veeleer in het domein van de schuldeiser dan in dat van de schuldenaar liggen en ondanks de beschermingsgedachte waarop de klachtplicht berust, rusten de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de aanvang van de klachttermijn dus op de schuldenaar.
Tijdigheid
Als het aanvangsmoment van de klachttermijn en het moment waarop geklaagd is vaststaan, dient vervolgens nog beoordeeld te worden of de schuldeiser daarmee tijdig heeft geklaagd: vormt de tijd die is verstreken tussen het tijdstip dat de bekendheid met het gebrek bestond of redelijkerwijze diende te bestaan, en dat van het protest nog wel een ‘bekwame tijd’ zoals bedoeld in art. 6:89 BW?
Deze beoordeling vindt plaats onder afweging van alle betrokken belangen en met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het geval, waaronder het nadeel dat de schuldenaar lijdt door de lengte van de in acht genomen klachttermijn,13 de aard en inhoud van de rechtsverhouding en de aard en inhoud van de prestatie.14 Deze afweging is aan de rechter, op basis van de door partijen aangedragen gegevens. De tijdigheid als zodanig hoeft een partij dan ook niet te bewijzen (dat is het domein van de rechter), alleen de feiten die daarvoor van belang kunnen zijn.
Ook ten aanzien van deze feiten heeft de Hoge Raad in Far Trading/Edco overwogen dat de bewijslast daarvan, op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv, op de schuldenaar rust:
‘Het ligt dan ook op zijn weg voldoende feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit kan volgen (…) dat het tijdsverloop vanaf dat moment tot aan het moment waarop de schuldeiser geklaagd heeft, zo lang is geweest dat in het licht van de hiervoor (…) bedoelde maatstaven niet kan worden gesproken van een tijdige klacht als bedoeld in art. 6:89 of 7:23 lid 1 BW.’
Het staat de rechter dus niet vrij om, bijvoorbeeld, ambtshalve te onderzoeken of de schuldenaar relevant nadeel heeft gehad van het tijdsverloop totdat door de schuldeiser is geklaagd. Want, aldus de Hoge Raad, het is de schuldenaar die de bewijslast (en, voeg ik toe, de stelplicht) heeft met betrekking tot de voor een geslaagd beroep op art. 6:89 BW relevante feiten. Indien de schuldeiser aanvoert dat de schuldenaar geen relevant nadeel heeft geleden, vormt dat een betwisting van het bevrijdende verweer van de schuldenaar dat er niet tijdig is geklaagd. Van die betwisting draagt de schuldeiser niet de stelplicht en de bewijslast. Het is aan de schuldenaar om tegenover een dergelijke betwisting (alsnog) gemotiveerd aan te voeren dat hij wel nadeel heeft geleden of anderszins gemotiveerd aan te voeren dat in dit geval het tijdsverloop tussen het aanvangsmoment van de klachttermijn en het klagen te lang is geweest. Van de daaraan ten grondslag gelegde feiten draagt hij dan, volgens de hoofdregel, het bewijsrisico.
Indien eenmaal vaststaat dat en wanneer er is geklaagd, is het dus aan de schuldenaar om de feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die de rechter ervan moeten overtuigen dat de klacht, gelet op alle omstandigheden van het geval, te laat is gedaan.15
Voetnoten
1.
HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3733, NJ 2008/552 (Ploum/Smeets I) en HR 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2902, NJ 2017/438. De klachtplicht ziet niet op een ‘zuivere’ vordering uit onrechtmatige daad, zie HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1176, NJ 2020/7 m.nt. Smeehuijzen.
2.
HR 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1281, RvdW 2024/870, rov. 3.2.
3.
HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1270, NJ 2017/344 m.nt. Verkade.
4.
O.a. HR 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1281, RvdW 2024/870, rov. 3.3 en HR 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1536, NJ 2021/335, rov. 3.3.
5.
HR 20 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4122, NJ 2006/80; HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3733, NJ 2008/552 (Ploum/Smeets I); HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7195, NJ 2014/496m.nt. J. Hijma; HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1077, NJ 2014/275, zie hierover ook F.J.P. Lock, ‘Klacht en bewijslast, is het nu duidelijk?’, TvPP 2013-6, p. 167-171 en F.J.P. Lock, ‘Klachtplicht en bewijslast, omzwervingen van de Hoge Raad’, TvPP 2015-1, p. 3-8.
6.
Zie o.a. R.P.J.L. Tjittes, ‘De klacht- en onderzoeksplicht bij ondeugdelijke prestaties’, RMThemis 2007/1, p. 23-24; W.L. Valk, ‘Klachtplicht en bewijslast’, NTBR 2008/2, p.94-97; Krans in zijn annotatie onder HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3733 in AA 2009, p. 188-190; Snijders in zijn annotatie onder HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3733 in NJ 2008/552; S. Tamboer, ‘De klachtplicht van de koper in het Nederlandse kooprecht’, TvC 2008/6, p.223-224; J.J. Dammingh, ‘De klachtplicht van de koper in het licht van recente rechtspraak’, WPNR 2012/6915, p. 56-57; E.J. Bellaart & D.E. Alink, ‘Omkering van de bewijslast’, MvV 2011/3, p. 69 e.v.; A.L.H. Ernes & J.R. Sijmonsma, PP 2004/2, p. 18 e.v.; A.C. van Schaick, ‘Opschortingsrecht en mededelingsplicht’, NTBR 2009/4, p.135, noot 29; R.P.J.L. Tjittes & J. Kampman, ‘De klachtplicht onttroond – enige beschouwingen naar aanleiding van HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600 (Van de Steeg/Rabobank)’, Contracteren 2013/3, p. 86 e.v.; A.Ch.H. Franken, ‘De bewijslastverdeling bij de klachtplicht, HR Far Trading/Edco (12 december 2014)’, WPNR 2016/7122.
7.
HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593, NJ 2017/163m.nt. Asser (Far Trading/Edco); zie ook conclusie A-G Wesseling-van Gent voor HR 23 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8097, NJ 2011/475 m.nt. Snijders.
8.
HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593, NJ 2017/163m.nt. Asser (Far Trading/Edco), rov. 5.6.3; zie eerder E.J. Bellaart & D.E. Alink, ‘Omkering van de bewijslast’, MvV 2011/3, p. 73.
9.
HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7195, NJ 2014/496m.nt. Hijma.
10.
Zie HR 23 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8097, NJ 2011/475 m.nt. Snijders ter zake van de klachtplicht tijdens een arbitraal geding.
11.
HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7617, NJ 2008/606 m.nt. J. Hijma.
12.
HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1077, NJ 2014/275.
13.
HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7617, NJ 2008/606 m.nt. Hijma en HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600, NJ 2014/497 m.nt. Hijma.
14.
HR 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1281, RvdW 2024/870, rov. 3.2.
15.
Zie voor een kritische beschouwing hierover Asser in zijn annotatie onder het arrest Far Trading/Edco in NJ 2017/263. Asser had liever gezien dat de Hoge Raad het had gehouden bij de overwegingen in HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7195, NJ 2014/496m.nt. Hijma waarin het proces ten aanzien van bewijsthema van de (on)tijdigheid van de klacht open werd gelaten. Dat zou volgens Asser de rechter in staat stellen om de stelplicht en bewijslast in het concrete geval of soort gevallen te beslissen, hetgeen meer zou aansluiten bij de werking van de norm in een veelheid van gevallen die ten opzichte van elkaar grote verschillen kunnen vertonen op het terrein van de verdeling van de informatie.