NJ 1947/59
Recht van ieder der erfgenamen tot Invordering van zijn aandeel in een deelbare vordering van den erflater op een mede-erfgenaam, vóór de boedelscheiding. Aanspraak van den erfgenaam-schuldenaar op schuldverrekening? Invloed van de goede trouw op de rechtsverhouding tusschen mede-erfgenamen.
HR 20-12-1946, ECLI:NL:HR:1946:109, m.nt. Prof. E. M. Meijers (ervengemeenschap)
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20 december 1946
- Magistraten
Mrs. Donner, Nypels, van der Flier, Losecaat Vermeer, Smits
- Zaaknummer
[201946/NJ_1947-59]
- Conclusie
Mr. Wijnveldt
- Noot
Prof. E. M. Meijers
- Roepnaam
ervengemeenschap
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS165258:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1946:109, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑12‑1946
- Wetingang
(BW art. 1132, 1335.)
Essentie
Recht van ieder der erfgenamen tot Invordering van zijn aandeel in een deelbare vordering van den erflater op een mede-erfgenaam, vóór de boedelscheiding. Aanspraak van den erfgenaam-schuldenaar op schuldverrekening? Invloed van de goede trouw op de rechtsverhouding tusschen mede-erfgenamen.
Samenvatting
Art. 1335 B.W., waaruit volgt dat ieder der erfgenamen zijn deel van bedoelde vordering vóór de boedelscheiding van den schuldenaar kan invorderen, onderscheidt niet, of die schuldenaar een derde dan wel een der mede-erfgenamen is.
Hetgeen art. 1132 B. W. omtrent de verplichting, tot verrekening bepaalt, brengt hierin geen verandering.
Deze bepaling legt slechts aan den mede-erfgenaam-schuldenaar ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.