Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/6.8.2.4
6.8.2.4 Alternatieven: vruchtgebruik, derdenbeding en levering bij voorbaat ten gunste van de oude schuldeiser
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS584851:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 3:201 en 3:216 jo 3:9 lid 2 en 4 BW; T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 666-667; Faber 2005, nr. 279; Biemans 2006, nr. 6 en 8.
Bij een eerder gevestigd recht van vruchtgebruik volgt dit uit het beginsel van zaaksgevolg (droit de suite).
Vgl. T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 94, M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 95-96. De rechtsgevolgen ten aanzien van de verkrijging van de rentevorderingen zijn dezelfde als bij de achterblijven bij de oude schuldeiser van het recht op toekomstige vruchten zoals geregeld in het niet ingevoerde art. 3.1.1.9 lid 5 Ontw.BW.
Zie art. 6:253 lid 1 BW. Vgl. N.v.W., Parl. Gesch. Boek 6, p. 533.
Hij kan zelfs betaling van de hoofdvordering weigeren als niet eerst aan de oude schuldeiser de verschenen en lopende rente wordt voldaan (art. 6:44 lid 3 BW).
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 96, en T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 528-529.
Vgl. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 307 en nr. 318 e.v.; Verhagen & Rongen 2000, p. 37 e.v.
De levering bij voorbaat is daarom niet hetzelfde als het achterblijven van 'het recht op toekomstige vruchten'. Anders: T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 528-529, waar beide wel gelijk worden gesteld. Deze gelijkstelling laat zich mogelijk verklaren, omdat in de parlementaire geschiedenis soms (ten onrechte) wordt gesproken van de overdracht bij voorbaat van toekomstige vorderingen ex art. 3:97 BW. Zie bijvoorbeeld M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 96; M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 531 en N.v.W., Parl. Gesch. Boek 6, p. 533; en overgenomen door Snijders & Rank-Berenschot 2007, nr. 48; en Losbladige Verbintenissenrecht 2004 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:142, aant. 13. Een mogelijke verklaring voor dit laatste is dat het oude recht de scherpe tegenstelling tussen overdracht en levering zoals die in het huidige recht wordt gemaakt (zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 308), nog niet kende. Vgl. Asser/Beekhuis 3-I 1980, p. 161 en p. 214 e.v., Wiarda 1937, p. 72.
387. De oude en de nieuwe schuldeiser kunnen wei op andere wijzen bereiken dat de rentevorderingen aan de oude schuldeiser blijven toekomen, namelijk door: (a) bij de overdracht van de hoofdvordering een recht van vruchtgebruik voor te behouden; (b) krachtens overeenkomst met de schuldenaar het recht op de rente aan de oude schuldeiser toe te kennen (derdenbeding); of (c) door de toekomstige rentevorderingen bij voorbaat aan de oude schuldeiser te leveren.
388. Ad (a). Als op een vordering een recht van vruchtgebruik wordt gevestigd, verkrijgt de vruchtgebruiker de burgerlijke vruchten (de rentevorderingen) op grond van zijn recht van vruchtgebruik. Op het moment van opeisbaar worden, ontstaan de rentevorderingen in zijn vermogen.1 Als de hoofdvordering wordt overgedragen onder voorbehoud van een recht van vruchtgebruik (art. 3:81 lid 1 tweede zin 3:84 lid 1 jo 3:94 BW), verkrijgt de nieuwe schuldeiser de hoofdvordering met het rentebeding, maar bezwaard met een recht van vruchtgebruik.2 De rentevorderingen ontstaan in het vermogen van de oude schuldeiser, als vruchtgebruiker.3 De oude schuldeiser blijft inningsbevoegd: ten aanzien van de hoofdvordering als vruchtgebruiker (art. 3:210 BW) en ten aanzien van de rentevorderingen als schuldeiser.
389. Ad (b). Een rentebeding kan als derdenbeding (art. 6:253 BW) worden ingekleed.4 De nieuwe schuldeiser en de schuldenaar kunnen bij de overdracht van de hoofdvordering (bij voorbaat) een dergelijk derdenbeding ten behoeve van de oude schuldeiser overeenkomen. Na aanvaarding van het derdenbeding (vgl. art. 6:253-254 BW) wordt de oude schuldeiser uit hoofde daarvan rechtstreeks de rechthebbende van de rentevorderingen die uit het rentebeding ontstaan. De nieuwe schuldeiser, als partij die het beding ten behoeve van de derde (de oude schuldeiser) heeft gemaakt, kan nakoming vorderen van de schuldenaar, tenzij de derde zich daartegen verzet (art. 6:256 BW).5
390. Ad (c). Een derde mogelijkheid, waar ook in de parlementaire geschiedenis bij art. 3.1.1.9 lid 5 Ontw.BW en bij art. 6:142 lid 2 BW op wordt gewezen,6 is dat de toekomstige rentevorderingen bij voorbaat worden geleverd (art. 3:97 BW). De nieuwe schuldeiser kan op het moment van de overdracht van de hoofdvordering de toekomstige rentevorderingen bij voorbaat aan de oude schuldeiser leveren. Anders dan bij art. 3.1.1.9 lid 5 Ontw.BW, het voorbehouden recht van vruchtgebruik en het derdenbeding ten behoeve van de oude schuldeiser, ontstaan de rentevorderingen niet in het vermogen van de oude schuldeiser, maar in het vermogen van de nieuwe schuldeiser. Na het ontstaan van de rentevordering vindt de overdracht daarvan van rechtswege plaats en wordt de oude schuldeiser door overdracht daarvan de rechthebbende.7 Is de nieuwe schuldeiser echter tussentijds failliet verklaard, waardoor hij beschikkingsonbevoegd is geworden (art. 23 en 35 lid 2 Fw), dan blijft de overdracht van de rentevordering uit.8