Einde inhoudsopgave
Forumkeuze in het Nederlandse IPR (R&P nr. 159) 2008/11.2.3
11.2.3 Arrest Gerling/Tesoro dello Stato
mr. P.H.L.M. Kuypers, datum 29-02-2008
- Datum
29-02-2008
- Auteur
mr. P.H.L.M. Kuypers
- JCDI
JCDI:ADS418011:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook de (bijna) gelijkluidende overwegingen in HvJ EG 14 december 1976, zaak 24/76, Colzani/ Rllwa, Jur. 1976, p. 1831, NJ 1997, 446; HvJ EG 14 december 1976, zaak 25/76, Segoura/Bonakdarian, Jur. 1976, p.1851, NJ 1977, 447; HvJ EG 6 mei 1980, zaak 784/79, Porta Leasing/Prestige, Jur. 1980, p. 1517, NJ 1980, 607; HvJ EG 19 juni 1984, zaak 71/83, Tilly Russ/Nova, Jur. 1984, p. 2417, NJ 1984, 735; HvJ EG 20 februari 1997, zaak C-106/95, MSG/Les Gravières, Jur. 1997, p. 1-911, NJ 1998, 565; HvJ EG 9 november 2000, zaak C-387/98, Coreck Maritime/Handelsveem, Jur. 2000, p. 1-9337, NJ 2001, 599; een enigszins gewijzigde rechtsoverweging heeft het arrest HvJ EG 9 december 2003, zaak C-116/02, Gasser/MISAT, Jur. 2003, p. 1-14693, NJ 2007, 151, r.o. 50.
HvJ EG 14 juli 1983, zaak 201/82, Gerling/Tesoro dello Stato, Jur. 1983, p. 2503, NJ 1984, 716, r.o. 14.
Polak, Meerpartijenverhoudingen, p. 67 en 68.
HvJ EG 24 juni 1981, zaak 150/810, Elefanten Schuh/Jacqmain, Jur. 1981, p. 1671, NJ 1981, 546.
HvJ EG 19 juni 1984, zaak 71/83, Tilly Russ/Nova, Jur. 1984, p. 2417, NJ 1984, 735.
HvJ EG 14 juli 1983, zaak 201/82, Gerling/Tesoro dello Stato, Jur. 1983, p. 2503, NJ 1984, 716.
Bevestigend: Kaye, Civil Jurisdiction, p. 1067; Geimer IZPR, p. 421; Gaudemet-Tallon, Les Conventions, p. 94; Gaudemet-Tallon, Compétence en Europe, p. 118; Killias, Gerichtsstandsvereinbarungen, p. 247; ontkennend: Schultsz, NJ 1984, 716, p. 2507.
Hof 's-Gravenhage 19 december 1995, NIPR 1996, 429 voor forumkeuze in een cognossement.
De feiten in deze zaak zijn gecompliceerd. Ente Autotransporti Merci (EAM) was de privaatrechtelijke nationale organisatie die in Italië verplicht was in geval van overtreding van de Douaneovereenkomst inzake het Internationale Vervoer onder Dekking van een Carnet TIR (Genève, 15 januari 1959) de verschuldigde rechten, heffingen en boeten te voldoen aan de nationale douaneautoriteiten (het Ministerie van Financiën). EAM was ontbonden. De Tesoro dello Stato' was in de rechten van EAM getreden. De nationale organisaties, waaronder EAM, waren in het kader van de Douaneovereenkomst voornoemd aangesloten bij de 'International Roadtransport Union' (IRU). De IRU had met een groep assuradeuren, vertegenwoordigd door Gerling, een Duitse verzekeraar, voor eigen rekening en ten behoeve van de nationale organisaties een verzekeringsovereenkomst gesloten. De nationale organisaties werden krachtens de verzekeringsovereenkomsten gedekt tegen claims betreffende douanerechten.
In de verzekeringsovereenkomst tussen Gerling c.s. en de IRU was een forumkeuze opgenomen. De rechter van de staat van de nationale organisatie was aangewezen. Voor geschillen tussen Gerling c.s. en EAM was derhalve de Italiaanse rechter bevoegd. De Italiaanse douaneautoriteiten claimden van de Tesoro dello Stato, als rechtsopvolger van EAM, een reeks bedragen wegens overtredingen van de Douaneovereenkomst. Tesoro dello Stato dagvaardde vervolgens de assuradeuren op grond van de verzekeringsovereenkomst. De assuradeuren betwistten de geldigheid van de forumkeuze. De vormvoorschriften van art. 17 EEX (door een schriftelijke overeenkomst) waren slechts nageleefd in de verhouding tussen de verzekeraar en verzekeringnemer, te weten IRU. De vormvoorschriften hadden, aldus Gerling, ook gerespecteerd moeten worden in de verhouding tussen verzekeraar en de verzekerde ten behoeve van wie de overeenkomst was afgesloten (in casu EAM).
Na algemene overwegingen over het doel van de vormvoorschriften1 komt het Hof van Justitie direct toe aan beantwoording van de prejudiciële vraag:
`Door deze schriftelijke vorm voor te schrijven in de betrekkingen tussen partijen, heeft art. 17 van het Verdrag echter niet tot doel of tot gevolg, dat dit vereiste van schriftelijkheid ook geldt voor de mogelijkheid van degene die geen partij is bij de overeenkomst doch begunstigde van het derden-beding, zich in een geding met de verzekeraar op de te zijnen gunste bedongen forumkeuze te beroepen.2
Afgezien van de matige vertaling in het Nederlands, verdient deze rechtsoverweging nadere uitleg. De kern van deze overweging dient te worden gelezen in combinatie met rechtsoverweging 11. Daarin oordeelt het Hof van Justitie dat het EEX — en dus art. 17 EEX — moet worden uitgelegd aan de hand van het systeem en het doel van het EEX. In par. 13.2 zal blijken dat de vormvoorschriften vooral de wilsovereenstemming ter zake van een forumkeuze beogen te waarborgen.
De verzekeraar heeft de polis ondertekend en derhalve schriftelijk met de forumkeuze ingestemd. De vormvoorschriften hebben daardoor hun doel bereikt. Gerling ontkende haar instemming met de forumkeuze niet, maar stelde daartegenover dat EAM c.q. Tesoro dello Stato niet had(den) ingestemd en dat daarom niet aan de vormvoorschriften zou zijn voldaan en Gerling dus niet zou zijn gebonden. Gerling betoogde in wezen dat ook in de verhouding tussen haar en de derde aan de vormvoorschriften van art. 17 EEX moest zijn voldaan, terwijl het Hof van Justitie meent dat het voldoen aan de vormvoorschriften in de verhouding tussen verzekeringnemer en verzekeraar voldoende is. Het Hof van Justitie gaat in verband met het doel van de vormvoorschriften niet verder op de argumenten in.
Het Hof van Justitie meent dat de derde de forumkeuze niet schriftelijk behoeft te aanvaarden. Zo'n aanvaarding is (1) nodeloos en (2) een moeilijk te vervullen formaliteit, omdat de derde voor het ontstaan van het geschil niet steeds bekend zal zijn met de forumkeuze. Wat is dan de rol van het nationale recht met betrekking tot de aanvaarding door de derde? Naar Nederlands internationaal privaatrecht beheerst het recht dat van toepassing is op de overeenkomst de verhouding tot de derde.3 Stel dat het toepasselijke recht schriftelijke aanvaarding door de derde-begunstigde voorschrijft of geen rechtstreekse werking van een derdenbeding kent. Moet in de verhouding tot de derde dan zijn voldaan aan de voorschriften van de lex causae? Het antwoord is ontkennend. Gelet op de rechtsoverwegingen in het arrest Elefanten Schuh/ Jacqmain4 komt aan de lex causae geen betekenis toe voor zover het gaat om vormvoorschriften. Zulke bepalingen van nationaal recht moeten buiten beschouwing blijven.
Op dit punt bestaat een essentieel verschil met het arrest Tilly Russ/Nova,5 dat hierna wordt besproken. De verhouding tussen partijen en de derde(-houder) bij overdracht van een cognossement wordt wél beheerst door het nationale recht. De derde kan daarom alleen een forumkeuze in een cognossement worden tegengeworpen, indien naar het toepasselijke nationale recht sprake is van overgang van rechten en plichten.
Het is de vraag of het arrest Gerling/Tesoro dello Stato6 zich uitstrekt tot derden-bedingen buiten verzekeringsovereenkomsten.7 Ik zie geen reden voor een beperking tot verzekeringsovereenkomsten, aangezien de juridische positie van de derde in andere overeenkomsten niet verschilt van de positie van de derde bij een verzekeringsovereenkomst.8 De andere argumenten van het Hof van Justitie lenen zich voor toepasselijkheid op overeenkomsten met derdenbedingen in het algemeen met uitzondering van de verwijzing naar art. 12 lid 2 EEX. Voorts is het antwoord van het Hof van Justitie in lijn met de algemene rechtsbeginselen van nationaal recht.