Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/IX.3.3.1
IX.3.3.1 Betekenis en reikwijdte
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS356434:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 30 januari 1987, NJ 1987, 530, m.nt. G. Zie ook: HR 4 juni 2004, NJ 2004, 412 (Loyalis Contractmanagement/Missler q.q.), r.o. 3.4.
Zie r.o. 3.2.
Zie in deze zin: Bloembergen in zijn conclusie voor het arrest; Asser-Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 81; Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 236; J.J. van Hees 1997, p. 127; Boekraad 1997, p. 63-64; Pitlo/Reehuis, Heisterkamp 2006, nr. 323; Rank-Berenschot 1997a, p. 39; Mijnssen & Schut 1991, p. 139; Kortmann 1989a, p. 59; Olthof 1988, p. 125 en Pitlo/Cahen 1992, p. 60. Vgl. Faber 1995, p. 36; Van Boom 1993, p. 723; Mijnssen 1988, p. 19 en Wiarda 1940, p. 10-11.
Zie bijvoorbeeld: Rb. Amsterdam 10 december 1997, NJ 1998, 487 onder verwijzing naar het arrest WUH/Emmerig q.q.
Vgl. Rb. Rotterdam 21 januari 1994, NJ 1995, 244.
Vgl. de jurisprudentie en literatuur genoemd in noot 87.
Zie Verhagen & Rongen 2000, p. 47-48. Vgl. Out 2002, p. 91.
Vgl. voor een soortgelijke redenering: HR 9 december 1932, NJ 1933, p. 300 e.v., m.nt. EMM en HR 5 april 1918, NJ 1918, p. 573 e.v., waarin de Hoge Raad (in verband met onverschuldigde betaling) oordeelde dat voor het ontstaan van het recht op loon van de lasthebber jegens de lastgever vereist is dat de last is vervuld. Vgl. verder: HR 18 maart 1920, NJ 1920, p. 479 e.v.
Zo ook: A. Korthals Altes 1987, p. 66.
In die gevallen waarin de wettelijke regeling van de duurovereenkomst en de partijbedoeling geen uitsluitsel bieden, brengt, zoals hierna zal worden betoogd (nrs. 890-891), de aard van een obligatoire overeenkomst in beginsel met zich dat er van meet af aan duurverbintenissen ontstaan waarmee bestaande vorderingen corresponderen tot het verrichten van voortdurende of periodieke prestaties.
Zie de Wet van 21 november 2002 tot vaststelling van titel 7.4 (Huur) van het Burgerlijk Wetboek, Stb. 2002/587.
Zie echter noot 154 en nrs. 873 en 875 waarin ik me afvraag of voor het huidige huurrecht van titel 7.4 BW wel geldt dat er op de verhuurder een verbintenis rust tot het verschaffen van voortdurend huurgenot.
De bepaling luidt als volgt: “Huur is de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie”.
De bepaling luidt als volgt: “De verhuurder is verplicht de zaak ter beschikking van de huurder te stellen en te laten voor zover dat voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is”.
De bepaling luidt als volgt (lid 1): “De huurder kan in geval van vermindering van huurgenot ten gevolge van een gebrek een daaraan evenredige vermindering van de huurprijs vorderen van de dag waarop hij van het gebrek behoorlijk heeft kennis gegeven aan de verhuurder of waarop het gebrek reeds in voldoende mate bekend was om tot maatregelen over te gaan, tot die waarop het gebrek is verholpen”.
De bepaling luidt als volgt: “De huurder is verplicht de tegenprestatie op de overeengekomen wijze en tijdstippen te voldoen”.
Getiteld: “De verplichtingen van de huurder”.
Zie voorts ook de opmerking van de minister in: Nota, TK 1999-2000, 26 089, nr. 6, p. 5: “De opmerking in de memorie van toelichting «de ingang van de huur is in de regel het moment vanaf hetwelk de tegenprestatie verschuldigd wordt» heeft blijkbaar misverstand gewekt. Bedoeld is niet dat het verschuldigd worden van de tegenprestatie het ingangstijdstip van de huur bepaalt, maar – omgekeerd – dat het ingaan van de huur op een bepaald tijdstip, welk tijdstip aan de hand van de overeenkomst moet worden vastgesteld, in de regel betekent dat ook vanaf dat tijdstip de tegenprestatie is verschuldigd. Niet uitgesloten is evenwel dat uit de overeenkomst voortvloeit dat de betalingsverplichting op een ander tijdstip ingaat dan dat van ingang van de huur”.
De uitspraak moet mogelijk vooral worden gelezen tegen de achtergrond van een rechtspolitieke afweging van de belangen van enerzijds de faillissementsschuldeisers (de boedel) en anderzijds de separatist/zekerheidsgerechtigde (pandhouder/cessionaris). Zie § IX.3.3.3.
Zie ook nr. 894 over de vraag of het partijen vrij staat overeen te komen dat de vordering een bestaande vordering is.
De verschaffing van het huurgenot kan in dit geval niet de toekomstige onzekere omstandigheid zijn waarvan het ontstaan van de huurvordering afhankelijk is.
Hierbij zij echter benadrukt dat de vaststelling van de feiten in het arrest te wensen overliet (vgl. ook: Bloembergen in zijn conclusie onder nr. 1.4). Er bestond geen duidelijkheid over de precieze inhoud van de cessie-akte en de huurovereenkomsten. Uit de conclusie, noch het arrest blijkt of er in casu duidelijkheid bestond over de vervaldagen van de huurtermijnen. Het is niet uitgesloten dat de Hoge Raad vanwege een gebrek aan feiten de aard van de huurovereenkomst, zoals deze blijkt uit de wettelijke regeling van de huurovereenkomst, tot uitgangspunt heeft genomen en vervolgens tot zijn oordeel is gekomen dat het ontstaan van de huurvordering afhankelijk is van de werkelijke verschaffing van het huurgenot. Daarmee zegt het arrest nog niets over de vraag of het partijen, door vooruitbetaling overeen te komen, vrijstaat af te wijken van het uitgangspunt dat de huur pas verschuldigd is, indien het huurgenot is verschaft. In de casus die ten grondslag lag aan het arrest Tiethoff q.q./NMB (NJ 1990, 661, waarover hierna: nr. 872) was het daarentegen wel duidelijk dat vooruitbetaling van de huur was bedongen. Niettemin gaat de Hoge Raad er ook in dit arrest impliciet van uit dat de nog niet opeisbare huurtermijnen toekomstige vorderingen zijn. De vraag of de na de faillietverklaring van de verhuurder te verschijnen huurtermijnen bestaande of toekomstige vorderingen waren, was evenwel niet in geschil, zodat de Hoge Raad zich niet over de kwestie hoefde uit te laten.
Vgl. Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 430. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat de huurpenningen ter zake van bv. de maand februari tevens geacht worden de tegenprestatie te vormen voor het huurgenot over de maand januari. Een bedongen maandelijkse vooruitbetaling zou in deze benadering enkel een vooruitbetaling zijn voor het huurgenot over de betreffende maand en niet voor de voorafgaande maanden. Juist omdat een huurvordering wordt geacht de tegenprestatie te zijn voor alle voorafgaande huurtermijnen, zou de huurvordering pas ontstaan indien zij opeisbaar wordt en niet reeds op het moment van de totstandkoming van de huurovereenkomst. Deze benadering ligt naar mijn mening echter niet voor de hand, aangezien de periodiek te betalen huurprijs is afgestemd op het periodiek te verschaffen huurgenot. Meer aannemelijk is dat hier rechtspolitieke argumenten een rol hebben gespeeld. Zie hierna: § IX.3.3.3.
De Hoge Raad overweegt dat het ontstaan van de vordering afhankelijk is “van toekomstige, vooralsnog onzekere omstandigheden waaronder in het bijzonder de daadwerkelijke verschaffing van het huurgenot” (curs. MHER).
Zoals ik hierna zal betogen (zie nr. 891) hoeven deze omstandigheden naar mijn mening niet met zich te brengen dat de vorderingen uit een duurovereenkomst toekomstige vorderingen zijn.
Aldus ook: Van der Grinten in zijn noot onder het arrest die terecht opmerkt dat de motivering van de Hoge Raad niet geheel consistent is; Blom 1989, p. 6; Kortmann 1989a, p. 58-59 en J.J. van Hees 1997, p. 125. Anders: Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 430, waar wordt opgemerkt dat de Hoge Raad elke huurvordering toekomstig heeft willen achten, ongeacht het tijdstip van opeisbaarheid. Vgl. verder art. 7:212 BW waar wordt bepaald dat de huurder verplicht is de tegenprestatie op de overeengekomen wijze en tijdstippen te voldoen.
Zie voor deze opvatting reeds: Wiarda 1940, p. 11.
Vgl. in andere zin: Van Mierlo 1988, p. 93.
Zie Olthof 1988, p. 125. Vgl. Van Boom 1993, p. 723.
Zie ook: nr. 891.
Zie voor deze laatste opvatting: Mijnssen 1988, p. 19.
Zie reeds in gelijke zin: Tieleman 1923, p. 89-90, die opmerkt dat het feit dat voor de opeisbaarheid van de vordering behalve een zeker tijdsverloop nog een prestatie van de schuldeiser noodzakelijk is, niet met zich brengt dat de vordering een toekomstige is.
Zie de artikelen 6:52 e.v. en 262 e.v. BW.
Zie TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 994 en MO II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 203 en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2010, nrs. 712 e.v.
867. De betekenis die in de doctrine aan het arrest wordt toegekend. Uit het arrest WUH/Emmerig q.q. volgt dat het ontstaansvereiste van een vordering gelegen kan zijn in de toekomstige onzekere omstandigheid dat de schuldeiser zijnerzijds de prestatie heeft verricht waarvoor de vordering de tegenprestatie vormt.1 Dit geldt blijkens het arrest in ieder geval voor huurvorderingen:
“Het ontstaan van vorderingen als hier bedoeld, die niet geacht kunnen worden hun bestaan reeds te zijn aangevangen op het tijdstip waarop de huurovereenkomst tot stand kwam, is afhankelijk van toekomstige, vooralsnog onzekere omstandigheden waaronder in het bijzonder de daadwerkelijke verschaffing van het huurgenot, onderscheidenlijk het na de faillietverklaring nog resterende deel van het huurgenot, waarvoor de betreffende termijn de tegenprestatie vormt. Ook in het geval dat het gaat om een huurovereenkomst voor bepaalde tijd, zoals de tijd van vijf jaren, krachtens art. 1625 BW voorgeschreven voor huur van bedrijfsruimte in de zin van art. 1624 BW, kunnen de vorderingen ter zake van de huurtermijnen niet gelijk worden gesteld met terstond bij het sluiten van een overeenkomst reeds hun bestaan aanvangende vorderingen onder opschortende voorwaarde of tijdsbepaling of tot terstond vaststaande periodieke betalingen. Een en ander vloeit voort uit de aard van de huurovereenkomst, zoals deze onder meer tot uiting komt in bepalingen als de art. 1584 eerste lid, 1586, 1588, 1589 en 1591 BW.”2
Het ontstaan van de vordering tot betaling van huur is volgens de Hoge Raad afhankelijk van het verschaffen van het huurgenot door de verhuurder. De betekenis van het arrest voor andere duurovereenkomsten is echter niet geheel duidelijk. In de literatuur wordt uit het arrest wel afgeleid dat vorderingen ter zake van periodieke betalingsverplichtingen die de tegenprestatie betreffen voor door de schuldeiser te verrichten voortdurende of doorlopende prestaties, toekomstige vorderingen zijn, voor zover zij geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op het nog niet verrichte deel van de prestatie. De vordering zou pas ontstaan, indien (het deel van) de prestatie waarop zij betrekking heeft volledig is verricht.3 Behalve huurvorderingen zouden op deze grond ook vergoedingsvorderingen uit pachtovereenkomsten, arbeidsovereenkomsten (loon),4 licentie-overeenkomsten, agentuurovereenkomsten, aannemingsovereenkomsten,5 (schade)verzekeringen6 en leverantiecontracten als toekomstige vorderingen moeten worden aangemerkt.
Het is echter maar de vraag of deze algemene conclusie wel uit het arrest WUH/Emmerig q.q. kan worden getrokken.7 De Hoge Raad wijst ter motivering van zijn oordeel dat een huurvordering pas ontstaat indien de verhuurder het daartegenover staande huurgenot heeft verschaft, op de aard van de huurovereenkomst, zoals deze onder meer tot uiting kwam in bepalingen als de art. 1584 lid 1, 1586, 1588, 1589 en 1591 (oud) BW. Kennelijk is de Hoge Raad van mening dat uit deze bepalingen volgde dat de huurovereenkomst naar zijn aard met zich brengt dat huurvorderingen als het ware door de verhuurder “verdiend” moeten worden doordat de verhuurder de tegenprestatie, het huurgenot, verschaft.8 Deze analyse hoeft niet zonder meer ook voor andere duurovereenkomsten te gelden.9 Van geval tot geval moet worden beoordeeld of uit de aard van de overeenkomst, die in geval van een benoemde overeenkomst mede wordt bepaald door de toepasselijke wetsbepalingen, dan wel de partijbedoeling volgt dat de vordering eerst ontstaat indien de tegenprestatie is verricht (zie hierover ook hierna: § 3.5.4).10
868. De huidige wettelijke regeling van de huurovereenkomst. Overigens is nog een interessante vraag of de redenering die de Hoge Raad in 1987 met betrekking tot huur volgde ook opgaat voor de huidige wettelijke regeling van de huurovereenkomst (titel 7.4 BW).11 Het is mijns inziens goed verdedigbaar dat de huidige wettelijke regeling ervan uitgaat dat bij het sluiten van de huurovereenkomst voor zowel de verhuurder als de huurder een duurverbintenis ontstaat tot het verschaffen van het huurgenot resp. het betalen van een huursom.12 Men zie in het bijzonder de artikelen 7:201,13 203,14 20715 en 212 BW16 en de toelichting op de laatstgenoemde bepaling, waar wordt opgemerkt dat in afdeling 7.4.3 BW17 “de hoofdverplichting van de huurder, die tot betaling van de tegenprestatie, [wordt] vooropgesteld, zoals ook in afdeling 4 van titel 7.1 de verplichting van de koper tot betaling van de koopprijs wordt vooropgesteld”. De genoemde wetsbepalingen en de vergelijking met koop doen veronderstellen dat er met de verplichting van de huurder om een huursom te betalen een bestaande vordering van de verhuurder correspondeert.18 Uit de toelichting blijkt echter niet dat de problematiek van de cessie en verpanding van huurvorderingen onder ogen is gezien. Mede gelet op het (mogelijk) rechtspolitieke karakter van het arrest WUH/Emmerig q.q. (zie hierna: § 3.3.3)19 is het dan ook niet zeker welke betekenis aan de nieuwe huurregeling mag worden toegekend.
869. Andere vragen. Ook in andere opzichten roept het arrest WUH/Emmerig q.q. vragen op. De Hoge Raad oordeelt dat het ontstaan van de huurvordering onder andere afhankelijk is van de werkelijke verschaffing van het huurgenot. In de praktijk zal de verhuurder meestal bedingen dat de huurtermijnen bij vooruitbetaling moeten worden voldaan, veelal op de eerste dag van het tijdvak waarop de huurtermijn betrekking heeft. Dit roept de vraag op of de huurvordering dan nog steeds heeft te gelden als een toekomstige vordering of dat de vordering reeds vanaf de totstandkoming van de huurovereenkomst als een bestaande vordering kan worden aangemerkt. De betalingsverplichting van de huurder is in dit geval door partijen immers niet afhankelijk gesteld van de verschaffing van het huurgenot.20 In de redenering van de Hoge Raad zou het laatste het juiste antwoord moeten zijn.21 Niettemin lijkt de Hoge Raad van mening te zijn dat uit de aard van de huurovereenkomst zonder meer volgt dat nog niet opeisbare huurtermijnen toekomstige vorderingen zijn,22 ongeacht of vooruitbetaling van de huur is bedongen.23
Bovendien is het opmerkelijk dat de Hoge Raad ervan uit lijkt te gaan dat er ook nog andere “toekomstige, onzekere omstandigheden” kunnen zijn dan het verschaffen van het huurgenot, waarvan het ontstaan van de huurvorderingen afhangt.24 Welke deze omstandigheden kunnen zijn, wordt door de Hoge Raad evenwel niet vermeld. Wellicht moet worden gedacht aan de omstandigheid dat de huurovereenkomst door opzegging of ontbinding voortijdig kan eindigen, dat de huurprijs in de toekomst kan wijzigen of dat de verhuurder andere verplichtingen niet nakomt.25 In ieder geval lijdt het geen twijfel dat een opeisbare huurtermijn een bestaande vordering is, zelfs al is het huurgenot over de betreffende termijn nog niet verschaft.26 Opeisbare vorderingen zijn per definitie bestaande vorderingen.
870. Enige misvattingen in praktijk en literatuur. In de praktijk en in de literatuur heeft het arrest WUH/Emmerig q.q. tot enige misvattingen aanleiding gegeven. In het bijzonder is onjuist de stelling dat reeds het enkele feit dat de vordering afhankelijk is van een toekomstige onzekere omstandigheid, met zich brengt dat er sprake is van een toekomstige vordering. Deze opvatting staat haaks op de arresten SOS/ABN, Staal Bankiers/Ambags q.q. en het arrest WUH/Emmerig q.q. zelf waaruit immers met zoveel woorden volgt dat een toekomstige vordering moet worden onderscheiden van een bestaande vordering onder opschortende voorwaarde. In het laatste geval is de werking van een bestaande verbintenis afhankelijk gesteld van een toekomstige onzekere gebeurtenis.27
Ook onjuist is de opvatting dat in geval van een duurovereenkomst die verplicht tot wederzijdse periodieke prestaties (zoals huur), dit periodieke karakter met zich brengt dat steeds als er een nieuwe termijn aanbreekt er een nieuwe vordering en schuld ontstaat.28 Het valt niet in te zien waarom er in geval van een koopovereenkomst die verplicht tot levering en betaling op termijn (bijvoorbeeld: op 1 maart) wel sprake is van bestaande vorderingen, terwijl indien diezelfde overeenkomst zou verplichten tot periodieke leveranties en betalingen de vorderingen ineens vanwege de periodiciteit als toekomstige vorderingen zouden moeten worden aangemerkt.29
Eveneens onjuist is de gedachte dat bij wederkerige duurovereenkomsten (zoals huur, arbeidsovereenkomst en aanneming van werk) de voortdurende wederzijdse afhankelijkheid van de door partijen te verrichten prestaties met zich brengt dat er over en weer sprake is van toekomstige vorderingen.30 In dat geval zou immers kunnen worden betoogd dat uit alle wederkerige overeenkomsten (zoals koop) slechts toekomstige vorderingen voortvloeien die pas ontstaan zodra de schuldeiser heeft gepresteerd. Het uitgangspunt bij wederkerige overeenkomsten is nu juist dat beide contractspartijen van meet af aan verbintenissen op zich nemen ter verkrijging van de prestatie waartoe de ander zich daartegenover heeft verplicht (zie art. 6:261 lid 1 BW). Het feit dat de verplichtingen van de contractspartijen over en weer van voortdurende aard zijn en het feit dat het onzeker is of de schuldeiser ter zake van toekomstige termijnen werkelijk iets te vorderen zal hebben vanwege de mogelijkheid van een (voortijdige) beëindiging van de duurovereenkomst door opzegging of ontbinding, leiden naar mijn mening niet noodzakelijkerwijs tot een andere conclusie.31
In het verlengde van het voorgaande ligt de opvatting dat een vordering uit een wederkerige overeenkomst toekomstig is, indien de schuldeiser gehouden is als eerste te presteren of indien hij nog invloed kan uitoefenen op de voor de vordering bedongen tegenprestatie.32 Ook deze opvatting moet voor onjuist worden gehouden,33 aangezien zij het leerstuk van de opschortingsrechten bij wederkerige overeenkomsten grotendeels overbodig zou maken.34
Een schuldenaar kan in geval van niet- nakoming door zijn wederpartij de exceptio non adimpleti contractus(ENAC; art. 6:262 BW) inroepen, indien de wederpartij (de schuldeiser) als eerste moet presteren of indien partijen tegelijk moeten presteren en de nakoming bij de wederpartij (de schuldeiser) het eerste blokkeert.35 De opschorting van de nakoming van een verbintenis impliceert het bestaan van een verbintenis en dus een bestaande vordering van de wederpartij (de schuldeiser). Indien het ontstaan van de verbintenis afhankelijk zou zijn van het verrichten van de daartegenover staande prestatie, zou men aan het leerstuk van de opschortingsrechten niet toekomen. De schuldenaar zou zich voor het afweren van een nakomingsvordering van zijn wederpartij eenvoudig op het standpunt kunnen stellen dat zijn wederpartij in het geheel nog geen vordering heeft, aangezien de tegenprestatie nog niet is verricht. Ook de regeling van de onzekerheidsexceptie van art. 6:263 BW gaat ervan uit dat de partij die als eerste moet presteren reeds een bestaande maar nog niet opeisbare vordering kan hebben.