Rb. Noord-Holland, 20-01-2026, nr. HAA - 25 , 2059
ECLI:NL:RBNHO:2026:1201
- Instantie
Rechtbank Noord-Holland
- Datum
20-01-2026
- Zaaknummer
HAA - 25 _ 2059
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNHO:2026:1201, Uitspraak, Rechtbank Noord-Holland, 20‑01‑2026; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2026022301
NLF 2026/0379
FutD 2026-0366
Uitspraak 20‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Erfbelasting; waardering huurrecht; indexatiemogelijkheid huur; (impliciete) metterwoonclausule
Partij(en)
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2059
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: F. de Ruiter),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2021 een aanslag erfbelasting opgelegd, berekend naar een belaste verkrijging van € 444.764. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 7.774 belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belaste verkrijging van € 140.017 en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2025 te Haarlem. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. [naam 2] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres heeft een affectieve relatie gehad met [naam 3] (hierna: de erflater). Er is geen sprake geweest van een huwelijk, geregistreerd partnerschap of notarieel
samenlevingscontract.
2. De erflater is op 3 juni 2021 overleden. Eiseres is niet vermeld in het testament van de erflater, de betreffende verklaring van erfrecht of de door de enig erfgenaam ingediende aangifte erfbelasting.
3. De erflater bezat ten tijde van zijn overlijden, via een besloten vennootschap waarvan hij enig aandeelhouder was, de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning).
4. Eiseres en de erflater hebben op 28 februari 2007 in aanwezigheid vanmr. [naam 4] een document ondertekend (hierna: ‘de huurverklaring’) waarin, voor zover hier relevant, het volgende is opgenomen:
“Hierbij verklaar ik, Drs. [naam 3] , directeur van [bedrijf 1] B.V., geboren [datum 1] te [plaats] , dat mej. [eiseres] (geboren [datum 2] te [woonplaats] ) ingeval van mijn overlijden gedurende de rest van haar leven woonachtig mag blijven op de beletage en in het souterrain van [adres] [woonplaats] . Mej. [eiseres] krijgt in dat geval het recht deze ruimte te huren voor de rest van haar leven voor de
somma van EUR 500,--. Deze huurprijs is niet vatbaar voor verhogingen behoudens indexatie.”
5. Bij brief van 1 mei 2024 heeft verweerder aan eiseres laten weten dat hij een ambtshalve aanslag erfbelasting gaat opleggen. In deze brief maakt verweerder kenbaar dat hij de huurverklaring aanmerkt als een schenking onder opschortende voorwaarde van de erflater aan eiseres. Daarbij zet hij onder meer uiteen dat de opschortende voorwaarde volgens hem inhoudt dat eiseres nog leeft op het moment dat de erflater overlijdt, dat die opschortende voorwaarde zich op 3 juni 2021 heeft vervuld en dat daarom op grond van artikel 12 van de Successiewet 1956 het 'geschonkene' geacht wordt krachtens erfrecht te zijn verkregen.
6. Verweerder heeft op 28 mei 2024 een ambtshalve aanslag erfbelasting voor het jaar 2021 aan eiseres opgelegd naar een belaste verkrijging van € 444.746. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de aanslag verminderd naar een aanslag berekend naar een belaste verkrijging van € 140.017. De waarde van de totale verkrijging uit de erfenis van de erflater, bestaande uit het huurrecht, heeft verweerder als volgt bepaald:
Onderdeel | Berekeningsgrondslag | Resultaat |
Waarde naar rato van oppervlakte | 475 m2 / 1030 m2 x € 684.000 | € 315.436 |
Opgeofferd bedrag op jaarbasis (huur) | € 500 per maand x 12 maanden | € 6.000 |
Percentage huur | € 6.000 / € 315.436 | 1,9% |
Wettelijk percentage vruchtgebruik | Art. 21 lid 14 Successiewet 1956 jo. Art. 10 Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 | 6% |
Verschil vruchtgebruik minus huur | 6% - 1,9% | 4,1% |
Vermenigvuldigingsfactor | Artikel 21 lid 14 Successiewet 1956 jo. Artikel 5 Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 | 11 |
Waarde vruchtgebruik/heffingsgrondslag | € 315.436 x 4,1% x 11 | € 142.261 |
7. De enig erfgenaam van de erflater betwist het huurrecht van eiseres en heeft tezamen met [bedrijf 2] B.V. een civielrechtelijk kort geding aangespannen tegen eiseres. In deze kort gedingprocedure heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de eisende partijen in een bodemprocedure moeten aantonen dat allerlei stukken zijn vervalst en dat er per saldo sprake is van een onwettige schenking, maar dat in het kort geding in ieder geval niet kan worden gezegd dat eiseres de woning zonder recht of titel bewoont. In de bodemprocedure heeft de rechtbank de eisende partijen in het ongelijk gesteld. Ten tijde van de zitting in de onderhavige zaak liep de hoger beroepstermijn in de bodemprocedure nog.
Geschil8. In geschil is de hoogte van de belaste verkrijging. Meer specifiek is in geschil of bij het bepalen van de omvang van de fictieve erfrechtelijke verkrijging rekening moet worden gehouden met:
( i) een verhoging van het door eiseres voor het gebruik te betalen huurbedrag vanwege de in de huurverklaring opgenomen indexeringsmogelijkheid; en
(ii) een afwaardering van 25 procent van het gebruiksrecht vanwege een (impliciete) metterwoonclausule.
9. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder vanwege de in de huurverklaring vermelde indexatiemogelijkheid rekening had moeten houden met een gemiddelde jaarlijkse tegenprestatie van € 6.942 in plaats van € 6.000. Verder voert eiseres aan dat een neerwaartse waardecorrectie van 25 procent moet worden toegepast, omdat het huurrecht volgens haar slechts bestaat indien zij daadwerkelijk woonachtig is in de woning. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiseres naar de uitspraak van het gerechtshof Leeuwarden van 10 april 1981 (V-N 3 oktober 1981, punt 16) en een kennisgroepstandpunt van de Belastingdienst (KGSW 15.0003). Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een vastgestelde verkrijging van € 98.869.
10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de systematiek van de Successiewet 1956 geen rekening wordt gehouden met een huurindexatie na het overlijden van de erflater en dat hij daarom terecht is uitgegaan van een tegenprestatie van € 6.000. Verder is verweerder van mening dat geen grond bestaat voor afwaardering vanwege een metterwoonclausule. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
11. Partijen zijn het erover eens dat te veel erfbelasting is geheven indien de erfgenaam het huurrecht met succes in rechte betwist en dat de teveel geheven erfbelasting in dat geval moet worden gerestitueerd. Eiseres heeft daarom haar beroepsgrond over de betwisting van het huurrecht, en het door haar voorgestane effect op de waardering van de verkrijging, ingetrokken.
Beoordeling van het geschil
Fictieve erfrechtelijke verkrijging van een recht van vruchtgebruik
12. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres op grond van de huurverklaring een onzakelijk lage huur is verschuldigd, dat daardoor sprake is van een schenking onder opschortende voorwaarde, dat de opschortende voorwaarde op het overlijdensmoment van de erflater is vervuld, en dat de schenking daarom moet worden behandeld als een (fictieve) erfrechtelijke verkrijging. Verder zijn partijen het erover eens dat de waarde van de (fictieve) erfrechtelijke verkrijging moet worden bepaald overeenkomstig de regels die gelden voor de waardering van een recht van vruchtgebruik van een woning en dat daarbij rekening moet worden gehouden met de door eiseres verschuldigde tegenprestatie. De rechtbank volgt partijen in hun eensluidende opvatting.
Indexatie huur
13. Eiseres voert aan dat de te betalen huurpenningen kwalificeren als een last in de vorm van een periodieke uitkering, waarmee op de voet van het bepaalde in artikel 21, elfde lid, van de Successiewet 1956 rekening moet worden gehouden. Volgens eiseres is door de indexatiemogelijkheid sprake van een periodieke uitkering in geld tot een onzeker jaarlijks bedrag als bedoeld in artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 en dient daarom bij de waardebepaling van de last rekening te worden gehouden met het geschatte gemiddelde jaarlijkse bedrag. Het geschatte gemiddelde jaarlijks bedrag bedraagt volgens eiseres € 6.942. Zij baseert zich hierbij op het gemiddelde jaarlijkse inflatiepercentage van 2,77 procent van de afgelopen tien jaar en haar veronderstelling dat de inflatie in de komende elf jaar eveneens 2,77 procent bedraagt.
14. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de waarde van het vruchtgebruik dient te worden bepaald naar het tijdstip van verkrijging, zijnde het moment van overlijden van de erflater, en dat daarom moet worden uitgegaan van het op dat moment geldende nominale bedrag van de huurprijs. Volgens verweerder zou in geval van indexatie van het opgeofferde bedrag ook de waarde van hetgeen waar het vruchtgebruik op rust moeten worden geïndexeerd en is daar geen ruimte voor.
15. In zijn arrest van 20 mei 1981 (ECLI:NL:HR:1981:AW9635) heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
“dat immers, indien uit vrijgevigheid een renteloze geldlening wordt verstrekt voor een bepaalde tijd, sprake is van een materiële bevoordeling, welke is aan te merken als een schenking van een vruchtgebruik in de zin van artikel 18, lid 1, van de Successiewet 1956 en waarvan de waarde derhalve dient te worden bepaald met inachtneming van artikel 21, aanhef en onder II, van die wet, in verbinding met artikel 10 van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956;
dat zulks niet anders is wanneer, zoals te dezen het geval is, een lening wordt verstrekt voor een bepaalde tijd, niet renteloos doch, uit vrijgevigheid, tegen een lagere dan een zakelijk verantwoorde rente;
dat op grond van artikel 21, onder II, in verbinding met artikel 21, onder I, letter e, van de Successiewet 1956 en met artikel 10 van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 de waarde van een bevoordeling als voormeld moet worden vastgesteld op het in voormeld artikel 10 bepaalde rentepercentage verminderd met de bedongen rente, een en ander berekend over het bedrag van de geldlening en met inachtneming van de tabel van artikel 6, lid 1, van voormeld besluit;”
16. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit dit arrest dat artikel 21, elfde lid, van de Successiewet 1956 op deze zaak niet van toepassing is en dat de door verweerder toegepaste waarderingsmethode (zie onder 6.) in beginsel dient te worden gevolgd. Anders dan verweerder, is de rechtbank van oordeel dat hierbij wel rekening moet worden gehouden met indexatie van de huur waartoe de eigenaar van de woonruimte contractueel gerechtigd is. In zoverre is sprake van huur tot een onzeker jaarlijks bedrag omdat het werkelijke indexatiepercentage op voorhand onzeker is. In de uitspraak van gerechtshof Amsterdam van18 januari 1976, ECLI:NL:GHAMS:1976:AX3797 heeft het gerechtshof geoordeeld over de waardering van een lijfrente. Het gerechtshof overwoog:
“dat immers uit hetgeen de erflater als voormeld ten aanzien van het legaat aan zijn echtgenote bepaalde, duidelijk blijkt dat de erflater aan zijn echtgenote een lijfrente heeft gelegateerd en dat hij de grootte van de termijnen, uitgaande van een bedrag van f 80 per week ten tijde van het passeren van het testament, afhankelijk heeft gesteld van de kosten van levensonderhoud ten tijde van de uitkering van een termijn;
dat aldus aan de echtgenote een periodieke uitkering tot een onzeker jaarlijks bedrag is gelegateerd in de zin van art. 8, lid 1, Uitv. besl.;
dat de inspecteur heeft gesteld dat dit artikeldeel in casu geen toepassing kan vinden, aangezien de wetgever daarin het oog heeft gehad op periodieke uitkeringen in geld, die naar hun aard wisselende bedragen omvatten, zoals een periodieke uitkering in geld tot een bedrag dat elk jaar afhankelijk is van de prijs van een bepaalde hoeveelheid goederen, doch, naar uit het vorenoverwogene voortvloeit, in deze juist van een dergelijke periodieke uitkering sprake is;”
17. De rechtbank is van oordeel dat een redelijke wetsuitleg ertoe leidt dat naar analogie van artikel 21, elfde lid, van de Successiewet 1956 en artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 in een geval als het onderhavige, bij de bepaling van het bedrag van de bevoordeling de omvang van de bedongen tegenprestatie (de te betalen huur) gesteld wordt op het geschatte gemiddelde jaarlijkse bedrag, rekening houdend met indexatie. Eiseres heeft onweersproken gesteld dat dan rekening moet worden gehouden met een huur van € 6.942. De rechtbank ziet geen aanleiding anders te oordelen.
18. Verweerder heeft verder toegezegd dat indien vast komt te staan dat eiseres ten tijde van het overlijden van de erflater een hogere huur is verschuldigd dan uit de huurverklaring blijkt, hij hierbij zal aansluiten. Indien dit vast komt te staan nadat de aanslag onherroepelijk is geworden, zal verweerder overgaan tot ambtshalve vermindering daarvan teneinde rekening te houden met de werkelijk verschuldigde huur ten tijde van het overlijden.
Waardevermindering vanwege (impliciete) metterwoonclausule
19. De rechtbank volgt eiseres eveneens in haar betoog dat de huurverklaring een impliciete metterwoonclausule bevat. Uit de huurverklaring valt immers op te maken dat het in beginsel levenslange huurrecht van eiseres eindigt indien zij elders gaat wonen. Naar het oordeel van de rechtbank vormt de metterwoonclausule een waardedrukkende factor. In navolging van gerechtshof Leeuwarden (uitspraak van 10 april 1981, V-N 3 oktober 1981, punt 16) stelt de rechtbank deze waardedrukkende factor op 25 procent van de waarde van het vruchtgebruik zonder de metterwoonclausule. De door verweerder aangehaalde omstandigheid dat in casu sprake is van een persoonlijk recht en niet van een zakelijk recht, vormt geen reden anders te oordelen.
Slotsom
20. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en de aanslag verminderen tot een aanslag berekend naar een belaste verkrijging van (afgerond)€ 96.625 (€ 131.826 x 0,75 = € 98.870, verminderd met een vrijstelling van € 2.244).
Proceskosten
21. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
22. Verweerder dient het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- -
verklaart het beroep gegrond;
- -
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- -
vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belaste verkrijging van€ 96.625;
- -
vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;
- -
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- -
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.868, en
- -
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid vanmr. J.M. Kempers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).