HR, 03-03-2023, nr. 22/00947
ECLI:NL:HR:2023:331
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-03-2023
- Zaaknummer
22/00947
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑03‑2023
ECLI:NL:HR:2023:331, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑03‑2023; (Cassatie)
- Vindplaatsen
V-N 2023/12.17 met annotatie van Redactie
Sdu Nieuws Bestuursrecht 2023/74
NLF 2023/0551 met annotatie van Lukas Hendriks
Belastingblad 2023/140 met annotatie van J.M.J.F. JANSEN
Sdu Nieuws Bestuursrecht 2023/79
NTFR 2023/408 met annotatie van mr. C.J.M. Perraud
Sdu Nieuws Belastingzaken 2023/205
Viditax (FutD) 2023030308
FutD 2023-0591
Beroepschrift 03‑03‑2023
Uit het beroepschrift in cassatie van belanghebbende:
BEROEPSCHRIFT IN CASSATIE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
21/2597 V
[X]
Gemachtigde: mr. M.M. Vrolijk Belanghebbende
tegen
B&W gemeente Midden-Groningen
College
Inleiding
1.
De Heffïngsambtenaar heeft Belanghebbende een aanslagbiljet gemeentelijke belastingen d.d. 28 februari 2019 met aanslagnummer [0001] gezonden.
2.
Belanghebbende heeft een bezwaarschrift ingediend tegen de in voornoemd aanslagbiljet opgenomen WOZ-beschikking ter zake van de woning met adres [a-straat 1] te [Z].
3.
Met uitspraak op bezwaar d.d. 17 juni 2019 heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.
4.
Belanghebbende heeft tegen voornoemde uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Conform een tussen partijen gesloten compromis d.d. 6 juli 2020 is de WOZ-waarde van het object verlaagd van € 261.000 naar € 250.000. Het beroep is daarna met brief d.d. 14 juli 2020 ingetrokken.
5.
De Heffingsambtenaar heeft in een beschikking Invorderingsrente (art. 30 lid 1 Invorderingswet-hierna: Invorderingsrentebeschikking) medegedeeld dat een bedrag aan Invorderingsrente zal worden vergoed aan Belanghebbende ter zake van de door de verlaging van de WOZ-waarde noodzakelijk geworden terugbetaling van reeds betaalde onroerendezaakbelasting.
6.
Met brief d.d. 26 maart 2021 heeft Belanghebbende een pro forma bezwaarschrift ingediend tegen de onder punt 5 hiervóór genoemde Invorderingsrentebeschikking en het daarin opgenomen bedrag aan te vergoeden invorderingsrente.
7.
Met brief d.d. 14 mei 2021 heeft Belanghebbende de Heffingsambtenaar wegens het uitblijven van een beslissing op voornoemd bezwaar tegen de Invorderingsrentebeschikking een ingebrekestelling verzonden. Met brief d.d. 31 mei 2021 heeft de Heffingsambtenaar de ontvangst op 19 mei 2021 van voornoemde ingebrekestelling bevestigd.
8.
De Heffingsambtenaar heeft in laatstgenoemde brief een termijn gesteld het bezwaarschrift van een motivering te voorzien. Met brief d.d. 14 juni 2021 heeft Belanghebbende het bezwaarschrift van een motivering voorzien.
9.
Met uitspraak op bezwaar d.d. 18 juni 2021 heeft Verweerder het bezwaarschrift kennelijk gegrond verklaard.
10.
Met brief d.d. 23 augustus 2021 heeft Belanghebbende beroep ingesteld wegens het niet tijdig verstrekken door de Heffingsambtenaar van een beschikking ex. art. 4: 18 Awb (hierna: dwangsombeschikking). Voornoemde dwangsombeschikking dient verstrekt te worden wegens het verschuldigd zijn van een dwangsom ex. art. 4: 17 Awb wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift tegen de Invorderingsrentebeschikking.
Ten aanzien van de feiten
11.
De eerste dag waarover de dwangsom wegens niet tijdig beslissen is verschuldigd, is de dag waarop 2 weken zijn verstreken na de dag waarop het geven van de uitspraak op bezwaar inzake de dwangsombeschikking is verstreken en de Heffingsambtenaar een ingebrekestelling van Belanghebbende heeft ontvangen (art. 7: 14 Awb j° art. 4:17 lid 3 Awb).
12.
De Heffingsambtenaar dient binnen 6 weken na het verstrijken van de bezwaartermijn te beslissen op het bezwaarschrift tegen de dwangsombeschikking d.d. 18 februari 2021 (art. 7:10 lid 1 Awb).De bezwaartermijn van 6 weken eindigt daarmee op 1 april 2021 (art.6:7 Awb).
De beslistermijn op het bezwaarschrift eindigt derhalve op 13 mei 2021. De eerste dag waarover de dwangsom wegens niet tijdig beslissen op meergenoemd bezwaarschrift vervolgens is verschuldigd is 3 juni 2021,zijnde 2 weken na ontvangst van de ingebrekestelling op 19 mei 2021 (vgl. brief Heffingsambtenaar 31 mei 2021-punt 7 hiervoor). De laatste dag waarover de dwangsom is verschuldigd is de dag waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden (i.c. 18 juni 2021). Met inachtneming daarvan is een dwangsom wegens niet tijdig beslissen verschuldigd ter zake van de periode 3 juni 2021 t/m 18 juni 2021. De dwangsombeschikking dient te worden vastgesteld binnen 2 weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was (art. 4:18 Awb). Daarmee had de dwangsombeschikking uiterlijk 2 juli 2021 vastgesteld dienen te worden.
13.
Met inachtneming van punt 12 hiervoor is beroep wegens het uitblijven van verstrekking van een dwangsombeschikking mogelijk, omdat voldaan is aan de in art. 6:12 lid 2 letters a en b Awb gestelde voorwaarden aan een dergelijk beroep:
- I.
De Heffingsambtenaar heeft immers nagelaten tijdig (i.c. uiterlijk 2 juli 2021-punt 12 hiervóór) een dwangsombeschikking vast te stellen (art. 6: 12 lid 2 letter a Awb).
- II.
Belanghebbende behoeft, in afwijking van art. 6:12 lid 2 letter b Awb, Verweerder niet opnieuw voor het uitblijven van de dwangsombeschikking in gebreke te stellen. Uit de ingebrekestelling van 14 mei 2021 (punt 7 hiervóór) was immers reeds duidelijk dat Belanghebbende aanspraak wilde maken op dwangsommen wanneer niet tijdig zou worden beslist op het bezwaarschrift tegen de Invorderingsrentebeschikking. Belanghebbende behoeft de Heffmgsambtenaar in redelijkheid dan niet opnieuw voor het uitblijven van de dwangsombeschikking in gebreke te stellen (Rb Limburg 11 september 2017, ECLI:NL: RBLIM:2017:8760, punt 4).
14.
Tot heden heeft verstrekking van de aldus in het beroep LEE 21/2597 (punt 10 hiervóór) verzochte dwangsombeschikking niet plaatsgevonden.
Middel I: Schending van het recht en/of verzuim van vormen
1.
Inodeobestredenouitspraako(punto4)ooverweegtodeorechtbank:
‘De rechtbank stelt vast dat het niet de bedoeling is geweest dat de dwangsomregeling betrekking heeft op het uitblijven van een dwangsombeschikking. De in artikel 4:18 van de Awb bedoelde beschikking ter vaststelling van de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom dient het bestuursorgaan zelf vast te stellen. In de uitspraak van 19 oktober 2021 heeft de rechtbank terecht overwogen dat het nemen van een dwangsombesluit geen beschikking op aanvraag is in de zin van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb, waartegen opposant in beroep kon komen. Geopposeerde kan dientengevolge niet krachtens die bepaling een dwangsom verbeuren wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit. Hierbij verwijst de rechtbank naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1290).’
2.
Daarbij gaat de rechtbank uit van een onjuiste rechtsopvatting, althans is de bestreden uitspraak onjuist danwel ontoereikend gemotiveerd. Daartoe het volgende.
3.
De rechtbank overweegt in de bestreden uitspraak (Procesverloop-pagina 1, le alinea)ten aanzien van het onderwerp van het beroep (punt 10 hiervóór) allereerst met juistheid:
‘Opposant heeft beroep ingesteld vanwege het niet tijdig nemen van een beschikking over de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom op 25 augustus 2021.’
4.
Vervolgens verwijst de rechtbank in de bestreden uitspraak (punt 3) naar het door Belanghebbende in het verzet (punt 8 verzet) omschreven onderwerp van het beroep:
‘Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat geen sprake is van een verzoek ex artikel 8:55c, van de Awb aan de rechtbank om een ex artikel 4:17 Awb, van de Awb verschuldigde dwangsom vast te stellen. In de beroepsprocedure wordt verzocht om verstrekking van een dwangsombeschikking met de bepaling dat indien niet zulks binnen twee weken na verzending van de uitspraak van de rechtbankplaatsvindt, dit zal leiden tot verbeuren van een dwangsom zoals voorzien in artikel 8:55d, van de Awb.’
5.
Niettemin overweegt de rechtbank in de bestreden uitspraak (punt 4):
‘In de uitspraak van 19 oktober 2021 heeft de rechtbank terecht overwogen dat het nemen van een dwangsombesluit geen beschikking op aanvraag is in de zin van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb, waartegen opposant in beroep kon komen. Geopposeerde kan dientengevolge niet krachtens die bepaling een dwangsom verbeuren wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit. ’
6.
Daarmee gaat de rechtbank er, anders dan Belanghebbende (punt 4 hiervoor), klaarblijkelijk van uit dat Belanghebbende in het kader van dit beroep ex. art.8:55c Awb verzoekt om vaststelling van de (hoogte van) dwangsom, die ex.art. 4:17 Awb inmiddels verschuldigd zou zijn wegens niet tijdig verstrekken van deze dwangsombeschikking (vgl. door de Heffmgsambtenaar gestelde in punt 3 uitspraak waartegen verzet).
Met inachtneming van voorgaande volzin is de rechtbank in de bestreden uitspraak klaarblijkelijk vervolgens van oordeel dat, nu volgens haar geen dwangsom ex art. 4:17 Awb kan zijn verschuldigd ter zake van het niet tijdig verstrekken van een dwangsombeschikking, een beroep wegens niet tijdig verstrekken daarvan is uitgesloten en daarmee niet-ontvankelijk is (vgl. ook punt 6 verzet).
7.
In het beroep (punt 15 beroep) verzoekt Belanghebbende echter, anders dan de rechtbank in de bestreden uitspraak (punt 4-vgl. punt 5 hiervoor) als onderwerp van het beroep aanmerkt, te bepalen dat de Heffmgsambtenaar de dwangsombeschikking binnen 2 weken na de dag waarop de daartoe strekkende uitspraak van de rechtbank in deze procedure wordt verzonden alsnog bekend zal maken (art.8:55d lid 1 Awb).Vervolgens verzoekt Belanghebbende de rechtbank aan haar uitspraak een nadere dwangsom te verbinden van € 100 voor elke dag dat Verweerder in gebreke blijft de uitspraak na te leven (art.8:55d lid 2 Awb).
Aldus door Belanghebbende verzochte dwangsombeschikking ziet op de dwangsom ex art. 4:17 Awb verschuldigd wegens het uitblijven van een uitspraak op het bezwaar tegen de Invorderingsrentebeschikking. De rechtbank gaat er in de bestreden uitspraak (punt 4-vgl. punt 6 hiervoor) derhalve ten onrechte van uit dat de verlangde dwangsombeschikking ziet op een dwangsom verschuldigd wegens het uitblijven van deze dwangsombeschikking zelf.
8.
Nu voldoen is aan de voorwaarden ter zake van het instellen van beroep wegens het uitblijven van verstrekking van een dwangsombeschikking (vgl. punt 13 beroep) kan tegen het uitblijven daarvan ingevolge art. 6:2, aanhef en onder b Awb gelezen in verbinding met de artikelen 6:12, tweede lid, en 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb,, beroep worden ingesteld bij de rechtbank (Raad van State 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1490, r.o. 5.1., le alinea, en aldaar aangehaalde parlementaire geschiedenis Kamerstukken II 2005/06, 29 934, nr. 8, blz. 7).
9.
De rechtbank heeft zulks miskend.
Conclusie
10.
Belanghebbende verzoekt Uw Raad:
- —
het beroep in cassatie gegrond te verklaren;
- —
de uitspraak op verzet (bestreden uitspraak) te vernietigen;
- —
het verzet gegrond te verklaren en de uitspraak van de rechtbank waartegen verzet vervallen te verklaren; en
- —
het geding te verwijzen naar de rechtbank ter verdere behandeling van en beslissing op het beroep met inachtneming van dit arrest.
Belanghebbende verzoekt Uw Raad het College van de gemeente Midden-Groningen en/of de Heffingsambtenaar van voornoemde gemeente:
- —
te veroordelen in de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand van Belanghebbende voor het geding in cassatie;
- —
aan Belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat Belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald;
- —
te veroordelen in de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand van Belanghebbende voor het geding voor de rechtbank, ter zake van de behandeling van het verzet;
- —
indien en voor zover Uw Hof besluit de zaak zelf af te doen, te veroordelen in de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand van Belanghebbende voor het geding voor de rechtbank, ter zake van de behandeling van het beroep; en
- —
indien en voor zover Uw Hof besluit de zaak zelf af te doen, aan Belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat Belanghebbende voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft betaald
Uitspraak 03‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Artikel 4:17 Awb. Dwangsom wegens niet-tijdig doen van uitspraak op bezwaar; belang bij beroep in cassatie.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/00947
Datum 3 maart 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE MIDDEN-GRONINGEN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 1 februari 2022, nr. LEE 21/2597 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 19 oktober 2021. De uitspraak van de Rechtbank van 1 februari 2022 is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.M. Vrolijk, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Groningen, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Aangezien dit geschrift bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Vanwege een gedeeltelijke teruggaaf van onroerendezaakbelasting heeft de heffingsambtenaar de aan belanghebbende toekomende invorderingsrente bij beschikking vastgesteld op € 0,53. Belanghebbende heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
2.2
Op 19 mei 2021 heeft de heffingsambtenaar van belanghebbende een ingebrekestelling ontvangen wegens het niet-tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Belanghebbende drong daarin erop aan dat die uitspraak alsnog zou worden gedaan.
2.3
Bij uitspraak van 18 juni 2021 heeft de heffingsambtenaar het in 2.1 bedoelde bezwaar gegrond verklaard en de invorderingsrente op € 1 vastgesteld.
2.4
Op 25 augustus 2021 heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank vanwege het niet-tijdig nemen van een beschikking over de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom.
2.5
De Rechtbank heeft op grond van artikel 8:54 Awb zonder zitting uitspraak gedaan. Daarbij heeft zij het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de Rechtbank overwogen dat de heffingsambtenaar geen dwangsom kan verbeuren wegens het niet-tijdig nemen van een dwangsombeschikking en dat derhalve ook geen sprake was van het niet-tijdig nemen van een besluit waartegen belanghebbende in beroep kon komen. Uit de uitspraak blijkt voorts dat de heffingsambtenaar de Rechtbank bij brief van 9 september 2021 heeft laten weten dat hij heeft ingestemd met de dwangsom, dat de uitbetaling ervan is vertraagd door de coronaomstandigheden en vakantieperiode, en dat uitbetaling inmiddels heeft plaatsgevonden.
2.6
Het tegen deze uitspraak ingestelde verzet heeft de Rechtbank ongegrond verklaard omdat zij geen aanleiding zag voor een ander oordeel.
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het middel voert aan dat de Rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat belanghebbende een dwangsom verlangde wegens het uitblijven van een dwangsombeschikking.
3.2
Het middel is gegrond. De stukken laten immers geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende naar aanleiding van zijn in 2.2 bedoelde ingebrekestelling een dwangsombeschikking verlangde wegens het niet-tijdig doen van de uitspraak op het bezwaar tegen de in 2.1 bedoelde beschikking over de invorderingsrente.
3.3
Hoewel het middel gegrond is kan het niet tot cassatie leiden. Uit de in 2.5 bedoelde uitspraak van de Rechtbank blijkt immers dat de heffingsambtenaar de dwangsom heeft uitbetaald. De ontvangst en de juistheid van de omvang ervan zijn in cassatie niet bestreden. Belanghebbende heeft daarom geen belang bij cassatie.
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2023.