Hof 's-Hertogenbosch, 30-01-2020, nr. 200.246.806, 01
ECLI:NL:GHSHE:2020:292
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
30-01-2020
- Zaaknummer
200.246.806_01
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2020:292, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 30‑01‑2020; (Hoger beroep)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:4022
ECLI:NL:GHSHE:2019:4022, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 31‑10‑2019; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:275, Bekrachtiging/bevestiging
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:292
- Vindplaatsen
PFR-Updates.nl 2019-0279
Uitspraak 30‑01‑2020
Inhoudsindicatie
Kinderalimentatie
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugd recht
zaaknummer : 200.246.806/01
zaaknummer rechtbank : C/01/322072 / FA RK 17-2906
beschikking van de meervoudige kamer van 30 januari 2020
inzake
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. T.J. Kreeftenberg te Eindhoven,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. L.H.M. Zonnenberg te 's-Hertogenbosch.
Beschikking van 31 oktober 2019
8. Deze beschikking is een vervolg op de beschikking van dit hof van 31 oktober 2019 waarbij het hof het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man met ingang van 1 september 2008 als aanvullende bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 37.090,- bruto per maand zal voldoen, althans een zodanige bijdrage en met ingang van zodanige datum als het hof juist acht alsmede haar verzoek te verklaren voor recht op welke datum de alimentatieplicht zal aanvangen of is aangevangen, heeft afgewezen en de zaak voor het overige heeft aangehouden.
Voortgang van de procedure
9. Bij brief van 16 oktober 2019 heeft het hof aan partijen verzocht het hof te informeren over de door de rechtbank inmiddels definitief vastgestelde kinderalimentatie en de uitspraak van de rechtbank aan het hof toe te zenden. Partijen is daarbij verzocht aan het hof te berichten of die uitspraak gevolgen heeft voor de voortzetting van de procedure. De vrouw heeft, bij faxbericht van 22 oktober 2019, ingekomen op 21 oktober 2019, de uitspraak van de rechtbank van 3 juli 2019 aan het hof toegezonden en verzocht die uitspraak in de beslissing van het hof te betrekken. De man heeft het hof bij faxbericht van 23 oktober 2019, ingekomen op 23 oktober 2019, bericht dat de uitspraak van de rechtbank van 3 juli 2019 heeft te gelden met ingang van 3 juli 2019.
Kinderalimentatie
10. Het hof overweegt als volgt.
De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking ( 28 juni 2018) uitvoerbaar bij voorraad een voorlopige kinderalimentatie vastgesteld voor [minderjarige 1] met ingang van 14 juni 2017 tot 1 september 2017 van € 1.219,- per maand en met ingang van 1 september 2017 van € 793,- per maand, en voor [minderjarige 2] met ingang van de datum van de bestreden beschikking van
€ 281,75 per maand.
De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw voor zover zij ten aanzien van de kinderalimentatie meer of anders heeft verzocht voor de periode tot aan de datum van de beschikking afgewezen.
De rechtbank heeft, eveneens uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de man tot nihilstelling van de kinderalimentatie afgewezen evenals de verzoeken van de man om de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van de te veel betaalde kinderalimentatie.
De rechtbank heeft de verdere behandeling op de verzoeken tot wijziging van – voor zover thans van belang - de kinderalimentatie aangehouden.
11. Het hof stelt vast de rechtbank inmiddels op 3 juli 2019 uitspraak heeft gedaan omtrent de definitieve kinderalimentatie die de man dient te betalen ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De rechtbank heeft bij deze beschikking de beschikking van 13 januari 2019 ( hof: bedoeld is kennelijk 13 januari 2009) gewijzigd en met ingang van de datum van de beschikking, 3 juli 2019, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] bepaald op € 821,- per maand en ten behoeve van [minderjarige 2] op € 287,39 per maand.
De door de rechtbank bij de bestreden beschikking bepaalde kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is een voorlopig vastgestelde kinderalimentatie die definitief is in die zin dat de rechtbank op de hoogte van deze bedragen niet meer kan terugkomen bij het vaststellen van de definitieve kinderalimentatie en geldt derhalve voor de periode vanaf 14 juni 2017 tot het moment waarop de rechtbank de kinderalimentatie definitief heeft vastgesteld, te weten 3 juli 2019.
Gelet hierop is het beroep van partijen beperkt tot de periode vanaf de ingangsdatum, zie hierna onder 13.3., tot 3 juli 2019.
12. De vrouw heeft in hoger beroep verzocht te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] aan de vrouw zal voldoen met ingang van 1 september 2008 een bedrag van € 1.760,- per maand en met ingang van 1 januari 2015 een bedrag van € 4.616,- per maand, en als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] een bedrag van € 1.760,- per maand, althans zodanige bijdragen en met ingang van zodanige datum als het hof juist acht.
13. Het hof oordeelt omtrent de door partijen opgeworpen grieven ten aanzien van de kinderalimentatie gedurende voormelde periode als volgt.
13.1.
In grief 3 van het principaal appel stelt de vrouw het navolgende.
De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het netto gezinsinkomen van de man enkel wordt bepaald door het inkomen dat volgt uit de belastingaangiften van de man. De rechtbank heeft ten onrechte de bewijsnood van de vrouw ten aanzien van de zwarte inkomsten van de man miskend en de bewijslast hiervan volledig bij de vrouw gelegd. De rechtbank heeft ten onrechte, zonder dat daarvoor bewijs is overgelegd, het betoog van de man gevolgd dat de ouders van de man voor de kinderen spaarden. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat er geen koppeling gemaakt kan worden tussen de door de vrouw overgelegde foto’s en de welstand tijdens de samenleving omdat niet duidelijk zou zijn wanneer de foto’s gemaakt zijn.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden, die het hof naar eigen afweging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, heeft overwogen dat de vrouw er niet in is geslaagd haar stellingen voldoende te onderbouwen en het verzoek van de vrouw om kinderalimentatie te wijzigen met ingang van 1 september 2008, heeft afgewezen. Het hof voegt daar nog aan toe dat de vrouw ook in hoger beroep gelet op de met bescheiden onderbouwde betwisting door de man in hoger beroep, haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Aan het leveren van bewijs wordt derhalve, nog daargelaten de vraag of er een voldoende concreet en gemotiveerd bewijsaanbod is gedaan, derhalve niet toegekomen.
Voor zover de vrouw in haar grief beoogt te stellen dat er sprake is van grove miskenning van de wettelijke maatstaven bij de bepaling van de behoefte van de kinderen ten tijde van de verbreking van de samenleving is het hof eveneens van oordeel dat de rechtbank op goede gronden, die het hof naar eigen afweging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, heeft bepaald dat de vrouw er niet in is geslaagd zulks aan te tonen en het verzoek van de vrouw om kinderalimentatie te wijzigen met ingang van 1 september 2008, heeft afgewezen.
Het hof voegt daar nog het navolgende aan toe.
Hetgeen de vrouw in appel nog heeft aangevoerd ter zake haar stelling dat sprake is van grove miskenning van de wettelijke maatstaven en dat zij de hoge mate van welstand ten tijde van het feitelijk uiteengaan van partijen, alsmede haar stelling dat de uitgaven van partijen de inkomsten uit loondienst van de man vele malen overtroffen en er sprake was van een groot vermogen, is, gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, zowel in appel als in eerste aanleg volstrekt onvoldoende onderbouwd. Ook ten aanzien hiervan wordt derhalve niet toegekomen aan het leveren van bewijs, nog daargelaten de vraag of er een voldoende concreet en gemotiveerd bewijsaanbod is gedaan.
Grief 3 in het principaal appel van de vrouw faalt.
Wijziging van omstandigheden
13.2.
Uit de door de man overgelegde stukken blijkt, zoals hij ook heeft gesteld, dat zijn inkomen in 2017 verdubbeld is ten opzichte van zijn inkomen in 2007 zodat er - onbetwist tussen partijen - sprake is van een relevante wijziging vergeleken bij de netto besteedbaar inkomen van partijen ten tijde van het verbreken van de samenleving. Reeds op grond daarvan dient de behoefte van de kinderen opnieuw beoordeeld te worden.
Ingangsdatum
13.3.1.
De vrouw stelt in grief 5 dat de rechtbank ten onrechte de wijziging van omstandigheden heeft laten ingaan op de datum van de indiening van het verzoekschrift door de vrouw in eerste aanleg, 14 juni 2017. Zij wenst als ingangsdatum voor beide kinderen te hanteren 1 januari 2015, nu – kort gezegd - de behoefte van beide kinderen inmiddels gestegen is alsmede ook het inkomen van de man.
13.3.2.
De man verweert zich daartegen. De man stelt zich in zijn verweerschrift in appel onder 4.12. op het standpunt dat de rechtbank terecht de ingangsdatum 14 juni 2017, datum van indiening van het verzoekschrift door de vrouw, gehanteerd heeft. De man verzoekt in zijn petitum in (incidenteel) appel de alimentatie voor de beide kinderen in te laten gaan op 28 juni 2018.
13.3.3.
Het hof zal op dezelfde gronden die de rechtbank heeft gehanteerd in rechtsoverweging 3.4.29. van de bestreden beschikking en die het hof na eigen waardering en afweging overneemt en tot de zijne maakt, uitgaan van de datum waarop de vrouw haar verzoekschrift in eerste aanleg heeft ingediend te weten 14 juni 2017.
Grief 5 in het principaal appel van de vrouw faalt. Het hof wijst het verzoek van de man in het incidenteel appel ten aanzien van de ingangsdatum af nu de man aan dat verzoek geen nadere onderbouwing ten grondslag heeft gelegd, zodat het hof aan het bewijsaanbod van de man niet toekomt.
Behoefte van de kinderen
Kosten van de paardensport van [minderjarige 1]
13.4.1.
In grief 6 van haar beroepschrift stelt de vrouw dat de rechtbank de kosten van de paardensport van [minderjarige 1] ten onrechte heeft bepaald op € 388,50 per maand. Zij is van mening dat deze kosten bepaald moeten worden op € 1.498,12 per maand. Voor de nadere onderbouwing verwijst de vrouw onder meer naar de onderbouwing in productie 56.
De man voert verweer en stelt deze kosten op € 250,- per maand.
13.4.2.
Het hof oordeelt als volgt.
Feit is dat [minderjarige 1] de paardensport intensief beoefent met het paard [paard] . Dat daar extra kosten voor gemaakt moeten worden acht het hof redelijk. De door de vrouw opgevoerde kostenpost van € 1.498,12 per maand wordt door haar echter niet, althans onvoldoende onderbouwd. Het hof tekent daarbij aan dat de vrouw, ook in haar toelichting op grief 4, een veelvoud aan (financiële) gegevens over legt over de jaren vanaf ongeveer 2007, welke gelet op de ingangsdatum van 14 juni 2017 niet relevant zijn en dat een overzicht van recente financiële gegevens over in ieder geval 2018 en 2019 ten aanzien van deze kosten ontbreekt. Er is geen deugdelijk overzicht van de kosten en zonder nadere concrete toelichting die betrekking heeft op de kosten vanaf 14 juni 2017 kunnen de door de vrouw gestelde kosten niet geduid worden. Anderzijds heeft de man zijn stelling dat deze extra kosten in verband met stallingskosten slechts € 250,- per maand bedragen, hooguit € 350,- zoals de man ter mondelinge behandeling heeft verklaard, welk bedrag de man bereid is ook te betalen, niet, althans onvoldoende onderbouwd. Aan het leveren van bewijs wordt derhalve niet toegekomen. Nu er in hoger beroep geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan het hof anders zou moeten beslissen, zal het hof op dezelfde gronden die de rechtbank heeft gehanteerd en die het hof na eigen waardering en afweging overneemt en tot de zijne maakt, rekening houden met een bedrag van € 388,50 per maand aan kosten voor de paardensport van [minderjarige 1] .
Grief 6 in het principaal appel en grief 1 in het incidenteel appel van de man falen alsmede grief 4 voor zover deze grief de kosten van de paardensport van [minderjarige 1] betreft.
Ziektekosten beugel
13.5.1.
De vrouw stelt dat zij een extra-polis bovenop de basisverzekering heeft afgesloten nu beide kinderen een beugel hebben, hetgeen een verhoogde premie van € 50,- per maand meebrengt. De man ontkent dat de vouw een dergelijke aanvullende premie voor de kinderen dient te betalen en ook uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt de door haar gestelde extra premie ten behoeve van een beugel van de kinderen niet.
13.5.2.
Het hof overweegt het navolgende.
Uit productie 67 blijkt dat de vrouw enige kosten maakt voor de orthodontie ten behoeve van de kinderen omdat de ziektekostenpolis deze kosten niet volledig dekt. Het hof berekent die kosten in redelijkheid op € 12,50 per maand per kind en acht het redelijk dat deze kosten uit de post huishoudelijke uitgaven wordt voldaan.
13.6.
Voor het overige heeft de vrouw in haar grieven, gelet op het onderbouwde verweer van de man, geen althans onvoldoende onderbouwde bezwaren aangevoerd tegen de door de rechtbank vastgestelde kosten van de kinderen. Daarbij betrekt het hof de stellingen van de vrouw zoals verwoord in haar grief 4, die betrekking hebben op de kosten van de kinderen behoudens de kosten van de paardensport van [minderjarige 1] en de kosten voor orthodontie van beide kinderen. Het hof tekent daarbij wederom aan dat er geen deugdelijk overzicht van deze kosten zijn. Zonder nadere concrete toelichting die betrekking heeft op de kosten vanaf 14 juni 2017 wordt aan de door de vrouw gestelde kosten, gelet op het gemotiveerde verweer van de man, voorbij gegaan. . Derhalve faalt grief 4 van de vrouw in principaal appel ook voor zover deze betrekking heeft op deze overige kosten.
Zorgkorting
13.7.
In grief 7 stelt de vrouw dat de zorgkorting dient te worden berekend over de behoefte van [minderjarige 1] zonder de extra kosten van de paardensport waarbij zij verwijst naar een uitspraak van het hof Amsterdam van 15 juli 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:6068 waarin de zorgkorting ook werd berekend over de behoefte zonder de kinderopvang.
Het hof overweegt dat het in deze zaak niet gaat om kinderopvangkosten maar om kosten van paardrijden van [minderjarige 1] . Het hof acht het aannemelijk dat deze kosten ook haar verblijfskosten bij de vader verhogen mede gelet op het feit dat [minderjarige 1] , zoals onbetwist vaststaat, vanaf 1 september 2017 acht van de veertien dagen bij de man verblijft. Derhalve acht het hof het redelijk dat de zorgkosten berekend worden over de volledige behoefte van [minderjarige 1] inclusief de kosten van paardrijden. De enkele stelling van de vrouw dat de man de paardrijsport zoals door [minderjarige 1] beoefend niet ondersteunt, is onvoldoende om de zorgkorting op andere wijze te berekenen. Grief 7 van de vrouw in het principaal appel faalt.
Art. 843a Rv
14. In grief 8 stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man op grond van artikel 843 a Rv in het geding dient te brengen:
- jaarstukken over de jaren 2008 tot en met 2018 van [de vennootschap 1] ,
- jaarstukken over de jaren 2008 tot en met 2018 van [de vennootschap 2] ,
- aangiften en aanslagen IB over de jaren 2008 tot en met 2018,
- bewijsstukken van de stortingen van zijn ouders op de spaarrekeningen van
de kinderen,
heeft afgewezen.
Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, komt het hof niet meer toe aan de vraag of de man alsnog stukken zoals verzocht door de vrouw dient over te leggen zodat ook grief 8 van de vrouw in principaal hoger beroep faalt.
Conclusie
16. Bovenstaande leidt er toe dat het hof de beschikking van de rechtbank in principaal en incidenteel appel zal bekrachtigen en het verzoek van de vrouw en de verzoeken van de man zal afwijzen.
Gelet hierop en in aanmerking genomen de relatie tussen partijen worden de kosten in hoger beroep, zowel in principaal als in incidenteel appel, gecompenseerd, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
De beslissing in principaal en incidenteel appel
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover het betreft de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, de beslissing ten aanzien van artikel 843 a Rv en de compensatie van de proceskosten;
compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, C.N.M. Antens en L.Th.L.G. Pellis en is op 30 januari 2020 uitgesproken in het openbaar door mr C.N.M. Antens in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 31‑10‑2019
Inhoudsindicatie
vaststellingsovereenkomst betreffende afkoop partneralimentatie
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugd recht
zaaknummer : 200.246.806/01
zaaknummer rechtbank : C/01/322072 / FA RK 17-2906
beschikking van de meervoudige kamer van 31 oktober 2019
inzake
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. T.J. Kreeftenberg te Eindhoven,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. L.H.M. Zonnenberg te 's-Hertogenbosch.
1. Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 juni 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in hoger beroep
2.1.
De vrouw is op 27 september 2018 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 28 juni 2018.
2.2.
De man heeft op 12 november 2018 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3.
De vrouw heeft op 2 januari 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 16 april 2018;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 13 juni 2019 met bijlagen, ingekomen op 14 juni 2019;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 14 juni 2019 met bijlagen, ingekomen op 14 juni 2019.
2.5.
De mondelinge behandeling heeft op 25 juni 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn de vrouw, bijgestaan door mr. Kreeftenberg en de man, bijgestaan door mr. Zonnenberg (deze laatste vergezeld door zijn kantoorgenote mr. R.A.M. Verlysdonk).
2.6.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de vrouw Pleitnotities overgelegd. De man heeft Pleitaantekeningen overgelegd.
3. De feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad die feitelijk medio 2007 is verbroken. De man heeft op 28 april 2008 de tussen partijen geldende samenlevingsovereenkomst tegen 25 mei 2008 opgezegd.
In artikel 12 van de samenlevingsovereenkomst verklaren partijen, indien die overeenkomst eindigt anders dan door overlijden van een van partijen, mede in verband met de op ieder rustende verzorgingsverplichting, de bevoegde rechter te adiëren om hem te laten vaststellen of een van de partijen in aanmerking dient te komen voor een alimentatie, een en ander zoals van toepassing zou zijn geweest indien partijen in wettelijke gemeenschap van goederen waren gehuwd.
3.3.
Partijen zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] .
De man heeft de kinderen erkend.
3.4.
Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 13 januari 2009 is bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) een bedrag van € 575,- per maand per kind dient te voldoen met ingang van 1 september 2008. Voorts is bepaald dat de man gehouden is aan de vrouw een bedrag van € 275.000,- bruto te voldoen ter zake afkoop van de partneralimentatie door middel van afstorting bij een door de vrouw af te sluiten lijfrentepolis dan wel stamrecht
In die beschikking heeft de rechtbank, verkort weergegeven, vastgesteld dat bij vonnis van 17 oktober 2008 de rechter in kort geding heeft bepaald dat sprake is van een rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst tussen partijen ter zake de door de man te betalen kinderalimentatie en de afkoop van de partneralimentatie. De rechtbank is ten aanzien van de totstandkoming van deze overeenkomst niet gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die thans tot een ander oordeel zouden moeten leiden en de rechtbank is verder van oordeel dat het beroep van de vrouw op de door haar aangedragen wilsgebreken, faalt. In die beschikking heeft de rechtbank voorts overwogen dat partijen een niet-wijzigingsbeding zijn overeengekomen en dat er geen sprake is van een zodanig ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding kan worden gehouden. De rechtbank heeft de tussen partijen overeengekomen kinderalimentatie en afkoop van de partneralimentatie in het dictum bepaald zoals hierboven is weergegeven.
4. De omvang van het geschil
4.1.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald zoals in die beschikking weergegeven en de raad voor de kinderbescherming verzocht te rapporteren en te adviseren ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en de omgangsregeling.
4.1.2.
Voorts heeft de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad een voorlopige kinderalimentatie vastgesteld voor [minderjarige 1] met ingang van 14 juni 2017 tot 1 september 2017 van € 1.219,- per maand en met ingang van 1 september 2017 van € 793,- per maand en voor [minderjarige 2] met ingang van de datum van de bestreden beschikking van € 281,75 per maand.
De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw voor zover zij ten aanzien van de kinderalimentatie meer of anders heeft verzocht voor de periode tot aan de datum van de beschikking afgewezen.
De rechtbank heeft, eveneens uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de man tot nihilstelling van de kinderalimentatie afgewezen evenals de verzoeken van de man om de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van de te veel betaalde kinderalimentatie.
De rechtbank heeft het verzoek van de man voor een proceskostenveroordeling van de vrouw afgewezen.
Verder heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw om de bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te wijzigen met ingang van 1 september 2008 afgewezen evenals het verzoek van de vrouw betreffende artikel 843a Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering(Rv).
4.1.3.
De definitieve beslissing met betrekking tot het hoofdverblijf, de omgangsregeling en de kinderalimentatie is pro forma aangehouden tot 12 november 2018.
4.2.
De grieven van de vrouw in het principaal hoger beroep zien – kort samengevat- op de beslissing van de rechtbank ten aanzien van:
- de partneralimentatie ;
- de kinderalimentatie ;
- het overleggen van stukken door de man ex artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
4.2.1.
De vrouw heeft verzocht de bestreden beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt uitsluitend voor zover het de kinderalimentatie en de partneralimentatie betreft, en in zoverre
opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad,:
1. te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] aan de vrouw zal voldoen met ingang van 1 september 2008 een bedrag van € 1.760,- per maand en met ingang van 1 januari 2015 een bedrag van € 4.616,- per maand en als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] een bedrag van € 1.760,- per maand, althans zodanige bijdragen en met ingang van zodanige datum als het hof juist acht;
2. te bepalen dat de man met ingang van 1 september 2008 als aanvullende bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 37.090, bruto per maand zal voldoen, althans een zodanige bijdrage en met ingang van zodanige datum als het hof juist acht;
3. te verklaren voor recht op welke datum de alimentatieplicht zal aanvangen of is aangevangen;
4. te bepalen dat de man op grond van artikel 843 a Rv in het geding dient te brengen:
- jaarstukken over de jaren 2008 tot en met 2018 van [de vennootschap 1] ;
- jaarstukken over de jaren 2008 tot en met 2018 van [de vennootschap 2] ;
- aangiften en aanslagen IB over de jaren 2008 tot en met 2018;
- bewijsstukken van de stortingen van zijn ouders op de spaarrekeningen van
de kinderen;
5. de man te veroordelen in de kosten van beide procedures.
4.3.
De man heeft in het principaal hoger beroep verzocht de grieven van de vrouw ongegrond te verklaren en haar verzoeken af te wijzen en – zo begrijpt het hof - de bestreden beschikking in zoverre te bekrachtigen.
4.4.
De man heeft in het incidenteel hoger beroep een grief gericht tegen de behoefte van de kinderen.
De man heeft verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de kinderalimentatie betreft en in zoverre opnieuw rechtdoende, de beschikking van 13 januari 2009 te wijzigen voor zover het de kinderalimentatie betreft en te bepalen dat de man voorlopig aan de vrouw een kinderalimentatie voor [minderjarige 1] voldoet van € 624,- per maand en voor [minderjarige 2] van € 248,50 per maand, met ingang van 28 juni 2018.
4.5.
De vrouw heeft in het incidenteel hoger beroep verzocht de verzoeken van de man af te wijzen als ongegrond en onbewezen.
5. De motivering van de beslissing
Partneralimentatie
5.1.
De meest verstrekkende grief van de man ten aanzien van de partneralimentatie houdt – zakelijk weergegeven - het navolgende in.
De man is van mening dat gelet op de door partijen op 15 juli 2008 overeengekomen afkoopsom van de partneralimentatie, € 275.000,-, het recht op partneralimentatie is komen te vervallen. Aan een afkoopsom is inherent dat deze niet meer kan worden gewijzigd. De bedoeling van de afkoopsom is immers juist dat er zekerheid is voor beide partijen en dat ongeacht de toekomstige omstandigheden, het recht op partneralimentatie ineens volledig voor een bepaald bedrag is afgekocht en daarmee beëindigd/vervallen.
Bij het maken van een afspraak omtrent afkoop van alimentatie kunnen partijen worden geacht alle mogelijke wijzigingen die zich in de persoonlijke dan wel financiële sfeer aan ieders zijde kunnen voordoen en alle goede en kwade kansen in dat kader te hebben ingecalculeerd, waardoor deze mogelijke wijzigingen zijn verdisconteerd in de hoogte van de afgesproken afkoopsom.
Het betreft hier een tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst die is gericht op beëindiging of voorkoming van een onzekerheid of geschil. De nakoming van de op de vaststelling gerichte verbintenissen houdt in dit geval onder meer in dat de man aan de vrouw een bedrag van € 275.000,- voldoet teneinde daarmee ineens aan de alimentatieverplichting jegens haar te voldoen en dat de vrouw afziet van partneralimentatie. De man wordt door deze betaling volledig bevrijd uit zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw en op het moment van betaling van het overeengekomen bedrag is de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw beëindigd. Wijziging van een dergelijke overeenkomst op grond van artikel 1:401 Burgerlijk Wetboek (BW) is dan niet meer mogelijk. Vernietiging is wel mogelijk op basis van wilsgebreken als genoemd in artikel 1:44 BW, maar het beroep dat de vrouw in het verleden op deze wilsgebreken heeft gedaan is afgewezen. Derhalve staat in rechte vast dat er sprake is van een rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst en dat de partneralimentatie is afgekocht.
Voor zover er bij een overeenkomst tot afkoop van de partneralimentatie een niet-wijzigingsbeding vereist zou zijn is de man van mening dat partijen een niet-wijzigingsbeding zijn overeengekomen en dat de rechtbank in haar beschikking van 13 januari 2009 reeds heeft geoordeeld dat er inderdaad sprake is van een rechtsgeldig niet-wijzigingsbeding. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep ingesteld en daarmee heeft deze beslissing gezag van gewijsde gekregen.
5.2.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man ten onrechte blijft herhalen dat partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten terwijl de man de onderhandelingen heeft beëindigd voordat tot ondertekening van een vaststellingsovereenkomst kon worden overgegaan. Zij wijst er daarbij op dat in art 7:901 BW de voorwaarden zijn genoemd voor het tot stand brengen van een vaststellingsovereenkomst en dat de totstandkoming van een dergelijke overeenkomst gebonden is aan vereisten waaraan moet worden voldaan om de met de beslissing beoogde rechtstoestand uitgaande van die waarvan zij mogelijk afwijkt, tot stand te brengen.
Art 1:159 lid 1 BW verwijst naar een schriftelijke overeenkomst met handtekeningen van beide partijen. Aan deze voorwaarde is niet voldaan. Er is derhalve geen vaststellingsovereenkomst gesloten die aan de wettelijke vereisten voldoet.
Het hof oordeelt als volgt.
5.3.
De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft in haar beschikking van 13 januari 2009, verkort weergegeven en voor zover thans van belang, vastgesteld dat de rechter in kort geding bij vonnis van 17 oktober 2008 heeft bepaald dat sprake is van een rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst tussen partijen ter zake de afkoop van de partneralimentatie. De rechtbank is verder ten aanzien van de totstandkoming van voormelde overeenkomst niet gebleken van nieuwe feiten en /of omstandigheden welke thans tot een ander oordeel zouden moeten leiden. De rechtbank is van oordeel dat de overeenkomst van partijen niet op onregelmatige wijze tot stand is gekomen en dat het beroep van de vrouw op de door haar aangedragen wilsgebreken faalt.
Vervolgens komt de rechtbank, voor zover thans van belang, aan de vraag of deze overeenkomst voor wijziging in aanmerking komt. In dat kader komt de rechtbank tot het oordeel dat partijen een niet-wijzigingsbeding zijn overeengekomen.
5.3.1.
Het hof stelt vast dat partijen op 15 juli 2008 een rechtsgeldige overeenkomst hebben gesloten ten aanzien van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie, welke overeenkomst de rechtbank in haar beschikking van 13 januari 2009 heeft gekwalificeerd als een rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst. Vaststaat verder dat de rechtbank van oordeel was dat er sprake was van een geldig niet-wijzigingsbeding in de zin van art 1:159 BW.
Tegen geen van beide beslissingen van de rechtbank is door de vrouw hoger beroep ingesteld.
5.3.2.
Allereerst komt het hof toe aan de vraag of wijziging gevraagd kan worden van een rechtsgeldig tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst waarbij de partneralimentatie is afgekocht.
5.3.3.
Een essentialia van de vaststellingsovereenkomst is dat zij wordt gesloten ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of een geschil tussen partijen.
Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen zich jegens elkaar aan een vaststelling omtrent hetgeen rechtens tussen hen geldt, ook voor zover deze toestand mocht afwijken van de tevoren bestaande rechtstoestand . De vaststellingsovereenkomst wordt derhalve gesloten met het oog op een bestaande of toekomstige onzekerheid die door de overeenkomst wordt voorkomen of beëindigd.
5.3.4.
Hiervan is in deze zaak sprake; tussen partijen was immers een kwestie van partneralimentatie in geschil. Ter beslechting van dit geschil maar tevens ter voorkoming van onzekerheid omtrent de financiële verplichtingen over en weer zijn partijen overeengekomen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 275.000,- zou voldoen teneinde daarmee ineens aan de alimentatieverplichting jegens haar te voldoen en dat de vrouw afziet van partneralimentatie. Het hof stelt verder vast dat aan deze vaststellingsovereenkomst voor zover het de partneralimentatie betreft daadwerkelijk uitvoering is gegeven
5.3.5.
Nu het gevolg van deze tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst is dat er geen recht meer bestaat op partneralimentatie is het naar het oordeel van het hof niet mogelijk om wijziging van (dat recht op) partneralimentatie te verzoeken.
Dat betekent ook dat de vraag of partijen wel of niet een niet-wijzigingsbeding gesloten hebben rechtens niet relevant is. Immers het recht op partneralimentatie is beëindigd.
Het hof komt derhalve niet meer toe aan (i) de vraag of er sprake is van een ondertekening door partijen van de vaststellingsovereenkomst gelet op het vereiste zoals opgenomen in artikel 1:159 lid 1 BW en (ii) de vraag of de beslissing van de rechtbank in haar beschikking van 13 januari 2009 dat er sprake is van een niet-wijzigingsbeding welke beslissing, nu daartegen niet tegen geappelleerd is, gezag van gewijsde heeft gekregen.
5.3.6.
Bovenstaande leidt er toe dat de grieven 1 en 2 van de vrouw ter zake de partneralimentatie falen en het verzoek van de vrouw ter zake de partneralimentatie dient te worden afgewezen.
Bij haar verzoek te verklaren voor recht op welke datum de alimentatieplicht zal aanvangen of is aangevangen heeft de vrouw geen belang meer zodat ook dit verzoek zal worden afgewezen.
6. Overige beslissingen
6.1.
Gelet op het feit dat het hof bij partijen informatie heeft opgevraagd ter zake de kinderalimentatie, houdt het hof de zaak voor het overige aan tot pro forma 28 november 2019.
6.2.
Dit leidt tot de navolgende beslissing.
7. De beslissing
Het hof:
wijst af het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man met ingang van 1 september 2008 als aanvullende bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 37.090, bruto per maand zal voldoen, althans een zodanige bijdrage en met ingang van zodanige datum als het hof juist acht alsmede haar verzoek te verklaren voor recht op welke datum de alimentatieplicht zal aanvangen of is aangevangen;
houdt de zaak voor het overige aan tot pro forma 28 november 2019.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, C.N.M. Antens en L.Th.L.G. Pellis en bijgestaan door de griffier en is op 31 oktober 2019 uitgesproken in het openbaar door mr. C.N.M. Antens in tegenwoordigheid van de griffier.