Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/1.3
1.3 Belang van het onderzoek
mr. dr. M.D.J. van der Wulp , datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291407:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
D.B. Bijl, De heffing van omzetbelasting ten aanzien van onroerend goed (diss.), Deventer: Kluwer 1990.
B.G. van Zadelhoff, Onroerende goederen en belasting over de toegevoegde waarde (diss.), Deventer: FED 1992.
HvJ EU 15 september 2011, gevoegde zaken C-180/10 en C-181/10, V-N 2011/50.19 (Słaby/Kuć) en HvJ EU 9 juli 2015, zaak C-331/14, V-N 2015/34.22 (Kezić).
HvJ EU 13 juni 2013, zaak C-62/12, FED 2014/4, m.nt. Blokland (Kostov).
HvJ EG 28 maart 1996, zaak C-468/93, FED 1996/690, m.nt. Geradts (Gemeente Emmen), HvJ EG 8 juni 2000, zaak C-400/98, V-N 2000/43.17 (Breitsohl), HvJ EG 19 november 2009, zaak C-461/08, BNB 2011/14, m.nt. De Wit (Don Bosco) en HvJ EU 17 januari 2013, zaak C-543/11, BNB 2013/85, m.nt. Van Zadelhoff (Woningstichting Maasdriel) en HvJ EU 4 september 2019, zaak C-71/18, V-N 2019/46.12 (KPC Herning).
HvJ EG 4 oktober 2001, zaak C-326/99, BNB 2002/396, m.nt. Bijl (Stichting Goed Wonen I).
HvJ EU 16 november 2017, zaak C-308/16, BNB 2018/26, m.nt. Van Zadelhoff (Kozuba).
HvJ EG 16 januari 2003, zaak C-315/00, BNB 2003/123, m.nt. Van Kesteren (Maierhofer).
HvJ EG 15 december 2005, zaak C-63/04, V-N 2005/61.19, r.o. 64 (Centralan) en HvJ EU 27 maart 2019, zaak C-201/18, V-N 2019/23.16 (Mydibel).
HvJ EG 4 oktober 2001, zaak C-326/99, BNB 2002/396, m.nt. Bijl (Stichting Goed Wonen I)
HvJ EG 4 oktober 2001, zaak C-326/99, BNB 2002/396, m.nt. Bijl (Stichting Goed Wonen I) en HvJ EG 18 november 2004, zaak C-284/03, V-N 2005/21.22 (Temco Europe).
Zie bijv. HvJ EU 22 januari 2015, zaak C-55/14, V-N 2015/13.18 (Régie communale autonome du stade Luc Varenne).
Zie bijv. HvJ EG 8 juni 2000, zaak C-98/98, BNB 2001/118, m.nt. Van Hilten (Midland Bank), HvJ EG 29 april 2004, gevoegde zaken C-487/01 en C-7/02, BNB 2004/260, m.nt. Bijl (Gemeente Leusden/Holin Groep), HvJ EG 13 maart 2008, zaak C-437/06, V-N 2008/14.20, r.o. 33 (Securenta), HvJ EU 8 november 2012, zaak C-511/10, V-N 2012/60.20 (BLC Baumarkt) en HvJ EU 9 juni 2016, zaak C-332/14, V-N 2016/32.16 (Wolfgang und Dr. Wilfried Rey Grundstückgemeinschaft), HvJ EU 14 september 2017, zaak C-132/16, BNB 2018/65, m.nt. Swinkels (Iberdrola), HvJ EU 25 juli 2018, zaak C-140/17, BNB 2019/32, m.nt. Swinkels (Gmina Ryjewo) en HvJ EU 17 september 2020, zaak C-791/18, BNB 2021/18, m.nt. Bijl (Stichting Schoonzicht).
D.B. Bijl, De heffing van omzetbelasting ten aanzien van onroerend goed (diss.), Deventer: Kluwer 1990, p. 1.
B.G. van Zadelhoff, Onroerende goederen en belasting over de toegevoegde waarde (diss.), Deventer: FED 1992, p. 11-13.
D.B. Bijl, M.E. van Hilten en D.G. van Vliet, Europese BTW en Nederlandse omzetbelasting, Kluwer: Deventer 2001, p. 12.
Verordening 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, PbEG 2001, L 145/43.
De Groep financiële vraagstukken bestaat uit ambtenaren van de EU-lidstaten die zich buigen over het voorstel van de Europese Commissie. Na het voorbereidende werk van deze werkgroep komt het (aangepaste) voorstel - en met name de onopgeloste punten - ter sprake in het Comité van Permanente Vertegenwoordigers (Coreper) van de lidstaten waarna het voorstel - en met name de onopgeloste punten - uiteindelijk wordt behandeld door de Raad Economische en Financiële Zaken (ECOFIN). Zie: https://www.europa-nu.nl/id/vh87fv51qrym/raadswerkgroep_financiele_vraagstukken en https://www.europa-nu.nl/id/vga3ex9vr2z9/comite_van_permanente_vertegenwoordigers, geraadpleegd op 4 januari 2021.
Zowel Bijl1 als Van Zadelhoff2 hebben onderzoek gedaan naar de btw-consequenties ten aanzien van vastgoed(transacties). Inmiddels zijn deze onderzoeken circa 30 jaar oud. In de afgelopen drie decennia is veel jurisprudentie van het Hof van Justitie verschenen die betrekking heeft op of relevant is voor de behandeling van vastgoedtransacties in de Europese btw. Hierbij valt te denken aan de jurisprudentie van het Hof van Justitie inzake de vraag wanneer een natuurlijk persoon belastingplichtig wordt voor de levering van (privé)grond3, de belastbaarheid van een incidenteel verrichte transactie door een belastingplichtige4, de grenzen die het Hof heeft gesteld aan de vrijheid van lidstaten om de begrippen ‘bouwterrein’ en ‘bijbehorend terrein’ te omschrijven5, de beoordelingsruimte bij het gelijkstellen van zakelijke gebruiksrechten op onroerende goederen met lichamelijke zaken6 en het toepassen van het criterium van eerste ingebruikneming op de verbouwing van gebouwen (de zogenoemde ‘vernieuwbouw’)7. Daarnaast heeft het Hof van Justitie een (nadere) invulling gegeven aan diverse (onroerend goed)begrippen in de Btw-richtlijn, zoals de begrippen ‘onroerend goed’8, ‘levering’9 en ‘verhuur’10. De invulling van het begrip ‘onroerend goed’ door het Hof van Justitie heeft geresulteerd in een definiëring van dit begrip in art. 13ter van de Btw-verordening. Bij de invulling die het Hof van Justitie heeft gegeven aan het begrip ‘verhuur’ heeft het Hof een onderscheid gemaakt tussen verhuur en andere, meeromvattende diensten (de zogenoemde ‘verhuur plus’).11 Dit onderscheid heeft weer aanleiding gegeven tot nieuwe jurisprudentie over de afbakening van het begrip ‘verhuur’.12 Ten slotte heeft het Hof van Justitie met name in de achterliggende twee decennia veel arresten gewezen inzake het recht op btw-aftrek en de herziening daarvan (ter zake van vastgoedtransacties).13
Deze ‘nieuwe’ jurisprudentie van het Hof van Justitie is naar mijn mening op zichzelf reeds een rechtvaardiging om de belastingheffing ter zake van vastgoedtransacties in de Europese btw opnieuw aan een onderzoek te onderwerpen. Het belang van mijn onderzoek ten opzichte van de dissertaties van Bijl en Van Zadelhoff is echter niet beperkt tot de behandeling van nieuwe jurisprudentie van het Hof van Justitie. Het object van mijn onderzoek en/of het toetsingskader dat ik hanteer, wijkt af van de onderzoeken van Bijl en van Van Zadelhoff. Bijl heeft in zijn onderzoek de heffing ten aanzien van onroerend goed in de Nederlandse btw tot uitgangspunt genomen. In mijn onderzoek zal de belastingheffing ter zake van vastgoedtransacties in de Europese btw het object van onderzoek zijn. Bovendien is het juridische onderzoek van Bijl meer beschrijvend van aard14, terwijl mijn onderzoek een juridisch-dogmatisch karakter heeft. Van Zadelhoff heeft in zijn onderzoek net als ik de Europese btw tot uitgangspunt genomen, maar heeft gekozen voor een afzonderlijke behandeling van vastgoedtransacties volgens de theorie van de heffing van btw en de btw-heffing ten aanzien van onroerende goederen in de praktijk. Alleen het ‘theoriedeel’ van zijn onderzoek wordt afgesloten met een aantal conclusies over wenselijk recht; in het praktijkdeel zijn die conclusies niet opgenomen.15 Omdat de jurisprudentie van het Hof van Justitie door Van Zadelhoff is behandeld in het ‘praktijkdeel’ is de (destijds bestaande) jurisprudentie van het Hof van Justitie in zijn onderzoek niet systematisch onderzocht op haar wenselijkheid. In mijn onderzoek behoort de jurisprudentie van het Hof van Justitie wel tot het object van het juridisch-dogmatisch onderzoek.
Het belang van mijn onderzoek is voorts gelegen in de aandacht voor de richtlijnhistorie. In de jurisprudentie en de (inter)nationale literatuur over de Europese btw in het algemeen en de belastingheffing van vastgoedtransacties in het bijzonder, is voor zover mij bekend slechts aandacht besteed aan de gepubliceerde totstandkomingsgeschiedenis van de Tweede Richtlijn en de Zesde Richtlijn. Omdat de uiteindelijk vastgestelde bepalingen in de Tweede Richtlijn en Zesde Richtlijn soms aanzienlijk afwijken van de bepaling in het gepubliceerde (gewijzigde) voorstel van de Europese Commissie, is in de literatuur betreurd dat de werkelijke bedoeling van de richtlijngever lang niet altijd uit het gepubliceerde richtlijnhistorische materiaal kan worden afgeleid.16 In dit onderzoek wil ik die richtlijnhistorische leemte opvullen door ook aandacht schenken aan de relevante niet-gepubliceerde totstandkomingsgeschiedenis van de Tweede Richtlijn en de Zesde Richtlijn. Op grond van de zogenoemde ‘Eurowob’ is het mogelijk om te verzoeken om openbaarmaking van de stukken inzake de totstandkoming van richtlijnen.17 Door mijn voormalige collega, Najat Idrissi, is een verzoek gedaan tot openbaarmaking van de stukken inzake de totstandkoming van de Tweede Richtlijn. Op dit verzoek heeft zij documenten ontvangen die zij met mij heeft gedeeld. Ik heb zelf een verzoek gedaan tot openbaarmaking van de stukken inzake de totstandkoming van de Zesde Richtlijn. In reactie op dit verzoek heb ik documenten ontvangen die zien op de totstandkoming van de Zesde Richtlijn. De openbaar gemaakte documenten die nog niet eerder voorwerp zijn geweest van onderzoek, betreffen met name vergaderstukken van de Raadswerkgroep financiële vraagstukken (hierna: de Groep financiële vraagstukken) en het Comité van Permanente Vertegenwoordigers die betrekking hebben op de totstandkoming van de Tweede en Zesde Richtlijn.18 De documenten die betrekking hebben op de zittingen van de Raad zijn – overigens zonder nadere toelichting – niet openbaargemaakt. Voor dit onderzoek is dit geen groot gemis gebleken. Over een deel van de voor dit onderzoek relevante wijzigingen in het Voorstel voor een tweede richtlijn en het Voorstel voor een zesde richtlijn is overeenstemming bereikt binnen de Groep financiële vraagstukken of het Comité van Permanente Vertegenwoordigers. Daarnaast worden in een aantal vergaderstukken van de Groep financiële vraagstukken of het Comité van Permanente Vertegenwoordigers expliciet genoemd wat door de Raad is besloten over enkele punten waarover het binnen de Groep financiële vraagstukken en het Comité van Permanente Vertegenwoordigers niet gelukt was om overeenstemming te bereiken. Aan de hand van het openbaar gemaakte richtlijnhistorische materiaal heb ik derhalve voor de meeste wijzigen ten opzichte van het Voorstel voor een Tweede Richtlijn en het Voorstel voor een Zesde Richtlijn die voor dit onderzoek relevant zijn na kunnen gaan wat hiervoor de redenen zijn geweest. Zoals uit dit onderzoek zal blijken, strookt de uitleg die het Hof van Justitie aan richtlijnbepalingen geeft niet altijd met werkelijke bedoeling van de richtlijngever.