V-N 2014/26.17
Bij toepassing HIR kan niet voor ruilarresten worden gekozen
HR 23-05-2014, ECLI:NL:HR:2014:1183, m.nt. Redactie Vakstudie Nieuws
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23 mei 2014
- Magistraten
Overgaauw, Lourens, Bavinck, Koopman, Van Kalmthout
- Zaaknummer
13/01702
- Noot
Redactie Vakstudie Nieuws
- JCDI
JCDI:ADS24065:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2014:1183, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑05‑2014
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑05‑2014
- Wetingang
art. 3.25 en 3.54 Wet IB 2001; art. 8 lid 1, art. 12a en 15e (oud) Wet VPB 1969
Essentie
De Hoge Raad oordeelt dat voor toepassing van de ruilarresten geen plaats is als op grond van art. 3.54 Wet IB 2001 een HIR kan worden gevormd. Een belastingplichtige kan volgens de Hoge Raad niet kiezen tussen de wettelijke faciliteit en toepassing van de ruilarresten.
Samenvatting
X bv is eigenaar van een onroerende zaak die bestaat uit winkelpanden met daarboven gelegen wooneenheden. De enige activiteit van X bv is de verhuur van de onroerende zaak aan derden. Per 31 december 2005 bedraagt de fiscale boekwaarde € 23.784. Op 22 november 2006 verkoopt en levert B, de toenmalige ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.