Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/I.1
I.1 De onschuldpresumptie
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS595117:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Fletcher 1968, p. 880: “Good men everywhere praise the presumption of innocence.”
Zie voor een uitvoerig overzicht van internationale vindplaatsen Henckaerts & Doswald-Beck 2005, p. 357; Van Sliedregt 2009, p. 22-23 en hierna § V.1.
Keijzer 1987, p. 251. Vgl. in dezelfde zin ook Reijntjes 1994, p. 1. Zie vooral vanwege de retoriek ook het Amerikaanse Supreme Court 4 maart 1895, 156 U.S. 432, 453 (Coffin/United States): “The principle that there is a presumption of innocence in favor of the accused is the undoubted law, axiomatic and elementary, and its enforcement lies at the foundation of the administration of our criminal law.”
Zie bijv. Krauss 1971; Hirsch Ballin 2008, p. 145. Vgl. ook BVerfG 26 maart 1987, 74, 258, 2 BvR 589/79: “[...] im Rechtsstaatsprinzip des Grundgesetzes wurzelnden Unschuldsvermutung [...],”.
Voorbeelden zijn even divers als talrijk. Zie – naast de hierna in deze inleiding te bespreken actualiteiten – bijvoorbeeld: de totstandbrenging van opsporingsbevoegdheden tegen niet-verdachten, zoals bij aanwijzingen van een terroristisch misdrijf (waarover Hirsch Ballin 2008) en in veiligheidsrisicogebieden (waarover NJCM 2011, p. 1); het zogenoemde ‘weekendarrangement’ (waarover o.a. Riege 2009; Berndsen 2011, p. 432 en 437); de ‘ontsporing’ van mediaberichtgeving over strafzaken als gevolg van de open en weinig terughoudende houding van het OM ten opzichte van die media (waarover bijv. Stevens 2010a); de openbaarmaking van bestuurlijke boetebesluiten (waarover Doorenbos 2007; Pfaeltzer 2014); de ruime armslag van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (waarover Franken 2007); de voortschrijdende opkomst van big data in het strafrecht (waarover o.a. Hildebrandt 2016); de wijze waarop de rechter omspringt met schadevergoedingsverzoeken voor het ondergaan van dwangmiddelen (waarover bijv. Uit Beijerse & Dane 1996, i.h.b. p. 271-281; Stolwijk 2007, p. 26-28; Polman 2016); en voorstellen voor een algemene DNA-databank (zie daarover bijvoorbeeld de column van H. Veenendaal: http://925.nl/archief/2012/11/20/dna-verwantschapsonderzoek-liever-niet en de weblog van geenstijl.nl, “DNA Databanken: daarom niet”, d.d. 21 november 2012).
Totdat het tegendeel is bewezen, zal eenieder voor onschuldig worden gehouden. Overal ter wereld onderschrijft men dit als de onschuldpresumptie te boek staande adagium.1 Deze universele erkenning heeft geresulteerd in een plaats in vrijwel alle multilaterale mensenrechtenverdragen, waaronder ook het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Hv).2
Dat verbaast niet, aangezien de onschuldpresumptie volgens velen één van de meest vooraanstaande strafvorderlijke principes behelst. Een principe dat in het hart ligt van een moderne en beschaafde strafrechtspleging. Zo is het volgens Keijzer “wellicht het belangrijkste beginsel dat ons hedendaagse strafproces beheerst”.3 Zelfs de rechtsstaat in bredere zin kan niet zonder onschuldpresumptie, wordt wel betoogd.4 De aanspraken van de onschuldpresumptie zijn ontegenzeggelijk groots, fundamenteel en rechtsstatelijk. Het principe lijkt immers het fundament van de strafprocedure te bevatten: totdat men in een strafproces schuldig is bevonden, dient de overheid eenieder als onschuldige te behandelen, en voor vaststelling van schuld moeten de autoriteiten in een strafproces overtuigend bewijs leveren. Daarmee raakt het rechtstreeks aan het doel en de kern van de strafprocedure: tot overtuigend bewijs van schuld komen teneinde een verdachte als schuldige te kunnen behandelen door middel van sancties.
Het toepassingsbereik van de onschuldpresumptie is daarnaast niet beperkt tot één of enkele aspecten van de strafvordering. De onschuldpresumptie strekt zich uit over alle fasen van de strafrechtspleging en beoogt daaraan op talrijke essentiële punten in kwalitatief opzicht bij te dragen. Vanwege dat brede toepassingsbereik en haar fundamentele karakter, wordt de onschuldpresumptie in het juridisch en maatschappelijk debat veelvuldig in stelling gebracht. Uitbreidingen van overheidsbevoegdheden, die in het huidige strafrechtsklimaat vaak gehoor geven aan de roep om een stevige aanpak van criminaliteit, lijken de onschuldpresumptie niet gunstig gezind. Hoewel de onschuldpresumptie in het Nederlandse strafprocesrecht tot op heden als zodanig niet is gecodificeerd, is het beginsel zowel onder juristen als in populaire media een veelgehoord argument ter onderbouwing van een tegengeluid in geval van zulke uitbreidingen.5 Dat bevestigt de grote actuele relevantie van het principe. Die discussies illustreren echter ook dat veel onduidelijkheden en misverstanden de onschuldpresumptie omringen en dat belangrijke vragen nog altijd geen eenduidig antwoord hebben. Zij laten zich mijns inziens in zes problemen categoriseren.