Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/6.7
6.7 Overige rechtspositie
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS498577:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
In de wet van 11 december 2008 tot wijziging van de Wrra is deze bepaling grotendeels ongewijzigd gebleven. Hierin wordt alleen verduidelijkt (Stb. 2009, 8, artikel I, onderdeel U) dat de functionele autoriteit beoordeelt of de goede vervulling van het ambt in het geding komt. De term ‘taak’ is vervangen door de term ‘ambt’, omdat met de taak niet zozeer werd gedoeld op de arbeidsduur van de rechterlijke ambtenaar, maar op (de aard van) het rechterlijk ambt waarin hij is benoemd (Kamerstukken II 2007/08, 31 227, nr. 3, p. 17).
Kamerstukken II 1994/95, 24 220, nr. 3, p. 20.
Redactioneel, ‘Over waarden en normen en de trias politica’, NJCM-Bulletin 2002, p. 829-832.
Zie uitgebreider over de regeling van rechtsbescherming tegen rechtspositionele besluiten ten aanzien van rechters § 5.9.3 (hfdst. 5).
De regering heeft in 2005 toegezegd daaraan in het kader van de integrale herziening van de Wrra aandacht te besteden, Kamerstukken II 2005/06, 29 937, nr. 5, p. 3.
Zie Staatsblad 2009, 8 (art. I onderdeel JJ); Kamerstukken II 2007/08, 31 227, nr. 3, p. 14-16. Het wetsvoorstel is zonder beraadslaging en zonder stemming door de EK aangenomen op 9 december 2008.
Artikel 43 Wrra, dat is ontleend aan artikel 125a Ambtenarenwet, beperkt de vrijheid van meningsuiting, vereniging, vergadering en betoging van niet voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren (leden van het OM en gerechtsauditeurs) en raio’s in verband met de goede vervulling van hun taak of het goede functioneren van de rechterlijke macht.1 Dat geldt niet voor het lidmaatschap van een politieke partij of een vakvereniging op grond van het tweede lid. Volgens de wetsgeschiedenis kunnen deze beperkingen niet gelden voor de voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren in verband met hun rechterlijke onafhankelijkheid.2 Dat is niet verder toegelicht. Ik zie echter niet in waarom dat het geval zou zijn. Juist van rechters mag je verwachten dat ze de goede – onafhankelijke en onpartijdige – uitoefening van de rechterlijke functie niet in gevaar brengen door uitoefening van individuele grondrechten. De redactie van het NJCM-bulletin, die er overigens ten onrechte vanuit lijkt te gaan dat artikel 43 Wrra ook voor rechters geldt, neemt in dit opzicht het standpunt in dat een rechter wel lid mag zijn van een politieke partij (een vereniging), maar dat actieve deelname in een partijbestuur of vertegenwoordigend lichaam onwenselijk is vanuit een oogpunt van rechterlijke onbevangenheid.3
Tot slot een opmerking over artikel 47 Wrra, waarin is bepaald dat een rechter tegen elk besluit (of een andere handeling) waarbij hij belanghebbende is in beroep kan gaan bij de Centrale Raad van Beroep.4 Op grond van artikel 47, derde lid, Wrra (oud) stond van 1 januari 2002 tot 1 juli 2010 tegen een beslissing door een onafhankelijk bij wet ingesteld met rechtspraak belast orgaan of door de voorzitter daarvan rechtstreeks beroep open bij de CRvB. Tegen beslissingen of handelingen van de president van de Hoge Raad stond geen beroep open (art. 47, vierde lid, Wrra (oud)). De Hoge Raad neemt (rechtspositionele) beslissingen ten aanzien van de presidenten van een gerechtshof, de griffier en de substituutgriffiers, evenals de gerechtsauditeurs werkzaam bij de Hoge Raad. Dit was een leemte in de rechtsbescherming die gold voor alle beslissingen van de Hoge Raad.5 De op 1 juli 2010 inwerking getreden wet tot wijziging van de Wrra van 11 december 2008 maakt hieraan een einde.6 Gerechtsbesturen, presidenten van gerechten en de P-G bij de Hoge Raad worden sindsdien als bestuursorgaan aangemerkt als zij (rechtspositionele) beslissingen nemen ten aanzien van rechters en die beslissingen zijn vatbaar voor bezwaar en beroep in de zin van de Awb. Het gaat daarbij om besluiten die zijn genomen als functionele autoriteit en niet in het kader van de rechterlijke functievervulling. Daarnaast staat in beginsel beroep open tegen elke rechtspositionele beslissing ten aanzien van alle (gewezen) rechterlijke ambtenaren (in opleiding) bij de CRvB. Slechts drie categorieën beslissingen zijn hiervan uitgezonderd, te weten besluiten tot benoeming, aanwijzing en plaatsing (tenzij de rechter zelf beroep instelt), beslissingen van de Hoge Raad ten aanzien van rechters tot schorsing, ontslag en herplaatsing in de zin van hoofdstuk 6A Wrra en de vorderingen van de P-G tot het nemen van die beslissingen op grond van artikel 46o Wrra. Dat een rechter een rechtspositionele beslissing jegens hem net als iedere andere ambtenaar kan laten toetsen door een onafhankelijke rechter draagt bij aan een goede rechtsbescherming.