NJ 1960/133
Bewijslast t.a.v. de vraag, of een op zich zelf erkende betaling is geschied in mindering van de ingevorderde schuld.
HR 29-01-1960, ECLI:NL:HR:1960:152, m.nt. Mr. L. E. H. Rutten
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
29 januari 1960
- Magistraten
Mrs. Donner, de Jong, Houwing, Hülsmann en Petit
- Zaaknummer
[29011960/NJ_1960-133]
- Conclusie
Mr. Loeff
- Noot
Mr. L. E. H. Rutten
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS138089:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1960:152, Uitspraak, Hoge Raad, 29‑01‑1960
- Wetingang
(BW art. 1418-1439, 1435, 1902.)
Essentie
Bewijslast t.a.v. de vraag, of een op zich zelf erkende betaling is geschied in mindering van de ingevorderde schuld.
Samenvatting
In het onderhavige geding, waarin Lentz betaling heeft gevorderd van een geldvordering van pro resto f 5000 en Kwant als verweer heeft aangevoerd dat hij deze schuld gedeeltelijk heeft voldaan door betaling van f 2500, heeft Lentz deze betaling erkend, doch gesteld dat het betaalde bedrag in mindering moet komen op een andere geldvordering, die hij op Kwant zou hebben. Nu Kwant heeft ontkend, dat hij nog een tweede schuld aan eiser heeft, had Lentz bewijs moeten leveren dat ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.