Sfeerovergangen in de winstsfeer
Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/3.2:3.2 Het wettelijk kader van de fiscale openingsbalans
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/3.2
3.2 Het wettelijk kader van de fiscale openingsbalans
Documentgegevens:
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630375:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel I, onderdeel M, lid 1 Invoeringswet Wet IB 2001.
Zie ook Freudenthal 1996, pagina 185 en paragraaf 4.3 van dit onderzoek.
Kamerstukken I 2007/2008, 31 205 en 31 206.
Het belang van een correcte VSO blijkt uit HR 22 november 2019, nr. 18/016, waarin de Hoge Raad de tekst van de VSO liet prevaleren boven een juiste bepaling van de totaalwinst.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De grondslag voor de fiscale openingsbalans is te vinden in artikel 3.8 Wet IB 2001 juncto artikel 8 Wet Vpb 1969 (totaalwinstbeginsel). De regels voor het opstellen van een openingsbalans zijn ontwikkeld in de jurisprudentie. De wetgever heeft het wel nodig gevonden om bepaalde uitzonderingen te maken. Zo is in diverse privatiseringswetten (paragraaf 4.4) een activeringsverbod voor goodwill opgenomen en is er thans een herwaarderingsverbod voor immateriële activa opgenomen in artikel 33 Wet Vpb1969. Hierop zal ik later in dit hoofdstuk (paragraaf 3.5) ingaan. Bij de invoering van de Wet IB 2001 heeft de wetgever ervoor gekozen om specifieke regels op te nemen voor de bron resultaat uit overige werkzaamheid. In de Invoeringswet is namelijk bepaald dat vermogensbestanddelen bij een dergelijke sfeerovergang moeten worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. Aangezien een dergelijke waardering ook voortvloeit uit artikel 3.94 Wet IB 2001 (totaalresultaatbepaling) is mijns inziens sprake van een dode letter.12
Over de waardering van vermogensbestanddelen kan veel onduidelijkheid bestaan. Om dit te voorkomen, worden tussen belastingplichtigen en de Belastingdienst geregeld afspraken gemaakt over de waardering van specifieke vermogensbestanddelen. Bij de integrale belastingplicht van woningcorporaties was dit een nadrukkelijk verzoek van de Eerste Kamer. In de motie-Essers is bijvoorbeeld verzocht om bij de totstandkoming van de nieuwe Vaststellingsovereenkomst (VSO), in het bijzonder ten aanzien van de waardering van het vastgoed op de openingsbalans, en ten aanzien van de fiscale behandeling van zogeheten ‘gemengde projecten’, ernstig rekening te houden met het in de Eerste Kamer breed gedragen gevoel dat hiermee op een constructieve en redelijke manier moet worden omgegaan.34