Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/5.6.3
5.6.3 Octrooi en aanspraak op octrooi
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS478051:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 65 lid 1 ROW. Vgl. art. 72 EOV.
Art. 64 lid 2 ROW.
Zie ook art. 64 lid 2 ROW.
HR 15 december 1950, NJ 1951/469, m.nt. Ph.A.N. Houwing (Staat/Philips). Zie ook Kort begrip 2014/109.
MvT, Kamerstukken II 1984/85, 19 144 (R 1297), nr. 1-3.
Vgl. Kort begrip 2014/103 en Gielen/Van Dongen, T&C Intellectuele eigendom, art. 65 ROW, aant. 1. Zie ook de verwijzing naar (het ontwerp voor) art. 3:95 BW in MvT, Kamerstukken II 1984/85, 19 144 (R 1297), nr. 1-3, p. 6.
Aan een akte in de zin van art. 3:95 BW worden dezelfde eisen gesteld als aan een akte in de zin van art. 3:94 BW. Vgl. MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 395 en Pitlo/ Reehuis & Heisterkamp 2012/292. Zie daarover nader nr. 193.
Zie bijv. Le Poole 2002; Hoorneman 2002; en Van Engelen 2008, p. 153-154.
Zie Beerda 2012 voor een overzicht van de verschillende standpunten in de literatuur en rechtspraak.
In bevestigende zin: Domingus 2002; Domingus 2003, p. 142; en Struycken 2009, p. 152-154. Ik sluit mij bij de opvatting van laatstgenoemde aan. In ontkennende zin: Cohen Jehoram, Van Nispen & Huydecoper 2008, p. 591-592; Beerda 2012; en Steneker 2012/67. Vgl. ook Spath 2013.
Zie nr. 144.
Zie het Uitvoeringsbesluit Rijksoctrooiwet 1995 en de Uitvoeringsregeling 2009 Rijksoctrooiwet 1995.
Vgl. art. 15 lid 1 Uitvoeringsbesluit Rijksoctrooiwet 1995 en de art. 2 lid 1, onder b; 16 lid 2, onder c; 17; en 22 jo. 19 en 20 Uitvoeringsregeling 2009 Rijksoctrooiwet 1995.
243. De levering van het octrooirecht of van het recht voortvloeiend uit de octrooiaanvraag geschiedt bij een tweezijdige akte opgemaakt tussen de vervreemder en de verkrijger “houdende de verklaring van de rechthebbende, dat hij het octrooi of het recht, voortvloeiende uit de octrooiaanvrage, aan de verkrijger overdraagt, en van deze, dat hij deze overdracht aanneemt”.1
De overdracht van het octrooi of van het recht voortvloeiend uit de octrooiaanvraag kan worden ingeschreven in het octrooiregister.2 Deze inschrijving is geen constitutief vereiste voor de geldigheid van de levering, maar is slechts van belang voor de derdenwerking die aan de overdracht kan toekomen. Uit art. 65 lid 3 ROW volgt namelijk dat de overdracht eerst tegenover derden werkt wanneer de akte door een van partijen in het octrooiregister is ingeschreven.3 Derdenwerking kan echter ook langs andere wegen worden bewerkstelligd. Onder het vergelijkbare stelsel van de Rijksoctrooiwet van 1910 heeft de Hoge Raad namelijk geoordeeld dat een beroep jegens een derde op een niet-ingeschreven akte ook openstaat indien de gerechtigde jegens de derde op andere wijze dan door inschrijving van zijn rechten heeft doen blijken.4 De conclusie lijkt daarom gewettigd dat de werking van de overdracht afhankelijk is gesteld van de publiciteit die daaraan ten opzichte van een bepaalde derde is gegeven. De inschrijving in het octrooiregister van de overdracht is een middel om deze publiciteit jegens alle derden door een enkele handeling te verschaffen.
Voor de vestiging van een pandrecht op octrooi geldt op grond van art. 67 ROW een vergelijkbaar regime. Het pandrecht wordt gevestigd bij een akte en werkt tegenover derden eerst wanneer de akte in het octrooiregister is ingeschreven. Hoewel art. 67 ROW niet spreekt van de verpanding van het recht uit de aanvraag, is een dergelijke verpanding niet uitgesloten. Voor zover aan een dergelijke verpanding behoefte bestaat, kan zij geschieden op gelijke wijze als ten aanzien van het octrooirecht.5
De ROW bevat geen bijzondere leverings- of vestigingsformaliteit voor de aanspraak op octrooi dat (nog) niet is aangevraagd. Het ligt in de rede om aan te nemen dat op de levering van deze enkele aanspraak op octrooi art. 3:95 BW van toepassing is.6 De aanspraak op octrooi dat nog niet is aangevraagd, kan dientengevolge door middel van een enkele daartoe strekkende akte worden geleverd of bezwaard met een beperkt recht.7
De vraag of een toekomstig octrooirecht (of een toekomstig recht uit een octrooiaanvraag of toekomstige aanspraak op octrooi) voorwerp kan zijn van een levering bij voorbaat, komt in de literatuur in beperkte mate aan de orde.8 Kunnen de voor levering of verpanding gestelde formaliteiten worden vervuld ten aanzien van toekomstige octrooien en toekomstige aanspraken op octrooi? Ik meen van wel, nu de levering of verpanding van het octrooirecht (of de octrooiaanvraag of de aanspraak op octrooi) slechts een enkele tweezijdige akte vereist die zonder probleem door partijen bij voorbaat kan worden opgemaakt.
De vraag of ten aanzien van een octrooi of octrooiaanvraag de bij voorbaat verrichte levering of verpanding kan worden ingeschreven in het octrooiregister is niet relevant voor de voltooiing van deze handeling. Niettemin komt zonder een dergelijke inschrijving aan de levering of vestiging bij voorbaat geen derdenwerking toe.
De inhoud en reikwijdte van deze derdenwerking is overigens voorwerp van debat.9 Kan bijvoorbeeld een vóór faillietverklaring tot stand gekomen overdracht of verpanding van een octrooi die pas na aanvang van het faillissement van de vervreemder is ingeschreven, worden tegengeworpen aan de boedel?10
De vraag of ook de inschrijving bij voorbaat kan worden verricht is daarom (in ieder geval) van praktisch belang voor de rechtspositie van de verkrijger- bij-voorbaat. Het huidige beleid van de houder van het octrooiregister verhindert een dergelijke inschrijving. Indien de identiteit van de vervreemder in de aangeboden akte niet correspondeert met die van de huidige octrooihouder, zal inschrijving van de akte worden geweigerd door de houder van het octrooiregister. Een parallel met art. 3:97 lid 1 BW en de uitzondering van registergoederen van de mogelijkheid om bij voorbaat te leveren ligt hier voor de hand. Ook ten aanzien van het octrooiregister zal de wens bestaan om ‘vervuiling’ van het register te voorkomen met allerlei inschrijvingen, alleen verricht in de hoop, dat een willekeurige derde eenmaal rechthebbende zal worden. Zoals hiervoor betoogd, is het argument van registervervuiling niet overtuigend.11 Meer betekenis zou ik willen toekennen aan de aard en inrichting van het betrokken register en de beperkingen die daaruit kunnen voortvloeien. Voor het octrooiregister moet voor de inrichting te rade worden gegaan bij de uitvoeringsregelgeving.12 In de huidige opzet van het octrooiregister kunnen slechts akten worden ingeschreven ten aanzien van aanvragen en octrooien die reeds geregistreerd zijn. Dit blijkt ook uit de eis dat het verzoek tot inschrijving steeds gepaard dient te gaan met de uitdrukkelijke vermelding van het volgnummer van het desbetreffende octrooi of aanvraag.13 De inschrijving van een akte met betrekking tot een absoluut toekomstige aanvraag of octrooi stuit daarom simpelweg af op het ontbreken van een volgnummer. De inschrijfbaarheid van een akte ten aanzien van een relatief toekomstig octrooi of aanvraag is niet uitgesloten. Hoewel de toepasselijke uitvoeringsregelingen dit ook niet uitsluiten, lijken zij wel te veronderstellen dat de huidige houder van het octrooi partij is bij de aangeboden akte. Navraag bij de bewaarder van het octrooiregister heeft bevestigd dat het praktijk is om inschrijving te weigeren indien de personalia van de vervreemder in de akte niet overeenkomen met de personalia van de geregistreerde houder van het recht. De inschrijving bij voorbaat van een leverings- of pandakte ten aanzien van een toekomstig octrooi of aanspraak op octrooi zal in de praktijk reeds om die reden niet slagen.