Rb. Noord-Holland, 09-09-2022, nr. 9911156 \ WM VERZ 22-1264
ECLI:NL:RBNHO:2022:8239
- Instantie
Rechtbank Noord-Holland
- Datum
09-09-2022
- Zaaknummer
9911156 \ WM VERZ 22-1264
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Handhaving algemeen
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNHO:2022:8239, Uitspraak, Rechtbank Noord-Holland, 09‑09‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 09‑09‑2022
Inhoudsindicatie
WHAV. Namens betrokkene is de bevoegdheid van de verbalisant in twijfel getrokken, en is bij het beroepschrift een verkeersbesluit meegezonden. Het verkeersbesluit ziet echter niet op de locatie waar de gedraging is vastgesteld. De kantonrechter stelt vast dat er onvoldoende is aangevoerd om aan de bevoegdheid van de verbalisant te twijfelen.
Partij(en)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknummer : 9911156 \ WM VERZ 22-1264
CJIB-nummer : [nummer]
Uitspraakdatum : 9 september 2022
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [postcode] [woonplaats] (hierna te noemen: betrokkene)
gemachtigde : [gemachtigde] .
Het verloop van de procedure
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 26 augustus 2022. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Namens gemachtigde is [gemachtigde] verschenen. De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.
Overwegingen
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: weg inrijden aan de andere zijde van het bord dan de pijl aangaf: bord D 2/16.
Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en gemachtigde heeft namens betrokkene in het beroepschrift de gronden daarvoor aangevoerd.
Namens betrokkene is de bevoegdheid van de verbalisant in twijfel wordt getrokken. Gemachtigde heeft ter onderbouwing van dit standpunt bij het beroepschrift een verkeersbesluit overgelegd, maar vast staat dat dit verkeersbesluit niet ziet op de Leidsevaart te Haarlem, waar de gedraging is begaan. Gemachtigde heeft op de zitting aangegeven het juiste verkeersbesluit overgelegd te willen zien. De kantonrechter stelt echter vast dat het al met al blijft bij een algemene betwisting van de bevoegdheid van de verbalisant en het overleggen van een verkeersbesluit dat niet van toepassing is, en in het licht van het overzichtsarrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 december 2019 (vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2019:10797) stelt zij vast dat er aldus onvoldoende is aangevoerd om aan de bevoegdheid van de verbalisant te twijfelen. Er hoeft door de officier van justitie dan ook geen verkeersbesluit overgelegd te worden dat wél op de Leidsevaart te Haarlem ziet, zoals door [gemachtigde] ter zitting is verzocht.
Voorts is namens betrokkene aangegeven dat betrokkene niet staande is gehouden en dat verbalisant onvoldoende heeft onderbouwd waarom dit niet mogelijk was. De verbalisant heeft in het aanvullend proces-verbaal, onder ambtsgelofte, het volgende hierover verklaard:
“(…) Ik stond met mijn dienstvoertuig stil voor de verkeerslichten op de Leidsevaart kruising Emmaplein. Aldaar zag ik dat eerder genoemd voertuig de drukte wilde ontwijken en links om de dwangpijl, aangegeven door een D2 RVV1990 bord, heen reedt. Een staande houding was in dit geval niet mogelijk wegens de verkeersdrukte ter plaatse en de snelheid waarmee het voertuig zijn weg vervolgde. (…)”.
Naar het oordeel van de kantonrechter is hiermee voldoende duidelijk gemaakt dat staande houding niet mogelijk was. Gezien de beschreven situatie kon van verbalisant – vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid – niet verlangd worden dat hij vanuit stilstand over een drukke kruising de achtervolging van de motorfiets van betrokkene in zou zetten.
De boete is dus terecht, aan de kentekenhouder, opgelegd.
De kantonrechter ziet in hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ook geen reden om de boete te matigen.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Hierdoor is er geen aanleiding voor proceskostenvergoeding, zoals door gemachtigde verzocht.
De uitspraak
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kanninga-Jonker, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 70,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending: