Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/3.2.4
3.2.4 Herziening burgerlijk procesrecht in 1992
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS499514:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van Rossum-Cleveringa 1972, p. 1487 (aant. 2 bij artikel 732 Rv), alsook Jansen 1987, aant. 1 bij artikel 734 Rv., p. III-146a, supplement 162 (april 1987).
Eenzelfde conclusie trekt F.M.J. Jansen: de vanwaardeverklaringsprocedure was slechts een constatering dat formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen. Omdat deze toch vaak (gevoegd) samen met de vordering in hoofdzaak werd behandeld is met afschaffing aan die doublure een einde gekomen: Jansen 1985, p. 317-320. Anders: de toenmalige Memorie van Toelichting, welke vermeldde dat door het schrappen van de vanwaardeverklaringprocedure het belang van een behoorlijke regeling van de vordering tot opheffing van beslag toenam: Reehuis & Slob 1992, p. 313.
In 1992 heeft een herziening van het burgerlijk procesrecht plaatsgehad, gelijktijdig met de invoering van de boeken 3, 5 en 6 NBW.1 De meest in het oog springende wijziging was het schrappen van artikel 734 Rv inzake de vanwaardeverklaringsprocedure bij het conservatoir beslag. Vóór 1992 was de conservatoir beslaglegger op grond van artikel 734 Rv (oud) verplicht om binnen acht dagen na het leggen van beslag bij de (toen: arrondissements)rechtbank een vanwaardeverklaringsprocedure te starten. De vanwaardeverklaring werd wel beschouwd als het belangrijkste moment in de conservatoire fase van het beslag omdat deze slechts kon worden uitgesproken wanneer de onderliggende materiële vordering in rechte was komen vast te staan.2 Het vonnis tot vanwaardeverklaring had slechts betrekking op de formele geldigheid van het beslag maar was wel een vereiste om tot executie over te kunnen gaan. Omdat sedert de afschaffing van de vanwaardeverklaring de formele geldigheid van het beslag wordt vastgesteld in de hoofdprocedure, zoals bedoeld in het huidige artikel 700 lid 3 Rv, heeft deze wijziging geen invloed op de positie van de beslaglegger of beslagene tot gevolg gehad.3
Voorts is in 1992 het oude artikel 732 Rv inzake opheffing en verval van het beslag omgenummerd naar het huidige artikel 705 Rv. Alhoewel men ten tijde van deze wijziging stelde dat het nieuwe artikel 705 Rv geen andere bedoeling had dan de voorloper, is nadien gebleken dat er de nodige aanleiding voor discussie met betrekking tot de ontwerp wettekst ontstond, welke met name betrekking had op de vrees voor een verslechterde processuele positie van de beslagene. De ontwikkelingen in de toepassing van artikel 705 Rv in de praktijk nadien duiden inderdaad op een versterking van de positie van de beslaglegger ten koste van de beslagene. In hoofdstuk zes inzake de tweede pijler (het opheffingskortgeding) worden deze ontwikkelingen besproken.
Met de wijzigingen is ook het derde lid van artikel 732 Rv (oud), dat betrekking had op schadevergoeding in geval van het stellen van zekerheid dan wel onterecht gelegd conservatoir beslag, geschrapt. Het oude artikel 732 lid 3 Rv luidde als volgt:
‘In alle deze gevallen kan de arrestant worden verwezen tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden aanwezig zijn.’
Het verdwijnen van deze bepaling is vermoedelijk ingegeven door de veronderstelling dat in de hier bedoelde situatie de algemene regel van het toenmalige artikel 1401 BW (huidig 6:162 BW) inzake onrechtmatige daad een voldoende grond voor een vordering tot schadevergoeding kon bieden. De verdere ontwikkeling van het leerstuk rond de schadevergoeding en onrechtmatig beslag lijkt nog niet uitgekristalliseerd en wordt in belangrijke mate bepaald door ontwikkelingen in de rechtspraak en doctrine. Op schadevergoeding na onrechtmatig beslag (de derde pijler) wordt in hoofdstuk acht teruggekomen.