Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/8.1
8.1 Inleiding
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
CBb 9 december 2008, LJN BG8912, par. 5.5.
Dit speelde ook in CBb 27 januari 2009, LJN BH5223.
Ter verwerping van een beroep op het gelijkheidsbeginsel werd echter in Hof Arnhem 17 juni 2010, LTNBM8105 overwogen: 'Er is enerzijds sprake van zodanige maatregelen dat werknemers in staat worden gesteld hun werkzaamheden te verrichten zonder daarbij hinder of overlast van roken door anderen te ondervinden en anderzijds van het instellen, aanduiden en handhaven van een rookverbod. Aangenomen moet worden dat de wetgever zich daarvan bewust was toen hij — mede uit een oogpunt van voorkoming van concurrentievervalsing — de regeling voor zaken zonder werknemers in het leven riep. Deze omstandigheid duidt er reeds op dat er in de ogen van de wetgever praktisch gesproken geen relevant verschil werd gezien tussen de verschillende verplichtingen. Dit zou verband kunnen houden met de inschatting van de wetgever dat als effectieve maatregel tegen hinder en overlast door roken praktisch gesproken (nagenoeg) alleen een rookverbod in aanmerking zou kunnen komen en met ventilatiemechanismen blootstelling aan rook niet te voorkomen valt. Ook in de uitvoeringspraktijk blijkt niet anders.'
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven overwoog in een boetezaak waarin de vraag voorlag of een werkgever voldoende maatregelen had getroffen om te zorgen dat de werknemers in staat werden gesteld hun werkzaamheden te verrichten zonder daarbij hinder of overlast van roken door anderen te ondervinden onder meer het volgende:
`Met de rechtbank leidt het College uit de wetsgeschiedenis af dat onder hinder en overlast als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Tabakswet moet worden verstaan het ondervinden van lichamelijke klachten (zoals gezondheidsklachten) en irritaties die het gevolg zijn van het roken door anderen. Gelet hierop kan, anders dan de minister meent, niet staande worden gehouden dat de in het proces-verbaal opgenomen visuele waarneming van de in het bedrijfsgebouw geplaatste rookcabines volstaat om te bewijzen dat A een overtreding heeft begaan. Daarmee is immers niets gezegd over de vraag of in de onderhavige situatie sprake is van blootstelling van werknemers van A aan (schadelijke bestanddelen van) tabaksrook, en zo ja, of die blootstelling zodanig is dat van hinder of overlast moet worden gesproken. Om van overtreding van artikel 11a, eerste lid, Tabakswet te kunnen spreken, moet, zoals de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld, dan ook ten minste zijn aangetoond dat sprake is van enige blootstelling aan (schadelijke bestanddelen van) tabaksrook.’1
In deze zaak passeren diverse voorvragen die beantwoord moeten worden voordat de conclusie kan worden getrokken dat al dan niet sprake is van een overtreding. Zo speelde blijkens de in deze uitspraak weergegeven inhoud van de rechtbankuitspraak bij het beroep in eerste aanleg ook de voorvraag of de betreffende norm voldeed aan het bepaaldheidsgebod.2 Bij de beoordeling in hoger beroep speelt dit meer zijdelings bij de beoordeling van de resultaatsverplichting van de werkgever als bedoeld in art. 11a lid 1 Tabakswet. De minister van VWS lijkt hier het standpunt in te nemen dat uitsluitend overlast of hinder kan worden voorkomen door te voorzien in een aparte afgesloten rookkamer als bedoeld in de in art. 11a lid 5 bedoelde AMvB. Dit is onjuist. Uit de wetssystematiek volgt dat indien door de werkgever is voorzien in een afgesloten rookkamer, ten aanzien van die ruimte de verplichting als bedoeld in art. 11a lid 1 Tabakswet niet geldt. Dit betekent niet dat buiten een dergelijke rookkamer nimmer gerookt zou kunnen worden. De norm is namelijk niet dat buiten een dergelijke ruimte niet gerookt zou mogen worden, maar dat de werkgever de zorgplicht heeft te voorkomen dat hinder of overlast van roken wordt ondervonden door de werknemers. Onder hinder of overlast moet volgens het College geldt op de wetsgeschiedenis worden begrepen het ondervinden van lichamelijke klachten en irritaties die het gevolg zijn het roken door anderen. De betreffende zorgplicht lijkt te veronderstellen dat bij afdoende maatregelen ook buiten een aparte afgesloten rookkamer gerookt zou mogen worden.3 In dit hoofdstuk komen dergelijke vragen omtrent de uitleg en verbindendheid van verbods- en gebodsnormen en het daderschap van (rechts)personen aan de orde alsook diverse daarmee samenhangende kwesties, waaronder verschillende schuldgradaties en excepties.