Art. 3 Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering, Straatsburg, 17 maart 1978, houdt met betrekking tot verstekvonnissen het volgende in (Trb. 1979, 120, p. 4): “1.When a Contracting Party requests from another Contracting Party the extradition of a person for the purpose of carrying out a sentence or detention order imposed by a decision rendered against him in absentia, the requested Party may refuse to extradite for this purpose if, in its opinion, the proceedings leading to the judgment did not satisfy the minimum rights of defence recognised as due to everyone charged with criminal offence. However, extradition shall be granted if the requesting Party gives an assurance considered sufficient to guarantee to the person claimed the right to a retrial which safeguards the rights of defence. This decision will authorise the requesting Party either to enforce the judgment in question if the convicted person does not make an opposition or, if he does, to take proceedings against the person extradited. 2.When the requested Party informs the person whose extradition has been requested of the judgment rendered against him in absentia, the requesting Party shall not regard this communication as a formal notification for the purposes of the criminal procedure in that State.” Het protocol is voor Nederland in werking getreden op 5 juni 1983, Trb. 1983, 70 en voor Albanië op 17 augustus 1998, Trb 2006, 171.
HR, 30-11-2021, nr. 21/03332
ECLI:NL:HR:2021:1791
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30-11-2021
- Zaaknummer
21/03332
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Internationaal strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:1791, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 30‑11‑2021; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1135
ECLI:NL:PHR:2021:1135, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 02‑11‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1791
- Vindplaatsen
Uitspraak 30‑11‑2021
Inhoudsindicatie
Uitlevering. Executie-uitlevering van opgeëiste persoon (Albanese nationaliteit) naar Albanië t.z.v. veroordeling voor fraudefeit. Middel over ontbrekende pleitnota. HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/03332 U
Datum 30 november 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 juli 2021, nummer [001], op een verzoek van de Republiek Albanië tot uitlevering
van
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de opgeëiste persoon.
1. De uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard met het oog op de tenuitvoerlegging van – naar de Hoge Raad begrijpt – de bij het uitleveringsverzoek overgelegde rechterlijke veroordeling, “No. 12 Act. Reg. Date: 25.05.2019, No. 1319 Decision, Date: 21.05.2019” van de “Republic of Albania court of Tirana Judicial District” waarbij de opgeëiste persoon tot 4 jaar gevangenisstraf is veroordeeld voor het strafbare feit “Fraud”, zoals bepaald in art. 143/2 van het Wetboek van Strafrecht van Albanië.
2. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft F.S. Baardman, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover de rechtbank de gevraagde uitlevering toelaatbaar heeft verklaard “vanwege strafexecutie ter zake van het in het uitleveringsverzoek vermelde feit”, de uitlevering toelaatbaar te verklaren, onder de door de rechtbank gestelde voorwaarde, ter tenuitvoerlegging van de in het uitleveringsverzoek genoemde “Criminal Decision No. 1319, dated 21.05.2019, of Tirana Judicial District Court”, waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld ter zake van de feiten zoals daarin omschreven, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
3. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 november 2021.
Conclusie 02‑11‑2021
Inhoudsindicatie
Uitlevering. Executie-uitlevering van opgeëiste persoon (Albanese nationaliteit) naar Albanië t.z.v. veroordeling voor fraudefeit. Middel over ontbrekende pleitnota. HR: art. 81.1 RO.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/03332 U
Zitting 2 november 2021 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de opgeëiste persoon.
Inleiding
1. Bij uitspraak van 16 juli 2021 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Albanië toelaatbaar verklaard “vanwege strafexecutie ter zake van het in het uitleveringsverzoek vermelde feit” onder de “voorwaarde dat de opgeëiste persoon in overeenstemming met de Albanese wet de mogelijkheid krijgt van een nieuwe berechting waarin de rechten van de verdediging worden gegarandeerd, zoals bedoeld in artikel 3 Tweede Aanvullend Protocol EUV”.1.
2. Namens de opgeëiste persoon is een schriftuur ondertekend en ingediend door mr M.J. Lamers, namens mw. mr F.S. Baardman, beiden advocaat te Utrecht, waarin één middel van cassatie wordt voorgesteld.
Het middel
3. Het middel klaagt dat de pleitnota zoals die ter zitting van 4 juni 2021 door de raadsvrouw van de opgeëiste persoon is overgelegd en die blijkens het proces-verbaal van die zitting aangehecht zou worden, zich in de procedure in cassatie niet bij de stukken bevindt.2.In de toelichting op het middel wordt, voor zover zou blijken dat de pleitnota nog beschikbaar zou zijn, “uitdrukkelijk verzocht om het stellen van een nadere termijn, van minimaal 4 weken, voor het indienen van middelen”.
4. Voor de bespreking van het middel is van belang dat in deze zaak digitaal wordt geprocedeerd en dat de ter zitting van 4 juni 2021 overgelegde pleitnota aanvankelijk niet in het webportaal van de Hoge Raad was geplaatst. De raadsvrouw heeft mede in verband daarmee op 6 september 2021 om aanvulling van stukken verzocht. Naar aanleiding daarvan is de pleitnota door de Hoge Raad bij de rechtbank opgevraagd.
5. De behandeling van het beroep in cassatie was bepaald op 28 september 2021. Omdat de opgevraagde pleitnota op 27 september 2021 nog niet via het webportaal beschikbaar was, is op laatstgenoemde datum om 13:47 uur voormelde schriftuur ingediend en om 13:56 uur door de raadsvrouw ook nog separaat verzocht om een nadere termijn voor het indienen van middelen.
6. Op 28 september 2021 is de betreffende pleitnota in het webportaal geplaatst en is de behandeling van de zaak aangehouden tot 5 oktober 2021. Op 28 september 2021 om 12:59 uur heeft de griffier het volgende bericht voor mr. F.S. Baardman in de portaal geplaatst:
“Hierbij deel ik u mede dat de behandeling van deze zaak is aangehouden tot dinsdag 5 oktober 2021.
Gelet op het vorenstaande, is door de rolraadsheer beslist dat u in de gelegenheid wordt gesteld om tot op de dag voor de terechtzitting – met betrekking tot hetgeen door u is opgevraagd – de eerder door u ingediende schriftuur te wijzigen, aan te vullen dan wel een of meer middelen in te trekken. Een afschrift van hetgeen door u is opgevraagd, is in het digitaal dossier geplaatst.”
7. Uit de in het webportaal geplaatste pleitnota blijkt dat deze ter zitting van 5 juni 2021 is overgelegd door mr. F.S. Baardman die de opgeëiste persoon ook in die procedure als raadsvrouw bijstond. Zij mag geacht worden bekend te zijn geweest met de inhoud van de door haar overgelegde pleitnota.3.Tegen deze achtergrond begrijp ik de relatief korte nadere termijn die door de rolraadsheer is bepaald en de omstandigheid dat de raadsvrouw daartegen geen bezwaar heeft gemaakt.
8. Van de geboden mogelijkheid om de eerder ingediende schriftuur te wijzigen, aan te vullen dan wel het middel in te trekken is namens de opgeëiste persoon geen gebruik gemaakt. Nu de pleitnota, zoals die ter zitting van 4 juni 2021 door de raadsvrouw van de opgeëiste persoon is overgelegd, op 28 september 2021 in het webportaal is geplaatst, faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Ambtshalve
9. De rechtbank heeft de uitlevering toelaatbaar verklaard “vanwege strafexecutie ter zake van het in het uitleveringsverzoek vermelde feit”. Welk feit dat is, is niet in de uitspraak vermeld. Uit de uitspraak en de door de verzoekende staat overgelegde stukken kan worden afgeleid dat de uitlevering is verzocht en door de rechtbank toelaatbaar is verklaard ter zake van het feit waarvoor de verdachte door de rechtbank Tirana van 21 mei 2019 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, en naar Albanees recht wordt aangemerkt als oplichting. Dit volgt uit het uitleveringsverzoek waarnaar de rechtbank verwijst, en in de uitspraak is omschreven als “het uitleveringsverzoek d.d. 26 maart 2021 nr. 13333Prot.Bk en/Request no. 547/5 pro EB dated 11/3/2021 of the General Prosecution Office van Albanië”. Het uitleveringsverzoek, dat zich bij de stukken bevindt, heeft betrekking op de “Criminal Decision No. 1319, dated 21.05.2019, of Tirana Judicial District Court” die de rechtbank in haar uitspraak vermeldt onder de overgelegde stukken waarvan zij kennis heeft genomen als “decision no. 12, act, dated 21/5/2019 of the Tirana Judicial District”. In het vervolg sluit ik aan bij de omschrijving van de uitspraak in het uitleveringsverzoek
10. De Criminal Decision No. 1319, dated 21.05.2019, of Tirana Judicial District Court, bevindt zich bij de stukken. De uiteenzetting van de feiten beslaat meerdere pagina’s en zal ik daarom hier niet herhalen. De feiten zijn als volgt handzaam samengevat door de officier van justitie in zijn mededeling op de voet van art. 23 lid 2 Uitleveringswet:
“Opgeëiste persoon zou volgens het voormelde Albanese vonnis in de periode januari 2015 tot en met 15 mei 2017 in Albanië diverse slachtoffers hebben benaderd en/of (vervolgens) beloofd dat hij, opgeëiste, de slachtoffers (in strijd met de waarheid) na betaling van een geldbedrag en/of inlevering van hun paspoorten, zou brengen en/of zou begeleiden naar de Bondsrepubliek Duitsland en/of (vervolgens) zou zorgen voor vervoer en/of werk en/of onderdak in Duitsland. Na betaling door de slachtoffers van het geldbedrag aan opgeëiste, heeft opgeëiste zich niet aan de afspraak gehouden en was hij voor de slachtoffers niet meer te bereiken en kregen zij hun geld niet terug.”
11. De Hoge Raad kan het verzuim van de rechtbank herstellen en de uitlevering toelaatbaar verklaren voor de feiten zoals die zijn omschreven in de Criminal Decision No. 1319, dated 21.05.2019, of Tirana Judicial District Court.
Slotsom
12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
13. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zou moeten leiden, anders dan de grond die ik hierboven bij randnummers 9 tot en met 11 heb weergegeven.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover de rechtbank de gevraagde uitlevering toelaatbaar heeft verklaard “vanwege strafexecutie ter zake van het in het uitleveringsverzoek vermelde feit”, de uitlevering toelaatbaar te verklaren, onder de door de rechtbank gestelde voorwaarde, ter tenuitvoerlegging van de in het uitleveringsverzoek genoemde “Criminal Decision No. 1319, dated 21.05.2019, of Tirana Judicial District Court”, waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld ter zake van de feiten zoals daarin omschreven, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑11‑2021
Vgl. HR 2 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:243.