Vgl. HR 23 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:45 en HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:168.
HR, 19-11-2024, nr. 23/00957
ECLI:NL:HR:2024:1699
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-11-2024
- Zaaknummer
23/00957
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1699, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑11‑2024; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:1199
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:816
ECLI:NL:PHR:2024:816, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1699
- Vindplaatsen
Uitspraak 19‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Beschadiging (art. 350.1 Sr), bedreiging, meermalen gepleegd (art. 285.1 Sr), smaadschrift (art. 261.2 Sr), belaging (art. 285b.1 Sr), mishandeling (art. 300.1 Sr) en vernieling (art. 350.1 Sr). Redelijke termijn in hoger beroep. Had hof gelet op verweer raadsvrouw (verzoek om rekening te houden met overschrijding van de redelijke termijn) moeten onderzoeken of sprake is van overschrijding van redelijke termijn in h.b.? HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00957
Datum 19 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 maart 2023, nummer 20-000231-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.E. van der Werf, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 228 uren beloopt, subsidiair 114 dagen hechtenis;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2024.
Conclusie 17‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Middelen over de overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg (M1) en in cassatie (M2). Eerste middel faalt en tweede middel slaagt volgens de plv. AG. Conclusie strekt tot vernietiging van het arrest wat betreft de straf, tot vermindering van de straf overeenkomstig de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/00957
Zitting 17 september 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 2 maart 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch in de zaak met parketnummer 02-140450-19 wegens onder 1. "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen", 3. “bedreiging met enig misdrijftegen het leven gericht”, 4. “smaadschrift”, 5. “belaging” en in de zaak met parketnummer 02-109309-19 wegens onder 1. “mishandeling”, 2. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” en 4. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 184 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met bijzondere voorwaarden en met aftrek van voorarrest en daarnaast een taakstraf voor de duur van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis. Het hof heeft daarnaast een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende een contactverbod opgelegd en twee vorderingen van benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen en in dat verband schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
2.
2.1
Het eerste middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte niet heeft onderzocht of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep als bedoeld in art. 6 EVRM, althans dat het hof op het in dat verband uitdrukkelijk onderbouwd verweer niet heeft beslist als gevolg waarvan de strafoplegging ontoereikend en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 februari 2023 houdt voor zover van belang in:
“De raadsvrouw voert het woord tot verdediging als volgt:
(…)
Ik verzoek het hof rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.
(…)
Mr. Grijpstra verklaart in reactie op de standpunten van de advocaat-generaal en de raadsvrouw als volgt.
(…)
De overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is aan de verdediging te wijten, mede gelet op het feit dat de verdachte tijdens de strafprocedure op vakantie naar Thailand is gegaan.
(…)
De advocaat-generaal maakt geen gebruik van de gelegenheid tot repliek.
De raadsvrouw merkt nog op dat volgens haar geen sprake is geweest van een vakantie naar Thailand.”
2.3
Het hof heeft in het bestreden arrest onder het kopje “Op te leggen sanctie” geen aparte overweging gewijd aan de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof heeft kennelijk wat de raadsvrouw heeft aangevoerd omtrent de redelijke termijn niet opgevat als een verweer waarop uitdrukkelijk een beslissing moet worden gegeven. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de raadsvrouw alleen heeft verzocht rekening te houden met een schending van de redelijke termijn, maar niet heeft aangevoerd op welke gronden de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM zou zijn geschonden.1.De opmerking van mr. Grijpstra, de raadsman van de benadeelde partijen, over de overschrijding van de redelijke termijn en de summiere reactie daarop van de raadsvrouw maken dat niet anders.
2.4
Het eerste middel faalt.
Het tweede middel
3.
3.1
Het middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.
3.2
Het cassatieberoep is ingesteld op 10 maart 2023. De stukken van het geding zijn op 13 december 2023 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Deze overschrijding kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening. Aldus komt deze zaak in aanmerking voor strafvermindering.
3.3
Het tweede middel slaagt.
Afronding
4.
4.1
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑09‑2024