Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.1:4.1 Inleiding
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.1
4.1 Inleiding
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946162:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Groenhuijsen 1986, p. 103.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit onderzoek is gericht op beantwoording van de vraag wat de functie en plaats van klachtdelicten is in het Nederlandse strafrechtelijke bestel en of klachtdelicten tegenwoordig nog nuttig en nodig zijn. De hoofdstukken 2 en 3 voorzien voor een belangrijk deel in een antwoord op het eerste deel van die vraag. In die hoofdstukken is de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling van klachtdelicten beschreven en is nader aandacht besteed aan de huidige regeling van klachtdelicten en de wijze waarop daaraan in de rechtspraktijk invulling wordt gegeven. Kennis van deze materie maakt het mogelijk meer diepgaand rechtstheoretisch onderzoek te verrichten naar de regeling van klachtdelicten. Volgens Groenhuijsen bestaat een niet onbelangrijk deel van de resultaten van rechtswetenschappelijk onderzoek uit de nadere kwalificatie en onderscheiding van de onderzochte materie. Hij wijst daarbij bijvoorbeeld op het gebruik van dichotomieën, waarmee uiteenlopende rechtsverschijnselen eenduidig worden getypeerd waarna die rechtsverschijnselen kunnen worden ondergebracht in een type of klasse. Zo wordt onder meer onderscheiden tussen gedragsvoorschriften (materieel recht) en procedurevoorschriften (formeel recht).1 Dit leidt tot de vraag hoe het klachtvereiste moet worden getypeerd en welke plaats dit rechtsverschijnsel heeft in de Nederlandse strafwetgeving. In hoofdstuk 2 is immers geconcludeerd dat de huidige verdeling van de regeling van klachtdelicten in materiële en formele onderdelen op een wankel fundament stoelt. Om die reden is ervoor gekozen de regeling van klachtdelicten hierna vanuit een viertal invalshoeken te belichten om op die wijze een gedegen beeld te krijgen van de vorm, inhoud en functie van de regeling van klachtdelicten.