De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.1.2
2.1.2 Goederenrechtelijke rechten en persoonlijke rechten
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS389658:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Sieburgh 6-I 2016/7. Nadruk toegevoegd.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, p. 13: “De kern van het absolute recht op een goed is, dat iedereen het moet respecteren; de gerechtigde kan ook met speciale acties tegen iedere schending optreden. Een relatief recht als een vorderingsrecht geldt slechts tegen een of enkele personen en alleen de wederpartij(en) van de gerechtigden kan dit recht schenden.” Nadruk in origineel. Zie ook Snijders & Rank-Berenschot 2017, p. 3: “In het goederenrecht staat de relatie persoon-goed centraal, anders dan in het verbintenissenrecht, dat gericht is op de verhouding persoon-persoon. (…) Daar waar het gaat om de relatie persoon-goed, zijn telkens rechten aan de orde die een bepaalde persoon op een bepaald goed kan doen gelden en daarmee rechten die hij in beginsel tegenover een ieder kan handhaven (absolute rechten). Die absolute werking of derdenwerking is kenmerkend voor goederenrechtelijke rechten. Bij het verbintenissenrecht, dat ziet op de relatie persoon-persoon, gaat het om rechten die de ene persoon in beginsel uitsluitend tegenover de andere persoon kan inroepen (relatieve/persoonlijke rechten).” In gelijke zin ook Van Leuken, Van de Moosdijk & Tweehuysen 2017, p. 29 over de indeling van vermogensrechten.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/22-26. De beantwoording van de vraag omvatte een overzicht van opvattingen in de loop der tijd. Deze opvattingen komen in par. 2.3 uitvoerig aan de orde.
Hartkamp 2017a, p. 48 noemt als voorbeeld van mengvormen met persoonlijke en zakelijke werking ook het recht van retentie ex art. 3:291 BW. Zie voor meer voorbeelden van tussenvormen Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/26. Zie ook Du Perron 1999, met name het hoofdstuk over kwalitatieve rechten en verplichtingen.
Het onderscheid tussen goederenrechtelijke rechten op een goed en verbintenissen of relatieve rechten tussen personen vormt de hoofdindeling van het vermogensrecht. De onderdelen goederenrecht en verbintenissenrecht worden in de wet en daarmee in de doctrine afzonderlijk behandeld. Vanuit het verbintenissenrecht bezien wordt het onderscheid tussen absolute en relatieve rechten eenvoudig beschreven als het verschil tussen rechten op goederen en verbintenissen. Zo verwoordt het Asser-deel over de verbintenis in het algemeen een echo van de opvatting over het recht op een goed zoals geciteerd bij De Groot:
“Met het recht op een goed (...) heeft de verbintenis gemeen, dat zij een vermogensrechtelijke betrekking is, doch daarvan onderscheidt zij zich weer, doordat de verbintenis een betrekking is tussen personen. Ter onderscheiding van het recht op een goed, dat een betrekking vestigt tussen persoon en goed, wordt de verbintenis daarom ook wel persoonlijk recht genoemd.”1
Vanuit het goederenrecht bezien wordt de verschillende werking van absolute en relatieve rechten benadrukt, jegens iedereen of jegens de bepaalde contractpartner.2 Het was lang de heersende leer dat er een directe rechtsbetrekking zou bestaan tussen de rechthebbende en het goed.3 Dat het geldende recht uitgaat van de tweedeling tussen persoonlijke rechten en rechten op goederen betekent nog niet dat het onderscheid absoluut moet worden opgevat, want al vrijwel even lang werd de vraag naar het onderscheid tussen beide rechten gesteld:
“Hoezeer ook de tegenstelling van fundamentele aard moge zijn, toch is reeds lang de vraag aan de orde wat nu het wezenlijke kenmerk is van een recht op een goed, de vraag dus waarin een dergelijk recht verschilt van een persoonlijk recht.”4
De vraag naar het wezen van het verschil tussen rechten op goederen en verbintenissen brengt tevens de vraag mee naar de mogelijkheden van kruisbestuiving en tussenvormen:
“Het huidige Burgerlijk Wetboek gaat nog steeds uit van de tweedeling waarin persoonlijke rechten staan tegenover rechten op goederen. (…) Tegelijkertijd zou het bepaald onjuist zijn het onderscheid al te absoluut op te vatten. Het onderscheid vervaagt bijvoorbeeld wanneer men aan persoonlijke rechten werking tegenover derden (bijvoorbeeld rechtsopvolgers onder bijzondere titel) toekent, en de werking van rechten op goederen ten opzichte van derden beperkt.”5
Bekende voorbeelden van persoonlijke rechten met derdenwerking zijn de kwalitatieve verbintenissen en onderdelen van huur- en pachtrechten.6