Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/7.2.3
7.2.3 Het verzekerd belang
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS360640:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Scheltema/Mijnssen 1998, nr. 6.30. Het begrip belang kan op verschillende manier geduid worden, getuige de opsomming die Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 266, geven. Meest invoelbaar bij schadeverzekering is het veiligstellen van een belang door te voorzien in vergoeding van schade wanneer dat belang wordt aangetast. Ruimer is de opvatting waarin als belanghebbende geduid wordt 'hij die er belang bij heeft dat het evenement uitblijft'. Het verschil in definiëring lijkt niet van belang voor de stel- en be-wijsplicht die op verzekerde rust, omdat deze steeds ingekleurd/bepaald wordt door het (voor deze vorm van verzekering gedefinieerde) belang dat uit de overeenkomst volgt.
Clausing 1998, p. 74.
Bij de indiening van het wetsontwerp titel 7.17 BW - zie MvT Kamerstukken II1985/86, p. 21 - is vervallen het in het voorontwerp nog opgenomen art. 7.17.2.3, waarin was bepaald welke belangen (vanzelfsprekend: behoudens afwijkend beding), bij de verzekering van een zaak gedekt zijn. Achtergrond van deze wijziging was dat was gebleken dat het artikel voor vele normale gevallen te ruim en voor andere, in het bijzonder voor transportverzekering, te eng was.
De vraag of een verzekerbaar belang aanwezig is, lijkt onder omstandigheden ook op het niveau van de 'geldigheid van de overeenkomst' te kunnen worden gevoerd. Verzekeraar kan immers het standpunt innemen dat een verzekerbaar belang van de verzekerde reeds ten tijde van het sluiten van de verzekering ontbrak. Ofwel, in de woorden van Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 268: 'wil van een schadeverzekering sprake zijn, dan is vereist dat de verzekering met het oog op een verzekerbaar belang is gesloten. Is dat niet het geval (en valt zij evenmin onder de omschrijving van de sommenverzekering) dan is zij geen overeenkomst van verzekering in de zin van titel 7.17 BW.' Te denken valt aan de situatie dat een verzekeringnemer hem niet toebehorende goederen, als ware hij de eigenaar, verzekert, zonder daarbij tegelijkertijd de bedoeling te hebben deze goederen te verzekeren ten behoeve van een derde, die wel bij deze goederen belang heeft in de zin van art. 7:946 BW. Wanneer die situatie zich voordoet en de overeenkomst daardoor niet de strekking heeft vermogensschade die de verzekerde zou kunnen lijden, te vergoeden, dan raakt een dergelijk verweer de geldigheid van de overeenkomst. Onder het oude recht was deze situatie relatief duidelijk omdat bij het ontbreken van een dienovereenkomstige strekking, de verzekering mogelijk nietig was. Zie over deze situatie Asser/Clausing & Wansink 1998, t.a.p., die in nr. 193 betogen dat de nietigheid van de overeenkomst alsdan volgt uit art. 250 en 254 K (oud). Daarmee was het handvat voor de verdeling gegeven omdat het inroepen van nietigheid als rechtsgevolg bewijsrechtelijk gezien steeds verplichtingen voor verzekeraar met zich brengt. Onder het huidig recht is dat mijns inziens, ondanks dat de regeling in afdeling 2 van titel 7.17 BW aan de afwezigheid van deze strekking niet uitdrukkelijk de nietigheid van de verzekering verbindt, niet anders: ook dan rust op verzekeraar de bewijslast, zij het in dit geval op de grond dat verzekeraar een zelfstandig verweer voert ('ik, verzekeraar, betwist de verzekeringsovereenkomst of het feit dat zich een voorval heeft voorgedaan niet, maar doordat de verzekering niet met het oog op een verzekerbaar belang is gesloten, heeft de overeenkomst niet de strekking vermogensschade die de verzekerde zou kunnen lijden, te vergoeden'), dat aan toewijzing van de vordering in de weg staat.
HR 7 februari 1913, NJ 1913, p. 471 e.v. (Aardbeienmandjes).
Vgl. MvT Kamerstukken II 1985/86, p. 21, waarin de bestaande praktijk, waarin de overeenkomst bepaalt welke belangen zijn verzekerd, mede aanleiding is geweest voor het laten vervallen van het artikel waarin het belang bepaald was.
Scheltema/Mijnssen 1998, nr. 6.29.
Denk aan het (zij het daar in de sleutel van de voortaxatie van deskundigen en de indemniteit) onder hoofdstuk 6 behandelde arrest HR 17 december 1993, NJ 1994, 243(Van Marle/Wereldhave).
Dat was niet anders onder het oude recht, zie Rb. Rotterdam 22 juli 1994, S&S 1995, 79, maar ook Scheltema/Mijnssen 1998, nr. 6.29.
Op het moment dat ter zake van schade aanspraak op dekking onder de polis gemaakt wordt, dient vastgesteld te worden of degene die de vergoeding van de schade vordert, verzekerde is in de zin van de polis of wel terzake een verzekerd belang heeft. Eerst dan, immers, kan waardevermindering of verlies van het voorwerp van de verzekering (voor hem) een schadepost opleveren, hem in een (vermogens)belang treffen.1 Bovendien is de vraag welk belang de basis van de vordering vormt, richtinggevend voor de afwikkeling van de schade omdat de onderscheiden verzekerden elk een verschillend verzekerd belang kunnen hebben bij een verzekerde zaak (bijvoorbeeld het belang van de eigenaar bij het behoud ervan of dat van de hypothecaire schuldeiser bij het huis als onderpand). Het gaat daarbij steeds om het belang ten tijde van de verwezenlijking van het onzekere voorval.2
Het is aan verzekerde om aan te tonen dat het belang ten tijde van het vallen van de schade bij hem berustte. Voor de beantwoording van de vraag hoe verzekerde zijn stelplicht dient in te vullen, dient - sinds het vervallen van de bepaling waarin was aangegeven welke belangen bij de verzekering van een zaak gedekt zijn3 - aansluiting te worden gezocht bij de verzeke-ringsovereenkomst.4 Op het moment dat iedere nadere aanduiding in de polis ontbreekt, wordt elk belang van de verzekerde uit welken hoofde ook geacht onder de verzekering te vallen.5 Verzekerde kan daarbij aansluiten en zich ertoe beperken weer te geven in welk belang hij geschaad is en wat de schade is die hij daardoor lijdt. De praktijk6 leert echter, dat doorgaans in de polis wel bepaald is welk(e) belang(en) is (zijn) verzekerd en wie door het voorval in zijn (vermogens)belang geraakt kan zijn, bijvoorbeeld omdat de verloren gegane of beschadigde zaak hem toebehoorde, danwel dat daarop ten behoeve van hem een beperkt recht rustte.7 Verzekerde dient zich in zijn vordering daarnaar te richten.
Hoe nu verder wanneer verzekeraar zich (gemotiveerd) beroept op het ontbreken van een verzekerd belang? Bijvoorbeeld omdat een gestolen voorwerp, waarvan het eigenaarsbelang was verzekerd, ten tijde van het schadevoorval niet langer aan verzekerde, maar aan een ander toebehoorde. Of omdat het huurdersbelang aan een ander toebehoorde.8 Het zal dan steeds aan verzekerde zijn om dit belang aan te tonen en zo nodig te bewijzen dat en tot welke omvang hij schade heeft geleden.9 Hier toont zich de verwevenheid van de drie elementen belang, waarde en schade, die, steeds bezien vanuit andere hoek hetzelfde doel beogen: de vergoeding van (alleen) de schade (of: iets meer dan dat, zolang hij door dit 'meer' niet in een duidelijk voordeliger positie geraakt). Zie hierover reeds nader onder6.3.