HR 11 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:225, rov. 2.3.
HR, 10-02-2026, nr. 23/04198
ECLI:NL:HR:2026:175
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-02-2026
- Zaaknummer
23/04198
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:175, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑02‑2026; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:70
ECLI:NL:PHR:2026:70, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑01‑2026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:175
- Vindplaatsen
Uitspraak 10‑02‑2026
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04198
Datum 10 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 oktober 2023, nummer 21-005751-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.A.C. de Bruijn bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van 71 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.
Conclusie 13‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04198
Zitting 13 januari 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 17 oktober 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden (parketnr. 21-005751-18) wegens (1) “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en (2) “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 71 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar en met aftrek van het voorarrest ex art. 27 lid 1 Sr. Daarnaast heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van verschillende verdovende middelen.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.A.C. de Bruijn, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Deze middelen hebben beide betrekking op de bewezenverklaring van het bezit van harddrugs onder feit 1.
1.3
Er bestaat samenhang met de zaak 23/04197. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
2. De bewezenverklaring en de motivering van het hof
2.1
Ten laste van de verdachte is onder feit 1 bewezen verklaard dat:
“hij op 18 april 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 141 pillen en 108,27 gram van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I”.
2.2
Het hof heeft aan de bewezenverklaring het volgende ten grondslag gelegd (met weglating van voetnoten):
Overwegingen met betrekkingen tot het bewijs
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde integrale vrijspraak bepleit wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het opzettelijk aanwezig hebben van zowel de hard- als de softdrugs. Daartoe is primair aangevoerd dat op basis van het dossier niet gesteld kan worden dat verdachte wist dat zich in de woning de tenlastegelegde drugs bevonden. Subsidiair is aangevoerd dat het tenlastegelegde medeplegen niet kan worden bewezen en partiële vrijspraak dient te volgen.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde onder 1 en 2 wordt weersproken door de inhoud van de hierna opgenomen gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.
Vooropgesteld moet worden dat voor de vraag of een verdachte opzettelijk drugs aanwezig heeft gehad als bedoeld in de artikelen 2 en 3 onder C van de Opiumwet, niet doorslaggevend is aan wie die drugs toebehoren. Evenmin hoeft sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen. Voldoende is dat de onder de Opiumwet vallende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden en dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen, althans van de aanmerkelijke kans daarop.
Bewijsmiddelen
Verklaring [verdachte] :
Ik was op de hoogte van de gebruikershoeveelheden wiet en hash die aanwezig waren in de woning. Er werd regelmatig geblowd en het lag open op tafel. Ik kwam altijd in de keuken en gebruikte de koelkast. De koelkast, was bijna altijd gevuld. De magnetron was aan vervanging toe. Als je hem open deed stonk het naar beschimmeld eten.
In de nacht van 17 op 18 april 2017 sliep ik in de woning samen met [medeverdachte 1] . Ik ben s ’ochtends omstreeks 10:00 uur vertrokken. Ik heb [medeverdachte 1] toen weggebracht.
[medeverdachte 1] en ik woonden in de woning. Ik sliep aan de voorzijde van de woning. De kamer aan de achterzijde van de woning was van [medeverdachte 1] . Er zaten geen sloten op de kamers (...). Mijn broer [medeverdachte 2] kwam wel eens langs.
V: Op welk adres sta je ingeschreven?
A: [a-straat 1] in [plaats] .
V: Verblijf je daar ook?
A: Ja daar woon ik.
Proces-verbaal van bevindingen:
Op 20 april 2017 deed ik, [verbalisant 1] onderzoek in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) om te weten te komen welke personen er ingeschreven staan in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . Uit de GBA bleek dat de drie hieronder genoemde verdachten, volgens de GBA allen zijn ingeschreven in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] .
Verdachte: [medeverdachte 2]
Verdachte: [verdachte]
Verdachte: [medeverdachte 1] .
Proces-verbaal van bevindingen:
Op 18 april 2017 kregen wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] melding te gaan naar de [a-straat 1] te [plaats] . De buurvrouw belde met de politie omdat haar man een kwartier hiervoor een onbekende man in de tuin van de buren had zien staan. Mogelijk was zojuist een ruit aan de achterzijde van de woning aan de [a-straat 1] vernield.
Wij kregen tijdens het verhaal van de meldster sterk de indruk dat het om een heterdaad woning inbraak ging. Wij zijn direct naar de achtertuin van de [a-straat 1] gelopen en zagen dat de schuifdeur, welke toegang geeft tot de tuin, deels open stond. Wij zijn via deze opening naar binnen gelopen in de tuin en zagen dat het glas in de achterdeur vernield was. Wij zagen dat de vloer in de woning bezaaid was met glasscherven. Het viel ons op dat de deur op een kier stond.
Omdat er mogelijk nog een verdachte van deze inbraak in de woning aanwezig was, zijn wij de woning via de achterdeur betreden en maakten wij ons middels luide stem kenbaar als zijnde politie. Direct bij binnenkomst van de woning zagen wij op de eettafel een sporttas en een wasmand met kleding staan. Wij zagen dat op het wasgoed twee kleine doorzichtige zakjes lagen met een bruin blokje hierin. Wij herkenden de twee blokjes als zijnde hasj, omdat wij beide meerdere malen tijdens onze werkzaamheden zaken afgehandeld hebben waar soortgelijke bruine blokjes hasj werden aangetroffen. Wij zagen dat er niemand aanwezig was op de begane grond.
Ik, [verbalisant 3] heb telefonisch contact gezocht met één van de bewoners. Ik heb gesproken met [medeverdachte 2] . Ik vertelde [medeverdachte 2] dat er zojuist was ingebroken in de woning. Ik hoorde [medeverdachte 2] zeggen: “Ben je in mijn woning?” Ik vertelde dat wij inderdaad in de woning stonden om uit te sluiten dat er niemand meer in de woning aanwezig was. Ik hoorde [medeverdachte 2] zeggen: “Gaan jullie maar, jullie hoeven niet te blijven hoor.”
Ik, [verbalisant 2] stond tijdens het bellen ter hoogte van de keuken. Ik rook een sterke henneplucht komen vanuit de rechterzijde van de keuken. Ik zag dat daar een zwevend keukenkastje hing, welke voorzien was van glazen platen en geen kastdeurtjes had. Ik zag dat rechts op de bovenste plank een aantal doorzichtige zakjes met mogelijk hennep lagen. Ik, [verbalisant 3] , liep naar de keuken en rook ook deze genoemde sterke henneplucht. Wij zijn tijdens onze werkzaamheden diverse keren betrokken geweest bij het aantreffen van hennepkwekerijen en herkenden de geur, de kleur en uiterlijke kenmerken als zijnde hennep.
Wij verbalisanten zagen op dezelfde plank, maar dan aan de linkerzijde een bruin blok liggen in een boterhamzakje. Wij kregen gelijk het vermoeden dat dit bruine blok mogelijk hasj betrof. Ik [verbalisant 3] pakte het blok van de glazenplaat en rook aan dit blok. Ik herkende de kleur en geur direct als zijnde hasj. Gezien de hoeveelheid mogelijk hasj en hennep heb ik direct gebeld met de hulp officier van justitie. Ik vertelde wat wij hadden aangetroffen in de woning. Op het moment dat ik ophing viel mij op dat er een plastic tas in de magnetron lag. Ik zag deze tas liggen door het transparante glas van deze magnetron. Ik kon niet zien wat er in deze tas lag. Ik heb direct opnieuw contact gezocht met de hulp officier van justitie. Ik vertelde hem wat ik aan trof in de magnetron. Ik hoor hem zeggen dat ik blijkbaar een sterke indicatie had dat er mogelijk nog meer opium gerelateerde goederen in de woning lagen. Ik hoorde de hulp officier van justitie zeggen: “Kijk maar in de magnetron.” Ik opende de tas en zag dat er een doorzichtig zakje in zat. Ik zag dat er ongeveer 100 paars gekeurde pillen in dit zakje zaten. Ook trof ik een tweede doorzichtig zakje aan met hierin wit poeder. Ik heb direct het zakje teruggelegd waar ik deze aantrof.
Ik [verbalisant 2] , zag tijdens het onderzoek in de woning dat er een onbekende man voor de voordeur stond. Ik zag dat deze jongen naar de achterzijde van de woning liep. Ik sprak de jongen aan in de achtertuin. Ik hoorde de onbekende jongen zeggen: “Ik ben gestuurd door de hoofdbewoner, jullie kunnen gaan. De hoofdbewoner komt zo thuis.” Ik heb de gegevens van deze onbekende jongen vastgelegd. Hij gaf op te zijn: [betrokkene 1] .
In samenspraak met de hulp officier van justitie hebben wij besloten de woning te bevriezen voor een doorzoeking met een rechter-commissaris op grond van de Opiumwet. Wij verbalisanten hebben onmiddellijk de woning verlaten.
Proces-verbaal van bevindingen:
De collega’s en ik, [verbalisant 4] kregen op 18 april 2017 de opdracht een doorzoeking in een woning aan de [a-straat 1] te [plaats] bij te wonen. De doorzoeking vond plaats onder leiding van de rechter-commissaris.
In de keuken zijn de volgende goederen aangetroffen:
In een zwarte ladekast voorzien van gele laden:
- 1 zak met hennep;
- 1 zak met 2 zakken met hennep.
In een open zwarte kast:
- 1 zakje hasj;
- 1 zakje wiet
- 1 zakje wiet
- 2 zakjes met witte onbekende substantie;
- 1 grote plak hasj in [een] boterhamzakje.
In de magnetron:
- 1 zak pillen;
- 1 brok witte substantie in een plastic tas.
In de kast links naast de magnetron:
- 1 brok hasj.
In de woonkamer zijn de volgende goederen aangetroffen:
In een planken kast in een rode vaas:
- 1 blok met vermoedelijk hasj.
In de wasmand:
- 2 blokjes hasj.
Op de vliering voor de trapopening zijn de volgende goederen aangetroffen:
In een tas:
- 2 zakken met hennep. 1x [een] grote zak met hennep en 1x een kleinere zak met hennep
Alle bovengenoemde goederen zijn door ons in het belang van het strafrechtelijk onderzoek inbeslaggenomen.
Beslag:
Omschrijving goed KVI-nr uit BVH
(…)
1 zakje mogelijk ketamine 1946834
1 blok ketamine 1946835
1 blok ketamine 1946836
Roze pillen met opdruk thunderdome 1946838
Onderzoek verdovende middelen:
De aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:
Goednummer: 1946838
SIN: AAJY2112NL
Relatie met SIN: AAJY2960NL
141 stuks roze pillen met opschrift thunderdome
Goednummer: 1946834
SIN: AAJY2117NL
Inhoud: 1 zakje mogelijk ketamine, totaal 1,77 gram
Goednummer: 1946835
SIN: AAJY2116NL
Relatie met SIN: AAJY2958NL
Inhoud: 1 blok ketamine, totaal 57,2 gram
Goednummer: 1946836
SIN: AAJY2114NL
Relatie met SIN: AAJY2959NL
Inhoud: 1 blok ketamine, totaal 49,3 gram
(…)
Identificatie van veelvoorkomende drugs:
Resultaten en conclusie
Tabel 1 onderzoeksmateriaal en conclusie
Kenmerk | Omschrijving | Conclusie |
AAY2960NL | Monster, vijf gleuftabletten (à 0,47 gram), paars, Thunderdome logo/ "THUNDRDOME" | Bevat MDMA |
AAJY2959NL | Monster beige kristallen | Bevat MDMA |
AAJY2958NL | Monster crèmekleurig kristallijn poeder | Bevat MDMA |
AAJY2117N | Volgens opgave 1,7 gram, crèmekleurig poeder en brokjes in een gripzakje | Bevat MDMA |
Conclusie
Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk 141 pillen en 108,27 gram van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, 299 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) en 2.667,2 gram, althans een grote hoeveelheid, zijnde hennep aanwezig heeft gehad. Voor het opzettelijk aanwezig hebben van drugs is niet vereist dat de verdovende middelen de verdachte toebehoren. Enkel is vereist dat de middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden en dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen.
Het hof overweegt dat de verdachte als bewoner stond ingeschreven in de GBA en dagelijkse gebruiker was van de woning aan de [a-straat 1] was. Alle ruimtes waren voor de verdachte toegankelijk. In die situatie kan het naar het oordeel van het hof niet zo zijn dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs. De drugs bevonden zich ook in zijn machtssfeer nu hij te midden van die toegankelijke ruimtes met drugs leefde.
Met betrekking tot de wetenschap van de drugs leidt het hof uit de bewijsmiddelen af dat de drugs en drugsgerelateerde goederen (deels) voor een ieder zichtbaar in de gemeenschappelijk te gebruiken woonkamer en keuken van de woning zijn aangetroffen. Het hof neemt daarbij als uitgangspunt dat verdachte als bewoner en gebruiker van de woning weet wat er in zijn woning gebeurt en wat daar aanwezig is. Door of namens verdachte is in hoger beroep niet gesteld dat hij geen toegang had tot de ruimtes waar de drugs zich bevonden. Dit maakt naar het oordeel van het hof dat voldaan is aan het vereiste van wetenschap. Nu de verdachte er kennelijk niettemin voor heeft gekozen om in de woning te verblijven, heeft de verdachte het ‘aanwezig hebben’ van de drugs ook willens en wetens, opzettelijk begaan.
Het hof acht de door verdachte geschetste alternatieve scenario in hoger beroep, dat de aanwezige drugs in de woning van [medeverdachte 1] was niet aannemelijk geworden.
Medeplegen
Voor het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen is een ‘gezamenlijke machtsuitoefening’ noodzakelijk. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en de bijdrage van de verdachte. De machtsuitoefening dient bovendien van voldoende gewicht te zijn. De verdachte en de mededaders dienen ‘tezamen af te weten’ van de (aanmerkelijke kans van) aanwezigheid van verdovende middelen. De enkele wetenschap van de aanwezigheid van verdovende middelen in een bepaalde ruimte en de omstandigheid dat de verdachte zich daarvan niet heeft gedistantieerd zijn niet zonder meer voldoende voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen.
Met betrekking tot het subsidiair gevoerde verweer tot partiële vrijspraak overweegt het hof het volgende.
Het hof heeft hierboven al overwogen dat de verschillende drugs op meerdere plaatsen in gemeenschappelijk te gebruiken ruimtes en in uiteenlopende hoeveelheden en verpakkingen zijn aangetroffen. Zowel verdachte als zijn beide medeverdachten stonden als bewoner op het adres ingeschreven en verbleven ook veelvuldig in de woning. Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachten willens en wetens de aanwezigheid van de drugs in hun gezamenlijke woning hebben geaccepteerd in de door hen allen te gebruiken ruimtes en dat derhalve sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .
Aldus kan het medeplegen door verdachte van het aanwezig hebben van de aangetroffen drugs bewezen worden verklaard.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging. Op grond van het voorgaande acht hef hof wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van medeplegen.”
2.3
Uit het proces-verbaal van de zitting van het hof van 3 oktober 2023 volgt dat de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging heeft gevoerd, overeenkomstig de door hem op schrift gestelde pleitnota. Deze pleitnota houdt, met betrekking tot wetenschap van de verdachte van de aanwezigheid van de harddrugs, het volgende in:
“9. Dan de MDMA. Die bevond zich in een Albert Heijn tas, die weer was verborgen in de magnetron. Een van de verbalisanten spreekt over een transparante magnetrondeur, waardoor hij de blauwe plastic tas zag liggen. Echter, als ik naar de foto's kijk vind ik het wel meevallen hoe transparant dit glas is. Het is naar mijn mening in ieder geval niet transparant genoeg om de tas te zien liggen als je er niet naar op zoek bent. Een magnetron wordt bovendien niet zo vaak gebruikt dat het niet anders kan dan dat cliënt - niet eens een bewoner - op de hoogte moest zijn van de inhoud ervan. Daarnaast heeft MDMA geen sterke geur; in ieder geval niet in deze hoeveelheid in een plastic tas in de magnetron. Hier wordt ook niet over geverbaliseerd. Ook van de aanwezigheid van MDMA heeft cliënt dus geen wetenschap gehad.”
3. Het beoordelingskader
3.1
Van ‘aanwezig hebben’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C (en artikel 3, aanhef en onder C) van de Opiumwet is sprake als de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van het aanwezig hebben hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen.1.Wanneer sprake is van ‘feitelijke macht’ is niet eenduidig in regels te vatten.2.Van belang is vooral dat de verdachte op een bepaalde manier feitelijke zeggenschap heeft over de middelen.
Voor een bewezenverklaring van ‘opzettelijk’ aanwezig hebben is noodzakelijk dat de verdachte wetenschap heeft van die verdovende middelen of (in voorwaardelijke zin) van de aanmerkelijke kans op de aanwezigheid daarvan.3.A-G Spronken overweegt in haar conclusie van 27 februari 20244.over de vereiste wetenschap het volgende:
“Het enkele feit dat iemand bewoner is van een woning waar drugs zijn aangetroffen rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat hij hier wetenschap van had. Dit hangt af van de omstandigheden van het geval.5.Daarbij kan meespelen of ook anderen in de woning wonen, althans daartoe toegang hebben op een wijze dat niet onaannemelijk is dat zij de drugs daar hebben achtergelaten.6.Ook de ruimte waar de drugs in de woning worden aangetroffen kan een rol spelen: verborgen of voor iedereen direct zichtbaar.7.Het voorgaande neemt niet weg dat het uitgangspunt dat een hoofdbewoner weet welke voorwerpen er in huis aanwezig zijn, wel mag worden gebruikt bij de beoordeling of iemand wist van de aanwezigheid van de verdovende middelen.8.Daarnaast mag de feitenrechter bij de bewezenverklaring betekenis toekennen aan het ontbreken van een aannemelijke verklaring van de verdachte.9.
3.2
Voor medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben in de zin van de Opiumwet is vereist dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen bij – in dit geval – het aanwezig hebben van de verdovende middelen. Daarvoor is een gezamenlijke machtsuitoefening noodzakelijk, waarbij het accent ligt op de samenwerking. De bijdrage van de verdachte aan de machtsuitoefening dient van voldoende gewicht te zijn om hem als medepleger te kunnen aanmerken. De verdachte en zijn mededaders dienen gezamenlijk af te weten van de aanwezigheid van de verdovende middelen. Indien de mededaders daarover niets (willen) verklaren kan dergelijke wetenschap eventueel met toepassing van algemene ervaringsregels uit de omstandigheden van het geval worden afgeleid.10.De enkele wetenschap van de aanwezigheid van verdovende middelen in een bepaalde ruimte en de omstandigheid dat de verdachte zich daarvan niet heeft gedistantieerd zijn niet zonder meer voldoende voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen.11.
4. Het eerste middel
4.1
In het eerste middel wordt geklaagd dat het hof de verdachte heeft veroordeeld voor het (medeplegen van) het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs terwijl uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat hij wetenschap had van de aanwezigheid van harddrugs in de magnetron, in het bijzonder gelet op hetgeen de verdediging hierover naar voren heeft gebracht, althans dat dit oordeel ondeugdelijk is gemotiveerd.
4.2
Op de eerste plaats valt op dat de steller van het middel de wetenschap van de aanwezigheid van de andere (niet in de magnetron aangetroffen) onder 1 bewezenverklaarde verdovende middelen niet betwist. Die bewezenverklaring heeft immers niet alleen betrekking heeft op de pillen en MDMA die in de magnetron zijn aangetroffen, maar blijkens de bewijsmiddelen ook op MDMA die elders in de keuken is aangetroffen. Uit het proces-verbaal van [verbalisant 3] en [verbalisant 2] volgt dat in de magnetron (in een plastic tas) twee doorzichtige zakjes zijn gevonden: “een doorzichtig zakje met ongeveer 100 paars gekeurde pillen” en “een tweede doorzichtig zakje met daarin wit poeder”. In het proces-verbaal van [verbalisant 4] is eveneens gerelateerd dat in de magnetron twee “goederen” zijn aangetroffen: een zak pillen en een (brok) witte substantie. Uit dit proces-verbaal volgt dat in een open zwarte kast in de keuken “2 zakjes met witte onbekende substantie” zijn aangetroffen. Zowel de witte substantie die in de magnetron werd aangetroffen als de witte substantie uit de zakjes in de open kast bevatten (blijkens het Rapport Identificatie van veelvoorkomende soorten drugs) MDMA. Wetenschap van de aanwezigheid van die MDMA staat in cassatie aldus niet meer ter discussie.
4.3
Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte de drugs die in de woning zijn aangetroffen opzettelijk aanwezig heeft gehad als bedoeld in de Opiumwet. Daartoe heeft het hof heeft vastgesteld dat de verdachte als bewoner van de woning aan de [a-straat 1] stond ingeschreven in de GBA en de dagelijkse gebruiker van die woning was. Alle ruimtes in de woning waren voor de verdachte toegankelijk; de verdediging heeft in hoger beroep ook niet aangevoerd dat dit anders was. Met betrekking tot de wetenschap van de aanwezigheid van de drugs heeft het hof overwogen dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de drugs en drugsgerelateerde goederen (deels) voor een ieder zichtbaar in de gemeenschappelijk te gebruiken woonkamer en keuken van de woning zijn aangetroffen. Zoals hiervoor opgemerkt geldt dit in ieder geval voor een deel van de aangetroffen MDMA, die in een open kast in de keuken lag. Met betrekking tot de MDMA in de magnetron volgt uit de bewijsmiddelen dat door het transparante glas van de magnetron op zijn minst te zien was dat daarin een plastic tas lag. Ik wijs ook op voor het bewijs gebezigde de verklaring van de verdachte over de magnetron, waaruit kan worden afgeleid dat hij de deur van de magnetron wel eens opende.
Onder deze omstandigheden heeft het hof als uitgangspunt genomen dat de verdachte als bewoner en gebruiker van de woning wist wat er in de woning gebeurde en wat daar aanwezig was.
4.4
Het hof heeft op grond van het voorgaande geoordeeld dat voldaan is aan het vereiste van wetenschap van de aanwezigheid van de MDMA. Dat oordeel acht ik, ook in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd omtrent de in de magnetron aangetroffen MDMA, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Waarom tussen de verschillende vindplaatsen van de MDMA onderscheid zou moeten worden gemaakt wat betreft de wetenschap van de verdachte, ontgaat mij. Tot slot merk ik op dat aan het voorgaande niet afdoet dat er indicaties van drugshandel zouden bestaan ten aanzien van een derde (de [medeverdachte 1] ); dit sluit de wetenschap, en het daderschap, van de verdachte geenszins uit.12.
4.5
Het middel faalt.
5. Het tweede middel
5.1
Het tweede middel bevat de klacht dat niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat sprake is van medeplegen.
5.2
Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte het feit heeft medegepleegd met de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Het hof heeft daartoe overwogen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders. De overwegingen van het hof dat de verschillende drugs op meerdere plaatsen in gemeenschappelijk te gebruiken ruimtes en in uiteenlopende hoeveelheden en verpakkingen zijn aangetroffen en dat de beide medeverdachten als bewoner op het adres van de woning stonden ingeschreven en daar ook veelvuldig verbleven, begrijp ik zo dat het hof uit deze omstandigheden heeft afgeleid dat niet alleen sprake was van wetenschap van de aanwezigheid van de drugs bij de individuele daders maar ook dat de mededaders zich over en weer bewust waren van die bewustheid bij de anderen. Het hof heeft uit het voorgaande (kennelijk) tevens afgeleid dat de macht over de aanwezige verdovende middelen tezamen werd uitgeoefend. Anders dan de steller van het middel meent, heeft het hof aan de bewezenverklaring van het medeplegen aldus meer ten grondslag gelegd dan de enkele wetenschap en beschikkingsmacht van de verdachte en de omstandigheid dat de ruimtes gezamenlijk werden gebruikt. Het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen acht ik bovendien niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
5.3
Het middel faalt.
6. Slotsom
6.1
De middelen falen en kunnen met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.
6.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen nadat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak, zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, op 27 oktober 2025 is overschreden. Gelet op de mate van overschrijding en de hoogte van de opgelegde straf, meen ik dat in dit geval kan worden volstaan met een constatering van de overschrijding.13.Gronden die ambtshalve tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑01‑2026
Zie bijv ook HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945, NJ 2022/95 m.nt. J.M. Reijntjes en HR 18 april 2024, ECLI:NL:HR:2023:622.
HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945, rov. 3.3.1-3.3.2 en HR 11 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:225, rov. 2.3.
Conclusie A-G Spronken 27 februari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:169, randnummer 3.4 (HR: 81 lid 1 RO), randnr. 3.4.
Voetnoot 9: “Zie ook AG Hofstee in zijn conclusies van 2 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:174 randnr. 10 voorafgaand aan HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:558 (HR: art. 81.1 RO) en 21 februari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:201 randnr 10, voorafgaand aan HR 11 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:538 (HR: art. 81.1 RO).”
Voetnoot 10: “HR 14 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1437: van aanwezig hebben in de zin van art. 2 onder C Opiumwet is niet zonder meer sprake indien slechts kan worden vastgesteld dat verdachte (samen met anderen) in een woning verbleef en toegang had tot de keuken (waar de cocaïne in een doos werd aangetroffen); Conclusie AG Knigge voor HR 30 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:2008 randnr. 6.8; HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1459: de enkele vaststelling dat een verdachte gedurende lange tijd (hoofd)bewoner is van een woning en toegang heeft tot alle ruimten in die woning, is niet zonder meer voldoende voor de vereiste bewustheid voor het aanwezig hebben van 4 tabletten bevattende MDMA in keukenkastje van woning.”
Voetnoot 11: “Zie ook de Conclusie van AG Knigge voor HR 30 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:2008 randnr. 6.9 en 6.10.”
Voetnoot 12: “HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:498, rov. 2.3 waarin wordt verwezen naar de daarbij bijbehorende conclusie van AG Vegter, randnrs. 4–11, zie met name randnr. 9.” In aanvulling hierop verwijs ik, VS, bovendien naar de conclusie van A-G Frielink van 17 oktober 2023, ECLI:NL:PHR:2023:931, randnr. 3.4 (HR: 81 lid 1 RO), de conclusie van A-G Spronken van 16 februari 2021, zaaknummer 20/01154 (HR: 81 lid 1 RO) (niet gepubliceerd) en de conclusie van A-G Bleichrodt van 16 april 2019, ECLI:NLPHR:2019:612 (HR: 81 lid 1 RO).
Voetnoot 13: “HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584, rov. 6.3; HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864, NJ 2023/101 m.nt. W.H. Vellinga, rov. 3.2.2.”
Zo betogen onder meer A-G Aben in zijn conclusie van 21 januari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:189, randnrs. 9-12, A-G Spronken in haar conclusie van 16 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:587, randnr 3.3 en A-G Bleichrodt in zijn conclusie van 6 april 2201, ECLI:NL:PHR:2021:341, randnr. 12. Over het “gezamenlijk afweten” merkt A-G Aben op dat dit zal “vergen dat de (mede)dader zich niet alleen bewust is van de aanwezigheid van de verdovende middelen waartoe hij in een zekere machtsrelatie staat, maar ook (1) dat zulks voor de andere mededaders ieder voor zich eveneens geldt, én (2) dat de mededaders zich over en weer bewust zijn van die bewustheid bij de ander(en).”
HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2089 en HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2861.
Vgl. ook de conclusie van A-G Van Wees (randnr. 2.9) voor HR 4 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1637.
HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.2 jo. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.6.2.