Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/4.4.3
4.4.3 Wraking
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS468068:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Een wrakingsverzoek van het OM komt zeer zelden voor (Keulen/Knigge, p. 145, nt. 86).
Uit jurisprudentie volgt echter dat naast de verdachte en het OM ook anderen een wrakingsverzoek kunnen indienen. Zo werd het wrakingsverzoek van een klager in een artikel 12 Sv-procedure ontvankelijk bevonden. De rechter nam daarbij als uitgangspunt dat onpartijdigheid van een rechter een zo fundamenteel rechtsbeginsel is dat het tot uitdrukking dient te komen en erkenning verdient in iedere vorm van rechtspraak (Hof Den Haag 14 januari 2008,ECLI:NL:GHSGR:2008:BC4438). Zie verder T&C Sv, artikel 512, aantekening 1.
Tijdens de terechtzitting kan het wrakingsverzoek ook mondeling worden gedaan (artikel 513, lid 2, tweede volzin, Sv).
Op www.rechtspraak.nl zijn de wrakingsprotocollen te vinden van o.a. alle hoven en rechtbanken. Deze protocollen zijn onder meer gebaseerd op de ‘Aanbeveling wrakingsprotocol gerechtshoven en rechtbanken’.
De betreffende rechter werd opnieuw met de zaak geconfronteerd na verwijzing door het hof (Hoge Raad 24 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0257; NJ 1996, 484, met noot Knigge).
Hoge Raad 25 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC3785; NJ 2008, 211).
Hoge Raad 16 november 1999 (ECLI:NL:HR:1999:ZD1502; NJ 2000, 335, met noot ‘t Hart).
Tenzij de beslissingen van de rechter zo onbegrijpelijk zijn dat daarvoor geen andere verklaring kan worden gegeven dan dat de beslissingen het gevolg zijn van een vooringenomen houding (zie Rechtbank Amsterdam 21 mei 2010, r.o. 5.7 (ECLI:NL:RBAMS:2010:BM5302). Zie ook T&C Sv, artikel 512, aantekening 5, onderdeel b.
Rechtbank Amsterdam 21 mei 2010, r.o. 5.3 tot en met 5.5 (ECLI:NL:RBAMS:2010:BM5302).
Rechtbank Breda 7 april 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ0787.
Rechtbank Utrecht 15 maart 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BP8604.
Rechtbank Rotterdam 26 november 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BO5231.
Rechtbank Amsterdam 22 oktober 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BO1532.
Rechtbank Utrecht 17 februari 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BL5051.
Rechtbank Arnhem 20 januari 2010, ECLI:NL:RBARN:2010:BL0239.
Rechtbank Dordrecht 13 juli 2011, ECLI:NL:RBDOR:2011:BR1375.
Rechtbank Amsterdam 26 februari 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BL8530.
Idem.
Hof Amsterdam 30 augustus 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BW1443.
In geval van verschoning ligt het initiatief bij de rechter om de eventuele schijn van partijdigheid ter zitting te voorkomen. Dat ligt anders bij de wraking. Een verzoek tot wraking van een rechter kan door de verdachte of het OM1 worden ingediend (artikel 512 Sv).2 Net als bij een verzoek om verschoning moet het wrakingsverzoek gebaseerd zijn op feiten en omstandigheden die de rechterlijke onpartijdigheid mogelijk kunnen raken. Zodra deze feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden, kan hij een schriftelijk,3 gemotiveerd wrakingsverzoek indienen (artikel 513, lid 1 en 2 Sv). Om te voorkomen dat de verdachte de procesgang kan frustreren door verschillende wrakingsverzoeken na elkaar te doen, stelt het derde lid van artikel 513 Sv de eis dat alle feiten en omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen. Dit geldt echter niet wanneer feiten en omstandigheden bij de verzoeker bekend zijn geworden nádat eerder een wrakingsverzoek is ingediend (artikel 513, lid 4 Sv).
De processuele gang van zaken bij een wrakingsverzoek is gelijk aan die bij een verzoek tot verschoning, met uitzondering van de hoormogelijkheid van de verzoe ker en de rechter om wiens wraking is verzocht (artikel 515, lid 2 Sv). Overigens kan de betreffende rechter het onderzoek naar het wrakingsverzoek voorkomen door zich er bij neer te leggen (artikel 514).4
In principe kan in elke fase van het rechtsgeding om wraking worden verzocht totdat uitspraak is gedaan. Wraking is niet meer mogelijk nadat in de strafzaak einduitspraak is gedaan.
Over de gronden die kunnen leiden tot een gefundeerd wrakingsverzoek is veel jurisprudentie te vinden. De nationale rechter sluit bij de beoordeling van wrakingsverzoeken aan bij de rechtspraak van het EHRM (hoofdstuk 3, onderdeel 3.4.3.1). In het kader van dit onderzoek zal ik me beperken tot jurisprudentie op het gebied van functiecumulatie, het afwijzen van verzoeken van de verdediging en overleg buiten de zitting om.
Ten aanzien van verboden functiecumulaties heeft het EHRM al enkele malen geoordeeld. Ook de nationale strafwetgever verbiedt specifiek de cumulatie van functies van rechter-commissaris en zittingsrechter in bepaalde gevallen (artikel 268 Sv, zie onderdeel 3.4.2). De nationale rechter is onder meer van mening dat een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid kan ontstaan als de rechter die deel uitmaakte van de meervoudige kamer die verdachte bij verstek veroordeelde, opnieuw deelneemt aan de behandeling van de zaak.5 Ook vond de rechter het strijdig met het onpartijdigheidsbeginsel dat een raadsheer in dezelfde zaak tegen een medeverdachte betrokken was als OvJ.6 Die strijdigheid werd ook aangenomen in een geval waarin een OvJ als rechter-plaatsvervanger optrad in een zaak waarin een collega van zijn eigen parket OvJ is.7 Hieruit volgt mijns inziens dat bij functiecumulatie niet alleen gekeken moet worden naar de opvolgende functies van de individuele rechtsprekende persoon, maar tevens in welke relatie de betreffende rechter wellicht in vorige functies heeft gestaan met andere procesdeelnemers.
In het algemeen vormen voorafgaande rechterlijke beslissingen die in het nadeel van de verdachte hebben gewerkt geen grond voor wraking. Dit geldt ook wanneer deze beslissingen onjuist zijn.8 De rechter bedient zich bij de beoordeling van het wrakingsverzoek in het algemeen van de volgende uitgangspunten:
“[…] Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Het standpunt van een verzoeker te dien aanzien is wel belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn. […]
Onderzocht dient te worden of de aangevoerde omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechters jegens hem een vooringenomenheid koesteren – objectief – gerechtvaardigd is. […]
Tot uitgangspunt dient daarbij dat de door de rechtbank genomen beslissingen, ook als deze beslissingen in het nadeel van de verzoeker uitvallen en zelfs als die beslissingen als onjuist zouden moeten worden aangemerkt, in het algemeen geen grond kunnen zijn om te veronderstellen dat de betrokken rechters een vooringenomenheid jegens de verzoeker koesteren, noch kan de verzoeker daar de objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid aan ontlenen.”9
Voorgaande neemt niet weg dat bijvoorbeeld de wijze waarop de rechter een beslissing neemt een zekere indruk van vooringenomenheid kan veroorzaken. Dit was bijvoorbeeld het geval waarin rechters onvoldoende motiveerden waarom zij op de beslissing terugkwamen een getuige te horen.10 Ook de rechter die een verzoek van de verdediging om een getuige te horen afwijst, kan daarmee de schijn van vooringenomenheid over zich afroepen als hij laat weten daar niet het belang van in te zien, terwijl de verdediging de getuigenverklaring nodig denkt te hebben voor een onderbouwd avas-verweer.11 Een wrakingsverzoek werd ook toegewezen in het geval waarin de strafkamer aanvankelijk van mening was dat onderzoek noodzakelijk was, maar naderhand toch een verzoek van de verdachte tot nader onderzoek afwees. Daarmee werd de schijn gewekt dat geen belang werd gehecht aan de uitkomsten van het nog uit te voeren onderzoek.12 De rechter die in strijd met geldende jurisprudentie een verzoek om een getuigenverhoor afwijst, kan mogelijk eveneens een vooringenomen houding worden verweten.13
De houding van de rechter kan zijn onpartijdige positie eveneens schaden bijvoorbeeld door buiten de zitting om contact te hebben met het OM.14 Zo nam de rechter die voorafgaand aan de zitting met het OM overleg pleegde over de wijze waarop een confrontatie tussen verdachte en getuigen moest plaatsvinden in feite een procesbeslissing buiten de zitting om, waardoor de schijn van vooringenomenheid werd gewekt.15 Het gedrag van de rechter ter zitting levert ook soms problemen op. Een rechter die niet of onvoldoende geïnteresseerd is in de argumenten van de verdediging16 of die twijfel uit over de geloofwaardigheid van de verdachte en zegt dat ‘hij de schijn tegen heeft’,17 kan met succes worden gewraakt. Ook werd het de laatstgenoemde rechter aangerekend dat hij de OvJ wees op een mogelijke fout in de dagvaarding.18 Zelfs de rechter die per ongeluk een verdachte – die als getuige optreedt in de zaak tegen een medeverdachte – aanspreekt met ‘verdachte’, kan de schijn van een vooringenomen houding oproepen.19