Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.6.3
3.6.3 Vruchttrekking
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644845:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Land II (1901), p. 137 voetnoot 2 en p. 127.
“Mobilia non habent sequelam” “roerend goed heeft geen gevolg”. Zie: Zwalve (2006), p. 123-125.
Land II (1901), p. 84 e.v.
Land II (1901), p. 140, voetnoot 2. Zie ook Salomons (1997), p. 172 e.v.
Diephuis VI (1886), p. 83.
Art. 809 OBW: “De natuurlijke vruchten en de vruchten van nijverheid, die bij aanvang van het vruchtgebruik nog aan boomen en wortels vast zijn, behooren aan den vruchtgebruiker (…).”
Asser/Scholten (1945), p. 162-163. Zie ook Hofmann (1944), p. 132; Pitlo/Brahn (1987), p. 162.
Hofmann (1944), p. 173.
Opzoomer III (1876), p. 254-255. De vraag of vruchttrekking een wijze van eigendomsverkrijging is, was ook een onderwerp van discussie onder de Pandektisten. Opzoomer bracht de verschillende visies in kaart (voetnoot 1, p. 255): Von Savigny en Puchta waren van mening dat de vruchten al in eigendom werden verkregen op het ogenblik dat ze waren ontstaan, ook al zaten ze nog vast aan de planten of de bomen. Vangerow stelde daarentegen dat de eigendom pas kon worden verkregen na de afscheiding. Hij gaf aan dat naar Romeins recht de vruchten van een gestolen zaak (res furtiva) zelf geen gestolen zaken waren na de afscheiding. Vandaar dat hij concludeerde: „Dieses Eigenthum an den Früchten ist also nicht das frühere Eigenthum an der fruchttragenden Sache selbst, sondern es ist nur reine Folge desselben“. Tot slot gaf Opzoomer de visie van Windscheid weer die stelde dat „ein Fallen (mit der Trennung) in das Eigenthum des Eigenthümers der erzeugenden Sache“. Voor Opzoomer lag het bewijs dat het eigendomsrecht pas werd verkregen na de afscheiding in het feit dat een bezitter te goeder trouw eigenaar werd van de vruchten. In zijn ogen was het onmogelijk dat de eigenaar van de planten of de bomen al eigenaar werd van de vruchten, voordat deze waren afgescheiden en dat vervolgens de bezitter te goeder trouw eigenaar werd na de afscheiding: “Was de afgescheiden vrucht niet iets nieuws, hoe zou dan een ander dan de eigenaar der vruchtdragende zaak haar eigendom kunnen verwerven? Werd de eigenaar der zaak eigenaar der vrucht bij haar ontstaan, en werd hij geen eigenaar der afgescheiden vrucht bij haar afscheiding, hoe zou dan nu een ander haar eigenaar kunnen worden?”
Diephuis VI (1986), p. 82 e.v.; Suijling V (1940), p. 80; Asser/Scholten (1945) p. 162.; Hofmann (1944) p. 173; Pitlo/Brahn (1987), p. 162. In Pitlo/Brahn stond stellig: “Vast staat, dat de eigenaar van een vruchtdragende zaak niet door vruchttrekking eigenaar der vruchten wordt; hij is immers reeds door natrekking (art. 556) eigenaar der vruchten.” Zie anders: Opzoomer III (1876), p. 254 e.v. Terecht vergeleek Opzoomer vruchttrekking met zaaksvorming: door zaaksvorming ontstond een nieuwe zaak, door de afscheiding van een vrucht ook. Op beide zaken kwam een nieuw eigendomsrecht te rusten (zie p. 265-257).
Als hij vervolgens de appels gebruikt en verwerkt in een appeltaart wordt hij wel eigenaar van de appels, niet door toe-eigening maar door zaaksvorming.
Art. 813 e.v. OBW; Suijling V (1940), p. 81.
Suijling V (1945), p. 241.
Schlimpert (2015), p. 302: „Das bisherige Eigentum an der Einheitssache solle sich vielmehr rechtlich spalten und an der entstandenen Sache fortsetzen“. Zie meer hierover in het deel over het Duitse recht, Deel 2.
Suijling V (1945), Rn 221, p. 241.
In de literatuur bestond discussie over de vraag of vruchttrekking een wijze van eigendomsverkrijging was. Land stelde dat dit niet het geval was.1 Hij beschouwde het feitelijke bezit als het hoogst mogelijke “recht” dat men op een roerende zaak kon hebben. Dat ontleende hij aan art. 2014 OBW, dat bepaalde: bij roerende zaken gold bezit als volkomen titel. Hij stelde dan ook: “Bij roerend goed is de revindicatie, evenals de eigendom zelf, uitgesloten”. Men kreeg een quasi eigendom op de roerende zaak. De opvatting van Land kwam voort uit de ontstaansgeschiedenis van de regel van art. 2014. Voordat dit artikel bestond, was het “Germaanse” recht (Sachsenspiegel) in botsing gekomen met het (gerecipieerde) Romeinse recht omtrent het bezit/eigendom van een roerende zaak. Het “Germaanse” recht kende geen eigendomsrechten op roerende zaken, slechts het feitelijke bezit werd beschermd.2 Na de receptie van het Romeinse recht werd de eigendom op een roerende zaak wel mogelijk. Tussen de twee stelsels ving volgens Land “een strijd aan, die nog in volle kracht was bij het maken van den Code civil”.3 In deze Cc werd uiteindelijk in art. 2279 Cc (thans art. 2276 Cc) de regel opgenomen “en fait de meubles possesssion vaut titre”. Art. 2014 OBW is daar een letterlijke vertaling van. Deze oorspronkelijk Germaanse regel had niets te maken met het Romeinse recht en botste in sommige gevallen met de Romeinsrechtelijke bepalingen die in het OBW waren opgenomen. Volgens Land moest art. 2014 OBW dan voorgaan. Wat betreft vruchttrekking kon iemand de “quasi eigendom” van een afgescheiden vrucht verkrijgen door inbezitneming. De vruchten hadden in zijn ogen geen eigenaar en kwamen daarom door inbezitneming toe aan degene die de vruchten losmaakte. Geschiedde de afscheiding door de eigenaar van de plant of boom of door een beperkt gerechtigde, dan werd geen recht “gekrenkt”. Slechts de bezitter te kwader trouw was gehouden om schadevergoeding te betalen. Art. 634 OBW bepaalde dat deze bezitter de vruchten moest vergoeden.4 De opvatting van Land, het niet erkennen van eigendomsrechten op roerende zaken, is zoals een ieder weet niet de heersende leer geworden.
Diephuis en Scholten waren van mening dat vruchtrekking alleen een wijze van eigendomsverkrijging was voor de bezitter te goeder trouw. De eigenaar, vruchtgebruiker, opstalgerechtigde en (erf)pachter waren volgens hen reeds vóór de afscheiding eigenaar, aangezien de vruchten al vóór de afscheiding afzonderlijke zaken waren: “En meent men, dat die vruchten vóór hare afscheiding geene zelfstandige op zich zelve bestaande zaken zijn, en daarom geen afzonderlijken eigenaar kunnen hebben, dan kan ik die gevolgtrekking niet erkennen, omdat de vruchten, hoezeer nog aan de zaak verbonden, en als zoodanig daarvan, zoo men wil, een deel uitmakende (art. 556), daarom zeer wel ook op zich zelve als zaken beschouwd en behandeld kunnen worden, een voorwerp van regtshandelingen en regten kunnen zijn.”5 Deze visie van Diephuis sloot aan bij de wettelijke regeling van het vruchtgebruik.6 Vandaar dat in zijn ogen, en ook in de ogen van Scholten, een eigenaar behield “wat hij na de afscheiding had”.7 Volgens Hofmann verkregen naast de bezitter te goeder trouw ook de (erf)pachter, de beklemde meier en de vruchtgebruiker de eigendom door vruchttrekking.8
Opzoomer stelde dat vruchtrekking een wijze van eigendomsverkrijging was, aangezien de vruchten geen zelfstandige zaken waren zolang zij tak- of wortelvast zaten. Vandaar dat de eigenaar van de grond een nieuw eigendomsrecht op de afgescheiden vruchten verkreeg.9 Dit argument overtuigt. De afgescheiden vrucht was een aparte zaak geworden. Degene die daarvan eigenaar werd verkreeg er als het ware een eigendomsrecht bij. Hoe het ook zij, op de vraag of vruchttrekking een wijze van eigendomsverkrijging was, antwoordden de meeste juristen dat de eigenaar van de hoofdzaak (plant of boom) in ieder geval niet door vruchttrekking de eigendom verkreeg.10 Was er wellicht sprake van zaaksvorming? Nee. Een appel werd niet méér appel als hij werd geplukt. Werd de eigendom misschien verkregen door toe-eigening van de vruchten die geschiedde door inbezitneming? Ook die gedachte is niet vol te houden.
Als A bijvoorbeeld een week op het huis van B past en A plukt in die week enkele appels uit diens tuin, dan wordt niet A, maar B eigenaar van de appels. Ook als A de intentie had om de geplukte appels niet voor B, maar voor zichzelf te houden omdat hij een appeltaart wilde bakken, was B eigenaar van de appels.11 A was geen bezitter te goeder trouw van de geplukte appels en verkreeg derhalve niet de eigendom.
Iemand die uit het bos van een ander een boom omzaagde en het hout meenam, pleegde diefstal. Als een vruchtgebruiker in strijd met het recht van vruchtgebruik hout kapte uit het bos van de bloot-eigenaar, dan werd laatstgenoemde eigenaar van het hout. Ook als de vruchtgebruiker het hout voor zichzelf had gekapt.12
Waar kwam het eigendomsrecht van de afgescheiden vrucht dan vandaan? De meest voor de hand liggende verklaring was dat het verkregen eigendomsrecht was afgeleid van het eigendomsrecht van de hoofdzaak. Hetzelfde gold voor het geval waarin een bestanddeel, anders dan een vrucht, werd losgemaakt van een zaak. Ook hier was sprake van een afgeleid eigendomsrecht.
“De eigenaar, die zijn zaak verdeelt, verwerft echter niet nieuwe eigendomsrechten. Om practische redenen verwerpt ons recht de voorstelling, dat de splitsing van een zaak rechten doet ondergaan en nieuwe oorspronkelijke rechten doet verkrijgen. De eigendom van de ongedeelde zaak wordt geacht in den eigendom van de deelen voort te leven. Het ééne eigendomsrecht valt eenvoudig in een aantal eigendomsrechten uiteen.”13
Deze door Suijling geformuleerde hoofdregel is dezelfde als de hoofdregel die de Duitsers hebben opgenomen in §953 BGB. Daar werd namelijk bepaald dat het eigendomsrecht van de hoofdzaak door de afscheiding werd gespleten en zich vervolgens verdeelde over de twee zaken.14 Wat voor het eigendomsrecht gold, gold ook voor de beperkte rechten. De zakelijke rechten continueren na de afscheiding. De uitzondering op de hoofdregel geldt als de afgescheiden zaak wordt verkregen krachtens een ius in re aliena, een recht op andermans zaak.15