Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen
Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/13.2.0:13.2.0 Introductie
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/13.2.0
13.2.0 Introductie
Documentgegevens:
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS455354:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hieronder kan ook worden begrepen de werknemer die aandelen in een vennootschap houdt die hij heeft verkregen in het kader van een premiespaarregeling als bedoeld in art. 11 Wet LB of een spaarloonregeling als bedoeld in art. 32 Wet LB (zie hoofdstuk 5, onderdeel 5.2.2.3). Deze aandelen en aandelenoptierechten vallen dus onder de bron 'inkomsten uit vermogen'.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met ingang van 1 januari 1997 brengt art. 24, eerste lid, Wet IB onder de inkomsten uit vermogen (voor zover hier van belang) 'alle niet als winst uit onderneming, als winst uit aanmerkelijk belang (cursivering EJWH) of als inkomsten uit arbeid aan te merken voordelen die worden getrokken uit (...) rechten die niet op zaken betrekking hebben'. In vergelijking met de tot 1 januari 1997 geldende tekst valt op dat met ingang van genoemde datum de hierboven cursief weergegeven woorden 'als winst uit aanmerkelijk belang' is toegevoegd. Dit betekent dat de bron 'inkomsten uit vermogen' niet aan de orde komt, zodra een voordeel onder de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' valt. Wordt dit gecombineerd met het feit dat de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' voortaan niet alleen de vervreemdingsvoordelen tot haar heffingsbereik rekent, maar tevens de reguliere voordelen van de (aanmerkelijkbelang)aande-len, dan kan de conclusie worden getrokken dat de reikwijdte van de bron 'inkomsten uit vermogen' door de ingrijpende wijziging van het aanmerkelijkbelangregime aanmerkelijk is ingeperkt, voor zover het de opbrengsten van aandelen betreft. Tot 1 januari 1997 werden immers zowel aandeelhouders die geen aanmerkelijk belang in de vennootschap hadden als aandeelhouders die dat wel hadden, voor de inkomsten uit de aandelen belast volgens het regime van de bron 'inkomsten uit vermogen'. Door de gewijzigde bronnenvolgorde heeft de bron 'inkomsten uit vermogen' sedert 1 januari 1997 nog enkel betekenis voor de aandeelhouders die geen aanmerkelijk belang bezitten in de vennootschap. Dit is het gevolg geweest van de ingrijpende keuze die de fiscale wetgever heeft gemaakt om de aanmerkelijkbelanghouder vanaf 1 januari 1997 zowel voor de reguliere voordelen als de vervreemdingsvoordelen van de aandelen uitsluitend te belasten op grond van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang', waardoor de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' is geëvolueerd van een aanvullende (voorschot)heffïng op de bron 'inkomsten uit vermogen' tot een geheel eigen, exclusieve heffing van aanmerkelijkbelanghouders (zie uitgebreider hoofdstuk 4, onderdeel 4.4 en 4.5).
Voorts moet hierbij in ogenschouw worden genomen dat het kwantitatieve aanmerkelijkbelangcriterium drastisch is verlaagd van (globaal) ten minste 33,33% (onder omstandigheden meer dan 7%) van het nominaal gestorte kapitaal van de vennootschap naar (globaal) ten minste 5%> van het geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap (zie hoofdstuk 5, onderdeel 5.2 en 5.3). Hierdoor heeft de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' een aanmerkelijke gebiedsuitbreiding ondergaan en zijn veel meer aandeelhouders dan voorheen onder het vernieuwde aanmerkelijkbelangregime komen te vallen. Ook deze gebiedsuitbreiding is ten koste gegaan van de bron 'inkomsten uit vermogen'.
Beide genoemde wijzigingen van het aanmerkelijkbelangregime hebben er aldus toe geleid dat de reikwijdte van de bron 'inkomsten uit vermogen' per 1 januari 1997 drastisch is ingeperkt. Met ingang van deze datum heeft de bron 'inkomsten uit vermogen' uitsluitend nog betekenis voor de aandeelhouder die geen aanmerkelijk belang bezit in de vennootschap. Het zal duidelijk zijn dat hierbij voornamelijk kan worden gedacht aan particuliere beleggers in aandelen in beursvennootschappen. 1
Op het uitgangspunt dat aanmerkelijkbelanghouders sedert 1 januari 1997 niet langer onder de bron 'inkomsten uit vermogen' vallen, bestaat een tweetal uitzonderingen, t.w.:
inkomsten uit schuldvorderingen die tot een aanmerkelijk belang behoren, en
inkomsten uit tot een zgn. fictief aanmerkelijk belang ex art. 20d Wet IB, art. 20e Wet IB, art. 20f Wet IB en krachtens een ingevolge art. 20g Wet IB gestelde voorwaarde behorende aandelen en winstbewijzen.
Hieronder wordt aan beide uitzonderingen afzonderlijk aandacht besteed.