Einde inhoudsopgave
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/0.1
0.1 Achtergrond van en aanleiding voor het onderzoek
mr. D.W.M. Wenders, datum 27-09-2010
- Datum
27-09-2010
- Auteur
mr. D.W.M. Wenders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Naast positieve geluiden zijn er ook meer kritische geluiden te horen geweest over de werking van de bezwaar-schriftprocedure in het Nederlandse bestuursrecht. Het meest bekend is wellicht de door Biesheuvel aangezwengelde discussie: M. Biesheuvel, 'Weg met de bezwaarschriftprocedure', NJB 1996, p. 390. De reacties daarop van: P. Vanderheyden, 'Weg met de advocatuur', NJB 1996, p. 1111-1112; E. Alders, 'Deregulering ook voor de Awb', NJB 1996, p. 1113; J.J.A. Bosch, 'De bezwaarschriftprocedure moet blijven', NJB 1996, p. 1214-1215; C.J.A.M. Kortmann, 'Weg met de bezwaarschriftprocedure?', NJB 1996, p. 1113; M. Biesheuvel, 'Naschrift', NJB 1996, p. 1113-1114; B.E.M. Hendrickx, 'Weg met de bezwaarschriftprocedure?', NJB 1996, p. 1371.
Hoewel onder voorwaarden het doorlopen van de bezwaarschriftprocedure kan worden overgeslagen, ingevolge art. 7:la Awb, vormt deze procedure thans nog steeds een algemeen verplicht gestelde voorprocedure die gevolgd moet worden alvorens beroep op de bestuursrechter openstaat. Op de hoofdregel dat, alvorens beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter, eerst bezwaar moet worden gemaakt, bestaan wel uitzonderingen. Zo is in art. 7:1 lid 1 sub a t/m e neergelegd dat geen bezwaar hoeft te worden gemaakt tegen een besluit dat op bezwaar of in administratief beroep is genomen, een besluit dat aan goedkeuring is onderworpen, een besluit dat de goedkeuring van een ander besluit of de weigering van die goedkeuring inhoudt, een besluit dat is voorbereid met toepassing van de uniforme voorbereidingsprocedure of het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Getuige de vele publicaties die aan deze procedure zijn gewijd sedertdien. Een kleine greep daaruit: K.H. Sanders, De heroverweging getoetst. Een onderzoek naar het functioneren van bezwaarschrifOrocedures, Deventer: Kluwer 1998; J.H.W. Notten, De Algemene wet bestuursrecht en het maken van bezwaar, Den Haag: Sdu 1998; H. Bolt, 'De bezwaarschriftenprocedure als voorprocedure: heroverweging en voorbehandeling', NTB 1988, p. 6-11. Zie verder Deel II van dit onderzoek, par. 1 tot en met 4.
Dit is zoals bekend het gevolg van een uitspraak van het EHRM waarin het Kroonberoep in strijd met de onafhankelijkheids- en onpartijdigheidseisen van art. 6 EVRM werd geacht, EHRM 23 oktober 1985, Benthem t. Nederland, AB 1986/1 m.nt. E.M.H. Hirsch Ballin; NJ 1986/102 m.nt. E.A. Alkema. Zie ook hierover: N. Verheij, 'De toegang tot de rechter in het bestuursrecht', in: 50 jaar Europees verdrag voor de rechten van de mens, NJCM-Bulletin 2000, nr. 1, p. 183-201.
Zie over de historische ontwikkeling van het systeem van rechtsbescherming en de plaats daarin van het administratief beroep: L.J.A. Damen, H.E. Br:5ring, K.J. de Graaf, A.T. Marseille, A.J.G.M. van Montfort, P. Nicolaï, B.J. Schueler, H.B. Winter, Bestuursrecht. Rechtsbescherming tegen de overheid. Bestuursprocesrecht (Deel II), Den Haag: BJu 2009, p. 32- 44; H.D. Van Wijk, bewerkt door W. Konijnenbelt & A.M. Van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht, Den Haag: Elsevier Juridisch 2008, p. 16-24; Verheij 2000, p. 188 e.v.
VAR Commissie Rechtsbescherming, De toekomst van de rechtsbescherming tegen de overheid. Van toetsing naar geschilbeslechting (Rapport Commissie Rechtsbescherming), Den Haag: BJu 2004, p. 15. Zie ook: Damen e.a. 2009, Deel II, p. 22-33 en p. 173 e.v.; Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2008, p. 517, 521 en 543.
Op de vraag of deze procedures als voorprocedure kunnen worden beschouwd, wordt teruggekomen in par. 1.3 van Deel II van dit onderzoek.
Zie bijvoorbeeld: M. Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure, Deventer: Kluwer 2008, p. 55-56.
In dit onderzoek wordt met de term behoorlijkheidsnormen gedoeld op rechtsnormen, waarvan schending een rechtmatigheidsgebrek met zich brengt. Meer specifiek zien de behoorlijkheidsnormen in dit onderzoek op de beginselen van behoorlijke rechtspleging, die als rechtsbeginselen en derhalve rechtsnormen worden beschouwd. De behoorlijkheidsnormen die de Nationale Ombudsman hanteert worden buiten beschouwing gelaten. Zie over het onderscheid tussen de behoorlijkheidsnormen die de Nationale ombudsman hanteert en de normen waaraan de bestuursrechter toetst alsmede de discussie daarover de recente bijdragen in het NTB: A.F.M. Brenninkmeijer en W.J. van Hoogstraten, `De architectuur van behoorlijk bestuur. De bijdrag van de Nationale ombudsman aan behoorlijk bestuur in 25 jaar', NTB 2008/2, p. 33-39; L.J.A. Damen, 'Behoorlijk, en ook rechtmatig, of juist eerlijk?', NTB 2008/2, p. 40-51
Zij worden ook weleens gekenschetst als hybride procedures die zich tussen bestuur en rechtspraak in bevinden. Wiarda heeft met name het administratief beroep als hybride aangemerkt, G.J. Wiarda, 'Het administratief beroep (openingsrede voor de algemene vergadering van de VAR op 7 oktober 1966), in: Verspreide geschriften van Wiarda, Den Haag: VUGA p. 124. Zij zijn ook al eens procedures met een Januskop genoemd, M.A. van der Ham, `De gemeente als rechter in eigen zaak: (on)behoorlijke rechtspraak of (on)behoorlijk bestuur, in: H.A. Brasz en J.G. Steenbeek (red.), Klachten en bezwaren tegen de gemeente, Den Haag: VUGA 1988, p. 78.
Zie in het kader van de redelijke termijn, als neegelegd in art. 6 EVRM: EHRM 28 juni 1978, Knig t. Duitsland, NJ 1980/54 en EHRM 9 december 1994, Schouten en Meldrum t. Nederland, JB 1995/49 m.nt. AWH; AB 1995/599 m.nt. ICvdV. De nationale bestuursrechter legt de start van het geschil ook op dat moment door de redelijke termijn bij het indienen van een bezwaarschrift te laten lopen, zie bijv.: CRvB 3 januari 2008, AB 2008/211 m.nt. AMLJ; AbRvS 12 december 2007, AB 2008/34 m.nt. Alfred van Hall; AbRvS 29 juni 2005, AB 2006/43 m.nt. AMLJ. Zie over het redelijke termijn-vereiste nader par. 4.3.8 van Deel I en 5.7 van Deel II van dit onderzoek.
De bestuurlijke voorprocedures worden dan ook aangemerkt als contentieuze procedures, zie bijvoorbeeld: Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2008, p. 30; C.P.J. Goorden, 'Rechtsbescherming tegen en door gemeentelijke bestuursorganen. NTB 1990, p. 130.
Vgl. C.J.N. Versteden, 'De plaats van bezwaar en administratief beroep in het stelstel van rechtsbescherming', NTB 1995/9-10, p. 290. Over het begrip rechtspraak in functionele zin kom ik nader te spreken in hfst. 2 van Deel I van dit onderzoek. Voor nu volstaat het te vermelden dat hiermee kort gezegd bedoeld wordt de beslechting van een rechtsgeschil.
Hierop wordt nader ingegaan in Deel II van dit onderzoek, par. 4.2.
Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2008, p. 545-46. Zie over de functies van het administratief beroep nader Deel II, par. 4.2.6.
PG Awb I, p. 107. Zie ook: Notten 1998, p. 8; M. Scheltema, 'De rechter en de bezwaarschriftprocedure: meer aandacht voor snelheid en minder voor aansprakelijkheid', in: T. Hoogenboom en L.J.A. Damen (red.), In de sfeer van administratief recht (opstellen aangeboden aan Willem Konijnenbelt), Utrecht: Lemma 1994, p. 380- 381 .
Notten noemt dit de drie-fasen-filosofie van de Awb, Notten 1998, p. 8. Zie ook: Scheltema 1994, p. 380-381; PG Awb I, p. 107. Die bedoeling blijkt ook uit de omstandigheid dat hoofdstuk 3 van de Awb — dat ziet op de algemene bepalingen ten aanzien van besluiten — ook van toepassing is in bezwaar, voor zover deze bepalingen niet zijn uitgezonderd in artikel 7:14 Awb, én dat hoofdstuk 6 en 7 Awb nog aanvullende andere voorschriften voor die procedure (en de procedure bij de rechter) bevat die niet gelden voor de primaire besluitvomfingsfase. Hoofdstuk 8 bevat vervolgens weer voorschriften uitsluitend voor de rechterlijke procedure.
Damen e.a. 2009, Deel II, p. 174-175; Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2008, p. 544-545. Meer uitgebreid wordt op de rechtsbeschermingsfunctie ingegaan in par. 4.2 van Deel II van dit onderzoek.
Zie in het kader van het horen in bezwaar bijvoorbeeld: L.M. Koenraad en K.H. Sanders, Besluiten op bezwaar, Deventer: Kluwer 2006, p. 61-63.
Het is niet altijd zo dat de toepasselijke eisen of voorschriften uitsluitend tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur herleid worden. Zo wordt de hernieuwde hoorplicht ex art. 7:9 Awb bijvoorbeeld herleid tot het beginsel van hoor en wederhoor, zie bijvoorbeeld: AbRvS 26 april 2006, JB 2006/184 m.nt. D. Wenders. Hierop wordt in Deel II, hfst. 5, par. 5.3.2.3 nader ingegaan.
Vgl: Rapport VAR-Commissie Rechtsbescherming 2004, p. 50-51; H.J. Simon, 'Signalen uit Straatsburg', in: R.M. van Male, H. Bolt e.a. (red.), Centrale Raad van Beroep 1903-2003, Den Haag: Sdu 2003 (hierna: Simon 2003b), p. 381-283; R.J.N. Schlfissels, 'Tussen finaliteit en fuik? Over de omvang van het bestuursrechtelijke geding in eerste aanleg en appèl', in: M.A. Heldeweg, E.C.H.J. van der Linden & R.J.N. Schlfissels (red.), Uit de school geklapt? Opstellen uit Maastricht, Den Haag: Sdu 1999, p. 184. De problematiek inzake de voorprocedures als beperking op de toegang tot de rechter wordt veelal (onder meer) in de sleutel van artikel 6 EVRM en de daaruit voortvloeiende vereisten geplaatst.
A.M.L. Jansen, Constitutionalisering van het bestuursprocesrecht, Deventer: Kluwer 2004, p. 45-46 en 51.
De trechter tussen bezwaar en beroep bij de bestuursrechter is vooral in de jurisprudentie van de verschillende bestuursrechtelijke colleges, met name de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) tot ontwikkeling gebracht. Zie hierover: P.A. Willemsen, De grenzen van de rechtsstrijd in het bestuursrechtelijk beroep en hoger beroep in rechtsvergelijkend perspectief (diss. Utrecht), Deventer: Kluwer 2005, p. 95-99; R. Ortlep, `De fuikendynastie: van afbraak tot verbouwing', NTB 2005/1, p. 1-5; Rapport VAR-Commissie Rechtsbescherming 2004, p. 108-114; Schleossels 1999, p. 182-183. Uit deze jurisprudentie volgde dat een burger in bepaalde gevallen onderdelen van een besluit, gronden, feiten of bewijs niet meer (succesvol) in beroep bij de rechter aan de orde kon stellen, indien deze niet al in de voorprocedure aan de orde gesteld waren. Op het onderscheid tussen de verschillende trechters of fuiken ga ik hier niet in. Zie daarvoor de hiervoor genoemde bronnen of de bronnen genoemd in de volgende noot.
Zie: Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2008, p. 655-656; Ortlep 2005, p. 3. Vgl. ook: C.L.G.F.H. Albers & R.J.N. Schleossels, `De omvang van het bestuursrechtelijk geding: het Europese recht als het paard van Troje? Over de (on)toelaatbaarheid van procestechnische trechters en ambtshalve rechtstoepassing', Gst. (2005) 7224, p. 84-85. Voor een overzicht van de jurisprudentie verwijs ik naar: Willemsen 2005, p. 96-99. Verder over de trechter tussen bezwaar en beroep in eerste aanleg: Rapport VAR-Commissie Rechtsbescherming 2004, p. 108114.
Zie over het huidig art. 6:13 Awb ook: L.J.A. Damen, H.E. Br:5ring, K.J. de Graaf, A.T. Marseille, A.J.G.M. van Montfort, P. Nicolaï, B.J. Schueler, H.B. Winter, Bestuursrecht. Deel II Rechtsbescherming tegen de overheid. Bestuursprocesrecht, Den Haag: BJu 2009, p. 240-245; Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2008, p. 621622; H.J.M. Besselink, 'Art. 6:13 Awb; een tussenstand', JBplus 2008, p. 197-207; S.M.I. van Loon, 'Art. 6:13 Awb en de onderdelenfuik, NTB 2008, p. 333-338; B.J. van de Griend, Trechters in het bestuursprocesrecht, Den Haag: BJu 2007, par. 3.4, p. 165-189; M. Schreuder-Vlasblom, 'Art. 6:13 Awb: van berustingsbepaling tot koekoeksjong, JBplus 2007, p. 134-153; M. Schreuder-Vlasblom, 'Het gewijzigde artikel 6:13 Awb, een trechter tussen bestuur en rechter', JBplus Verklaard 2006, p. 3-15. Het huidige art. 6:13 Awb is ook al vaker in de jurisprudentie aan de orde gekomen: AbRvS 27 augustus 2008, AB 2008/328 m.nt. A.B. Blomberg; AbRvS 1 november 2006, AB 2007/95 m.nt. G.M. van den Broek en A.T. Marseille.
Willemsen 2005, p. 15. Zij merkt op dat het hanteren van een grondentrechter en/of bewijstrechter tussen de bestuurlijke fase en beroep in eerste aanleg risicovol is gelet op het recht op toegang tot de rechter. Zie ook: T. Barkhuysen & M.L. Emmerik, 'Het EVRM en het Nederlandse milieurecht', JB-plus 2004, p. 237; deze auteurs werpen de vraag op of de fuik-jurisprudentie van de Afdeling in overeenstemming is met het recht op behandeling van een zaak door een instantie met `full jurisdiction'. In dezelfde zin: Willemsen 2005, p. 22-23; Albers & Schletssels 2005, p. 91; Rapport VAR-Commissie Rechtsbescherming 2004, p. 61; Jansen 2004 p. 46; Schleossels 1999, p. 183-185; Widdershoven in zijn noot bij AbRvS 28 april 2004, AB 2004/276 m.nt. RW.
In deze zin Jansen die dit standpunt inneemt ten aanzien van bezwaarschriftachtige procedures, A.M.L. Jansen, 'Sloom bestuur onder vuur', JB-plus 2003, p. 166. Reeds in 1994 wijst Alkema overigens op die ontwikkeling: E.A. Alkema, 'Telt de `voorfase’ mee voor de redelijke termijn?', NJB 1994, p. 601-604. Zie hierover verder par. 4.3.8 van Deel I alsmede par. 5.7 van Deel II.
EHRM 29 juni 2006, Bozic t. Kroatië, nr. 22457/02; EHRM 29 juni 2006, Pocuca t. Kroatië, EHRC 2006/106. Al eerder in: EHRM 28 juni 1978, Kënig t. Duitsland, NJ 1980/54; EHRM 9 december 1994, Schouten en Meldrum t. Nederland, AB 1995/599 m.nt. ICvdV; JB 1995/49 m.nt AWH; Willemsen 2005, p. 17-18; Jansen 2004, p. 71; J.H. Gerards, A.W. Heringa, H.L. Janssen, J. van der Velde, EVRM R&C. Art. 6 Eerlijk proces, Den Haag: Sdu 2004, par. 3.6.6., p. 3; F.A.M. Stroink, Kern van de bestuursrechtspraak, Den Haag: Elsevier 2004 (hierna: Stroink 2004a), p. 71; T. Barkhuysen & A.M.L. Jansen, 'Actuele ontwikkelingen in de redelijke termijnjurisprudentie: over Nederlandse termijnoverschrijdingen en ontbrekende nationale rechtsmiddelen', NJCMBulletin 2003/5, p. 588.
T. Barkhuysen & B.J. van Ettekoven, 'De compensatie voor schending van de redelijke termijn van art. 6 EVRM door de bestuursrechter', NTB 2009, p. 132; Rapport VAR-Commissie Rechtsbescherming 2004, p. 63; A.M.L. Jansen, 'De redelijke termijn, kaders voor de bestuursrechter', JB-plus 2001, p. 51-52; A.M.L. Jansen, De redelijke termijn. Met name in het bestuursrecht (diss. Tilburg), Den Haag: BJu 2000, p. 25-29. Van belang is ook dat het doorlopen van de voorprocedure verplicht is alvorens toegang tot de rechter te kunnen krijgen, Gerards, Heringa, Janssen & Van der Velde 2004, par. 3.6.6, p. 3.
Kamerstukken II 2001/01, 27 461, nr. 1, p. 2. In deze nota 'Termijnen voor bestuur en rechter’ wordt aangegeven dat de besluitvorming binnen een redelijke termijn onderdeel uitmaakt van het rechtszekerheidsbeginsel. In dezelfde zin: M. Scheltema, 'Het tijdigheidsbeginsel', in: De Awb-mens; boeman of underdog? (Opstellen aangeboden aan Leo Damen), Nijmegen: Ars Aequi libri 1996, p. 246. Zie hierover nader par. 5.7 van Deel II.
Zie bijvoorbeeld: art. 7:10 lid 1 Awb en art. 7:24 lid 1 en 2 Awb. Overigens staat tijdigheid van besluitvorming hoog op de politieke agenda, getuige ook de nota vermeld in de vorige noot en een tweetal recente wijzigingen van de Awb als gevolg van de Wet Dwangsom en rechtstreeks beroep bij niet tijdig beslissen, Wet van 28 augustus 2009, Stb. 2009, 383. Onderzoek heeft ook uitgewezen dat de termijnen die gelden voor de besluitvorming bijvoorbeeld veelvuldig door de rijksoverheid overschreden worden; Rapport Algemene Rekenkamer, Beslistermijnen. Waar blijft de tijd?, Kamerstukken 2003/04, 29 495, nrs. 1-2.
Dat geldt in elk geval voor de geschillen die binnen de reikwijdte van art. 6 EVRM vallen en de vaststelling van een civil right or obligation dan wel criminal charge betreffen. De redelijke termijn-eis geldt tevens in vreemdelingenzaken op grond van het algemene rechtszekerheidsbeginsel, zo oordeelde de Afdeling in een uitspraak van 3 december 2008, AB 2009/70 m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik. Blijkens een uitspraak van de CRvB geldt de redelijke termijn-eis uit art. 6 EVRM echter uitsluitend voor de bezwaarfase, indien ook die fase opgevolgd wordt door een procedure bij de bestuursrechter, CRvB 28 april 2009, JB 2009/152 m.nt. redactie. De Afdeling is de CRvB daarin gevolgd, zie: AbRvS 17 juni 2009, LJN BI8475. Het is de vraag in hoeverre deze uitspraken kunnen worden gehandhaafd, nu zij in strijd lijken te zijn met de eerder genoemde uitspraken waarin het rechtszekerheidsbeginsel als rechtsgrondslag wordt aangewezen. Zie hierover ook par. 5.7.3 van Deel II.
De bestuurlijke voorprocedures: zowel besluitvorming als rechtspraak
In het Nederlandse bestuursrechtelijke systeem van rechtsbescherming is het gebruikelijk dat een belanghebbende, alvorens de toegang tot de bestuursrechter openstaat, een bestuurlijke voorprocedure doorloopt. Daarbij moet eerst en vooral gedacht worden aan de bezwaarschriftprocedure. Dat is de meest voorkomende en meest bekende (of wellicht beruchte1) bestuurlijke voorprocedure, aangezien deze in de artikelen 7:1 juncto 8:1 Awb algemeen verplicht is gesteld voorafgaand aan het beroep op de bestuursrechter.2 Deze procedure heeft sinds de inwerkingtreding van de Awb in toenemende mate in de aandacht van de doctrine gestaan en zij vormt een veelbesproken onderdeel van het Nederlandse bestuursrechtelijke systeem van rechtsbescherming.3 Daarnaast komt het administratief beroep als bestuurlijke voorprocedure, hoewel deze procedure niet vaak meer wordt voorgeschreven (in elk geval niet als eindstation4), een belangrijke plaats toe in de ontwikkeling van het Nederlandse bestuursrechtelijke systeem van rechtsbescherming. Het administratief beroep is een bestuurlijke (voor)procedure die jarenlang dé bestuursrechtelijke voorziening van rechtsbescherming vormde en die de discussies over de inrichting van het systeem van rechtsbescherming heeft gedomineerd.5 De bezwaarschrift-procedure en het administratief beroep vormen de klassieke bestuurlijke voorprocedures, waarvan algemeen aanvaard is dat zij onderdeel uitmaken van het bestuursrechtelijke systeem van rechtsbescherming.6 Er zijn ook nog andere procedures bij het bestuur die, afhankelijk van hetgeen onder het begrip 'voorprocedure' wordt verstaan, tot de bestuurlijke voorprocedures gerekend kunnen worden. Te denken valt aan de goedkeuringsprocedure en de uniforme voorbereidingsprocedure.7
In dit onderzoek staat de betekenis van de algemene beginselen van behoorlijke rechtspraak voor de inrichting van de bestuurlijke voorprocedures centraal. De vraag naar de betekenis van juist die beginselen voor die procedures lijkt op het eerste gezicht niet voor de hand te liggen. De beginselen van behoorlijke rechtspraak zijn immers beginselen die primair geassocieerd worden met procedures bij rechterlijke instanties en niet met procedures bij het bestuur. Beide soorten procedures vinden plaats bij geheel verschillende organen waaraan, vanuit de eigen aard van de werkzaamheid van die organen en hun onderscheiden posities in ons staatsbestel, specifieke 'eigen' eisen gesteld worden.8 Voor rechterlijke instanties vormen de beginselen van behoorlijke rechtspraak, zoals mede gepositiveerd in artikel 6 EVRM, de in acht te nemen behoorlijkheidsnormen, terwijl dat voor bestuursorganen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn.9
Desalniettemin bestaat er om drie redenen aanleiding om onderzoek te doen naar de betekenis van de beginselen van behoorlijke rechtspraak voor de bestuurlijke voorprocedures. Allereerst is dat de verwantschap tussen de bestuurlijke voorprocedures en (bestuurs)rechtspraak. Voorts zijn de bestuurlijke voorprocedures onderdeel van het bestuursrechtelijke systeem van rechtsbescherming. Ten slotte zijn al verschillende voor rechtspraak geldende eisen van toepassing op de bestuurlijke voorprocedures. Deze drie redenen worden hierna kort toegelicht.
Verwantschap tussen de bestuurlijke voorprocedures en rechtspraak
De bestuurlijke voorprocedures nemen in het Nederlandse bestuursrechtelijke systeem in zekere zin een merkwaardige positie in.10 Enerzijds zijn het besluitvormingsprocedures bij het bestuur en anderzijds vormen zij met waarborgen omklede voorzieningen voor burgers om een eerder genomen besluit van het bestuur aan te tasten. In de bestuurlijke voorprocedures wordt na volledige heroverweging een besluit genomen door het bestuur, maar dat geschiedt in een met waarborgen omklede procedure op initiatief van en naar aanleiding van bezwaren (of beroepsgronden dan wel zienswijzen) van belanghebbenden die het niet eens zijn met het in primo genomen besluit. Op het moment dat de bestuurlijke voorprocedure aanhangig wordt gemaakt, ontstaat er een geschil tussen de desbetreffende belanghebbenden en het beslissende bestuursorgaan.11 In de bestuurlijke voorprocedures vindt derhalve tot op zekere hoogte naast bestuurlijke besluitvorming evenals in de rechterlijke procedure — geschilbeslechting plaats.12 De bestuurlijke voorprocedures, in het bijzonder de bezwaarschriftprocedure, behelzen aldus elementen van twee werelden: tegelijkertijd zijn zij (verlengde) besluitvormingsprocedures bij het bestuur die door middel van een volledige heroverweging moeten leiden tot een (nieuw) besluit én een vorm van rechtsbescherming die sterke gelijkenis kan vertonen met rechtspraak in functionele zin.13 Dat tweeledige karakter van verlengde besluitvorming en rechtsbescherming is onlosmakelijk verbonden met de klassieke voorprocedures. Over de mate waarin het (verlengde) besluitvormingskarakter, dan wel het rechtsbeschermingskarakter domineert (of zou moeten domineren), bestaat nog wel eens verschil van mening.14 Vaststaat echter dat beide functies in enigerlei mate aan in elk geval de bezwaarschriftprocedure toekomen. Dat geldt ook voor het administratief beroep, hoewel daaraan in plaats van een verlengde besluitvormingsfunctie veeleer een toezichtfunctie wordt toegekend.15
De verwantschap van bestuurlijke voorprocedures met rechtspraak is de belangrijkste aanleiding om te onderzoeken of er dientengevolge niet ook met rechtspraak gemeenschappelijke of vergelijkbare eisen bestaan voor de bestuurlijke voorprocedures. Onderzoek naar de waarborgen die gelden voor de inrichting van de bestuurlijke voorprocedures en de vraag waartoe deze processuele waarborgen te herleiden zijn, is bovendien nog niet uitvoerig verricht onder het regime van de Awb. Hoewel aan het tweeledige karakter van de bestuurlijke voorprocedures (bestuurlijke besluitvorming en een vorm van rechtsbescherming) veel aandacht is besteed, zijn de voorschriften voor de inrichting van de bestuurlijke voorprocedure alsmede de eisen uit de jurisprudentie van de bestuursrechter in de doctrine onderbelicht gebleven. De omstandigheid dat de bestuurlijke voorprocedures kenmerken van zowel besluitvorming als rechtspraak vertonen, doet immers de vraag rijzen naar de toepasselijke normen en eisen voor de inrichting van die procedures. Zijn dat de eisen die voor rechtspraak gelden óf zijn dat de eisen die voor bestuurlijke besluitvorming gelden? En is er materieel gezien sprake van vergelijkbare of juist verschillende eisen?
Omdat de bestuurlijke voorprocedures zich tussen besluitvorming en rechtspraak in bevinden, is het van belang te onderzoeken in hoeverre die positie van invloed is op de voor de bestuurlijke voorprocedures toepasselijke normen en eisen. Traditioneel worden in de doctrine en de rechtspraak (vooral) de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als behoorlijkheidskader voor de bestuurlijke voorprocedures gehanteerd, omdat er nu eenmaal sprake is van besluitvorming en procedures bij het bestuur. Zo bezien, bestaat er ook geen verschil tussen de primaire besluitvormingsfase en de bestuurlijke voorprocedure, hoewel uitsluitend aan de laatste een rechtsbeschermingsfunctie wordt toegekend. Voor beide procedures gelden de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en daaruit voortvloeiende eisen. In de regeling van de Awb nemen de waarborgen voor de burger in iedere fase van de procedure inzake een besluit echter toe.16 Dat betekent dat het uitgangspunt wat betreft de inrichting van de procedure is dat de waarborgen ten opzichte van de primaire besluitvormingsfase in de bestuurlijke voorprocedure toenemen, terwijl de waarborgen nog niet gelijk zijn aan de waarborgen die gelden in de procedure bij de bestuursrechter.17
De toename van procedurele waarborgen in de bestuurlijke voorprocedures hangt samen met de rechtsbeschermingsfunctie die deze procedures hebben (in tegenstelling tot de primaire besluitvormingsfase).18 De eisen in de Awb en ook de aanvullende eisen die soms in de jurisprudentie in samenhang met die rechtsbeschermingsfunctie worden gesteld, worden echter vaak herleid tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en niet tot beginselen van behoorlijke rechtspraak.19 De rechtsbeschermingscomponent en de gelijkenis met rechtspraak lijkt daarmee in de toepasselijke normen lang niet altijd tot uitdrukking te komen.20 Het ligt echter in de rede dat het tweeledige karakter van de bestuurlijke voorprocedures ook tot uitdrukking komt in de behoorlijkheidsnormen en eisen die gesteld worden aan de inrichting van die procedures. Dat zou betekenen dat niet alleen de bestuurlijke behoorlijkheidsnormen, maar ook de voor rechtspraak geldende normen of eisen van invloed kunnen zijn. In dit onderzoek staat de specifieke betekenis van die beginselen en de gevolgen daarvan voor de inrichting van de bestuurlijke voorprocedures centraal. Daartoe worden de voor de inrichting van de bestuurlijke voorprocedures geldende eisen en voorschriften vergeleken met de voor rechtspraak geldende normen.
Onderdeel van het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming
Niet alleen de verwantschap tussen de voorprocedures en de procedures bij de bestuursrechter geeft aanleiding tot het onderzoek. De omstandigheid dat, los van de verwantschap met rechtspraak, met name de bezwaarschriftprocedure en het administratief beroep onderdeel uitmaken van het stelsel van rechtsbescherming vormt een andere belangrijke reden voor het onderzoek. Bovendien dienen de voorprocedures, zodra voorgeschreven, verplicht doorlopen te worden alvorens de toegang tot de bestuursrechter openstaat, en beperken zij derhalve voor de burger in een geschil met het bestuur de toegang tot de bestuursrechter.21 Daar komt nog bij dat onder invloed van de Awb, en de daarin vooropgestelde partij-autonomie en rechtsbeschermingsfunctie van het bestuursprocesrecht, een ontwikkeling in gang is gezet waardoor de bestuurlijke voorprocedures, in het bijzonder de bezwaarschriftprocedure, in aanzienlijke mate bepalend kunnen zijn voor de daaropvolgende procedure bij de bestuursrechter.22 Gedoeld wordt op de vormgeving van een 'trechter of fuik' tussen bezwaar en beroep bij de bestuursrechter in eerste aanleg, waaruit volgde dat in bezwaar niet aangevoerde gronden tegen een besluit niet voor het eerst in beroep mochten worden aangevoerd.23 Hoewel deze trechter al aanzienlijk versoepeld was de laatste jaren24 en thans niet meer in deze vorm geldt, werpen de keuzes gemaakt door belanghebbenden in de bestuurlijke voorprocedures, gelet op artikel 6:13 Awb, nog steeds hun schaduw vooruit naar de procedure bij de bestuursrechter. Op grond van het huidige artikel 6:1 3 Awb wordt namelijk een onderdelentrechter aangenomen.25 Die trechter houdt in dat afzonderlijke besluitonderdelen die in de bestuurlijke voorprocedures niet zijn aangevochten door een belanghebbende, in de procedure bij de bestuursrechter niet meer door diezelfde belanghebbende ter discussie kunnen worden gesteld.26
Hoewel de discussie over trechters of fuiken tussen de bezwaarschriftprocedure en het beroep bij de bestuursrechter aan belang heeft ingeboet, is daardoor — nog daargelaten de vraag of een beperking van de toegang tot de rechter in de vorm van verschillende trechters (voor zover daar nog sprake van is), met het oog op artikel 6 EVRM, geoorloofd is27— het belang van de voorfase in de gehele procedure toegenomen. Dat toegenomen belang rechtvaardigt de vraag of bepaalde waarborgen die gelden voor de rechterlijke procedure niet ook reeds in de voorprocedures gelden.
Bepaalde voor rechtspraak geldende vereisten zijn al van toepassing
Ten slotte gelden thans al bepaalde vereisten die gesteld worden aan rechterlijke procedures ook voor de bestuurlijke voorfasen. Te denken valt daarbij aan het redelijke termijn-vereiste, zoals neergelegd in artikel 6, eerste lid van het EVRM.28 Voor de beoordeling of afdoening van een rechtsgeschil binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden, beziet het EHRM immers de duur van de procedure in zijn geheel. Daarin is ook de duur van een bestuurlijke voorprocedure inbegrepen.29 Dat geldt niet alleen voor de bezwaarschriftprocedure en het administratief beroep, maar soms ook al voor andere `voorprocedures' zoals de uniforme voorbereidingsprocedure, voor zover in dat stadium reeds sprake is van een geschil.30 Dat betekent dat de bestuurlijke voorprocedure tijdig afgerond dient te worden en tijdig tot een besluit dient te leiden. Overigens is besluitvorming (als eis voor een behoorlijke bestuurlijke voorprocedure) binnen een redelijke termijn een uitgangspunt dat eveneens naar nationaal (bestuurs)recht geldingskracht lijkt te hebben verkregen.31 De regelingen in de Awb aangaande de voorprocedures bevatten ook specifieke bepalingen waarin is neergelegd dat de besluitvorming binnen een bepaalde termijn dient plaats te vinden.32 Duidelijk is dat de redelijke termijn en de voortvarendheidseisen als eisen voor een behoorlijke procedure, evenzeer voor het bestuur als voor de rechter gelden.33 Nu de procedures bij beide organen deze tijdigheidseisen gemeenschappelijk hebben, bestaat er ook daarom, naast de hiervoor genoemde redenen, aanleiding om te onderzoeken of en in hoeverre dat eveneens het geval is voor de overige eisen voor behoorlijke rechtspraak.