Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/16.3
16.3 Doel fiscale aangifteplicht en bijkomende (informatie)verplichtingen
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS495829:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 6.5.5 hiervoor.
Dit laatste kan zich voordoen wanneer hij een vaag vermoeden van onregelmatigheden heeft, maar daarop nog niet gericht rechercheert
Jansen en Luchtman, noot onder EHRM 3 mei 2001 (J.B. t. Zwitserland), AB 2002/343, spreken in dit verband over een verticaal schot tussen heffings- en sanctietraject. Vgl. Lenos, noot onder NJCM-Bulletin 2002, p. 610. Schrijver meent dat het EHRM in J.B. dat het EHRM hiermee een horizontaal schot heeft geplaatst in procedures met gemengde doeleinden: vanaf de criminal charge komt de beklaagde het zwijgrecht en het recht op niet-meewerken toe, ongeacht het doel (punitief of niet) waarvoor de informatie werd opgevraagd. Zie over de schotten- of gordijnentheorie (die is gebaseerd op het feit dat van verschillende rechtsgebieden sprake is) eerder Hieltjes 1992, p. 1407 en Wattel 1992, p. 157.
In de rechtspraak van de belastingkamer van de HR is vanaf het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw met enige regelmaat de vraag aan de orde geweest wat de situatie is, wanneer de fiscale aangifteplicht en/of de bijkomende (informatie)verplichtingen ten dienste van de belastingheffing samenlopen met (dreigende) boeteoplegging of strafvervolging. Komt de boeteling of verdachte dan een beroep op het nemo tenetur-beginsel toe, als gevolg waarvan hij niet langer belastingaangifte hoeft te doen of hoeft mee te werken aan een fiscaal controleonderzoek?
Voor de beantwoording van deze vraag brengt de raad een onderscheid aan tussen zaken waarin de inspecteur de medewerking c.q. informatie afdwingt ter verzekering van de belastingheffing enerzijds of ter verkrijging van bewijs voor de boete- of strafoplegging anderzijds. Dit onderscheid is subtiel en misschien zelfs arbitrair. Het doel waarvoor de inspecteur de informatie van de (latere) verdachte afdwingt, zegt weinig tot niets over het al dan niet zelfbelastende karakter ervan.1 Hiermee houdt verband dat het lang niet altijd duidelijk zal zijn wat het doel van de informatiegaring is; in ieder geval voor de verdachte zelf en mogelijk ook voor de inspecteur.2
Toch speelt het doel waarvoor de medewerking wordt afgedwongen een beslissende rol in de Nederlandse uitleg en toepassing van de Straatsburgse nemo tenetur-rechtspraak. In het volgende onderdeel zal ik toelichten dat de belastingkamer, door aan te sluiten bij dit doel, een procedurele scheiding aanbrengt tussen de heffings- en toezichtssfeer enerzijds en de sanctiesfeer anderzijds. Voor zover de belastingkamer het recht tegen gedwongen zelfbelasting in punitieve belastingzaken erkent, dan geldt deze erkenning alleen voor zover het de boeteoplegging of strafvervolging betreft. In deze zogenoemde schotten- of gordijnentheorie blijven de verplichtingen ten dienste van de belastingheffing ongemoeid.3 De spanning tussen kortweg fiscale informatieplicht en zwijgrecht, zal volgens de belastingkamer moeten worden opgelost in de boete- of strafsfeer.
De vraag naar de bruikbaarheid van in de heffingssfeer afgedwongen informatie voor punitieve doeleinden, zal ik in de komende twee hoofdstukken beantwoorden. Daarin komen de rechten en waarborgen tegen gedwongen zelfbelasting in de fiscale boete- en fiscaal strafvorderlijke sfeer aan de orde. Bewijsuitsluiting is een van de waarborgen.