Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/1.2.3
1.2.3 Het ontwerp Maeijer
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS390613:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2002/03, 28746, 3, p. 5 (MvT). In Frankrijk wordt rechtspersoonlijkheid (personalité morale) door een onder gemeenschappelijke naam handelende handelsvennootschap (société commerciale) verkregen door inschrijving in een openbaar register (art. 1842 C.C. jo. art. 5 loi sur les sociétés commerciales (immatriculation) (loi no. 66-537 van 24 juli 1966). De Belgische VOF verkrijgt haar rechtspersoonlijkheid door deponering van de oprichtingsakte of een uittreksel daarvan bij het handelsregister (art. 2 § 4 jo. art. 68 Wetboek van Vennootschappen). In het Verenigd Koninkrijk wordt in de joint consultation paper de registratie in een nieuw register of partnerships voorgesteld.
De VOF als bijzondere vorm van de openbare vennootschap zoals voorgesteld door Van der Grinten is bij Maeijer niet teruggekeerd.
Kamerstukken II 2002/03, 28746, 3, p. 10 (MvT). Zie ook Zaman 2010, p. 67 over onder andere de Belehrungspflicht. Verder kan de notaris ook een adviserende rol vervullen en zorg dragen voor de inschrijving in het handelsregister.
Van Veen 2010, p. 187-188.
Kamerstukken 28746 (Vaststellingswet) en 31065 (Invoeringswet).
Zie onder andere Kamerstukken II 2006/07, 31065, 3, p. 2 (MvT).
Luidende: ‘Een rechtspersoon staat wat het vermogensrecht betreft, met een natuurlijk persoon gelijk, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit.’
Mohr 2003, p. 44-45.
Mohr 2003, p. 45.
Raaijmakers 2003, p. 246-253.
Raaijmakers 2009.
Huizink 2003, p. 227.
Zie onder andere Kamerstukken I 2010/11, 31065, B en C en de (brand)brieven van VNO-NCW en MKB Nederland, te raadplegen via http://www.vno-ncw.nl/SiteCollectionDocuments/Cmsdocs/PB081410%20brandbrf%20personenvn.pdf (brandbrief 2008); http://www.vno-ncw.nl/SiteCollectionDocuments/Brieven/brief09-11649.pdf (brief 2009); http://www.vno-ncw.nl/SiteCollectionDocuments/Brieven/brief10-10448.pdf (brief 2010).
In het oorspronkelijke wetsvoorstel werd geëist dat de gehele overeenkomst van vennootschap zou worden opgenomen in een notariële akte, maar deze eis werd door het aangenomen amendement-Weekers gereduceerd tot drie bepalingen: de bepaling dat de openbare vennootschap rechtspersoon is, de naam van de vennootschap en de zetel, zie Kamerstukken II 2009/10, 31065, 21 (amendement Weekers).
Timmerman 2003.
Slagter 2012.
Buijn 2000, p. 176 en 216.: volgens Buijn hangt met deze institutionele benadering samen dat de OVR primair aansprakelijk zou behoren te zijn voor de verbintenissen van de rechtspersoon en de vennoten slechts subsidiair. Raaijmakers 2003, p. 246-253: de stille vennootschap zou volgens Raaijmakers gezien moeten worden als gemeenschap die door Titel 3.7 BW wordt beheerst. Löwensteyn 1979: volgens Löwensteyn vertoont de structuur van de OVR als organisatorische eenheid dusdanige overeenkomsten met de interne structuur van Boek 2-rechtspersonen, dat plaatsing in Boek 2 BW beter had gepast. Overigens ziet hij de rechtspersoon en de overeenkomst als onverenigbare begrippen: de overeenkomst is een rechtsbetrekking tussen personen, de rechtspersoon is zelf persoon.
Van Schilfgaarde 1974, p. 116: volgens hem is bij de OVR sprake van tweesporigheid, waarbij het spoor van de contractuele verhouding het hoofdspoor is ten opzichte van het spoor van de rechtspersoonlijkheid.
Raaijmakers 2010.
Handelingen II 25 januari 2005, 41-2736 en Handelingen II 2009/10, 31065, 37.
Zie verder Boschma & Mathey-Bal 2012.
Kroeze 2012.
Kroeze 2012.
Maeijer heeft onderzocht of de verplichte rechtspersoonlijkheid van Van der Grinten gehandhaafd kon worden als daarvoor een extra vereiste gesteld zou worden, zoals inschrijving in het handelsregister.1 Een belangrijk bezwaar hiertegen was, dat de status van het vennootschappelijk vermogen onduidelijk zou zijn zolang de openbare vennootschap niet was ingeschreven en dus nog geen rechtspersoon was. Maeijer stelt daarom voor om nog een type vennootschap te introduceren: de openbare vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid.2 De openbare vennootschap zou dan alleen rechtspersoonlijkheid hebben als deze aan een aantal formele eisen voldoet; is niet aan deze vereisten voldaan, dan is sprake van een openbare vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid (OV). De voornaamste eis was notariële tussenkomst: deze was verplicht als voor rechtspersoonlijkheid werd geopteerd. Hiermee werd verzekerd dat het tot stand komen van rechtspersoonlijkheid op deskundige wijze zou worden begeleid en dat de vereiste inbreng in de rechtspersoon overeenkomstig de daarvoor geldende regels zou geschieden.3 Omdat de rechtspersoon zou ontstaan op het moment van verlijden van de notariële akte, zou rechtszekerheid bestaan over het ontstaansmoment van de openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid (OVR).4 Rechtspersoonlijkheid kan direct bij het aangaan van de vennootschap worden verkregen, maar ook op een later moment zodra aan de constitutieve vereisten is voldaan. De rechtspersoonlijkheid kan ook weer worden opgegeven. Rechtspersoonlijkheid is in het wetsontwerp5 van Maeijer dus niet langer een verplichting, maar een optie. Naast de erkenning van de OVR als rechtssubject, was het belangrijkste doel van de rechtspersoonlijkheid het vereenvoudigen van de goederenrechtelijke aspecten van de samenwerking.6 Onder andere werd de OVR zelf rechthebbende van het vennootschappelijk vermogen (op haar zou art. 2:5 BW7 van toepassing zijn), zodat wisselingen in het vennotenbestand goederenrechtelijk gezien eenvoudiger zouden worden. Ook kon de OVR worden omgezet in een kapitaalvennootschap. In het ontwerp van Maeijer zijn de vennoten van de openbare vennootschap, ongeacht of deze rechtspersoonlijkheid heeft, hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de vennootschap. De omstandigheid dat een openbare vennootschap was uitgerust met rechtspersoonlijkheid ging derhalve niet gepaard met een beperkte aansprakelijkheid van de vennoten.
Niet iedereen was even gelukkig met Maeijers optionele rechtspersoonlijkheid. Volgens Mohr waren de voor- en nadelen van de vennootschap-rechtspersoon niet concreet en evident genoeg, zodat ondernemers onmogelijk een keuze kunnen maken voor het meest passende alternatief.8 Hij die ‘in een paar woorden kan uitleggen of hij er ‘zijn concrete wensen en omstandigheden in aanmerking genomen’ beter aan doet voor een vennootschap mét of een zónder rechtspersoonlijkheid te kiezen, die gaat een grote toekomst tegemoet!’, aldus Mohr.9 Raaijmakers vindt de optionele rechtspersoonlijkheid een onpraktisch en verwarrend ‘quasi-concessiestelsel’.10 Hij zou graag zien dat iedere openbare vennootschap rechtspersoonlijkheid verkrijgt en wel door inschrijving in het handelsregister.11 Ook Huizink stond sceptisch tegenover de optionele rechtspersoonlijkheid.12 De discussie over al dan niet toekenning van rechtspersoonlijkheid is volgens hem vooral theoretisch en ondernemers zouden zich in de praktijk voornamelijk druk maken over andere zaken, zoals fiscaliteiten en de aansprakelijkheidspositie van vennoten. VNO-NCW en MKB Nederland hadden voornamelijk kritiek op de lastenverzwaring die het wetsvoorstel volgens hen na inwerkingtreding voor ondernemers mee zou brengen.13 De kritiek richtte zich vooral op de notariële tussenkomst die verplicht was gesteld voor de verkrijging van rechtspersoonlijkheid.14 Een van de voorstanders van het systeem van optionele rechtspersoonlijkheid is Timmerman.15 Hij meent dat voor de wenselijkheid van zowel een OV als een OVR argumenten bestaan, en dat er geen steekhoudende argumenten bestaan om een van de twee vormen dwingend voor te schrijven. Wel erkent Timmerman dat het wetsvoorstel door het keuzesysteem gecompliceerd is geworden, doordat voor sommige onderwerpen verschillende regels gelden voor de OV en de OVR, welke regels beide in Titel 7.13 zijn opgenomen. Slagter, die aanvankelijk niet enthousiast was over de optionele rechtspersoonlijkheid, had na lezing van de memorie van toelichting vrede met het ‘compromis-voorstel’.16
Ook over de plaats in het wetboek van een contractuele rechtspersoon bestond onenigheid: moest de personenvennootschap-rechtspersoon ondergebracht worden bij de rechtspersonen in Boek 2 BW of bij de bijzondere contracten in Boek 7 BW? Zij die de OVR eerder beschouwden als instituut dat zelfstandig drager is van rechten en plichten dan als overeenkomst, pleitten voor plaatsing in Boek 2 BW. 17 Zij die de OVR primair zagen als contract dat aan de algemene regels van overeenkomsten is onderworpen, vonden plaatsing in Boek 7 BW meer gepast. Zo kon de openbare vennootschap zonder overeenkomst niet bestaan, maar zonder rechtspersoonlijkheid wel.18 Raaijmakers heeft ervoor gepleit om het gehele ondernemingsrecht te herintegreren in een nieuw Wetboek Ondernemingsrecht, waarin niet de rechtspersoon maar de ondernemingsvorm centraal komt te staan.19 In België is een dergelijke operatie inmiddels voltooid en worden alle ondernemingsvormen geregeld in het Wetboek van Vennootschappen.
Het Wetsvoorstel personenvennootschappen en het daarmee samenhangende Wetsvoorstel invoeringswet van Maeijer waren de ultieme poging om de personenvennootschap meer zelfstandigheid te geven en werden op 25 januari 2005 respectievelijk 15 december 2009 aangenomen door de Tweede Kamer.20 Zij sneuvelden echter op 15 december 2011 toen de minister van Veiligheid en Justitie over ging tot intrekking.21 De voorgestelde regeling zou leiden tot lastenverzwaring, zou ondernemers onvoldoende faciliteren en de minister was niet overtuigd van het nut en de noodzaak van de regeling.22 Door de intrekking hebben de wetsvoorstellen hun betekenis gelukkig niet helemaal verloren.23 Ten eerste kan het huidige recht volgens Kroeze met behulp van quasi-anticipatie worden uitgelegd in het licht van de ingetrokken wetsvoorstellen (waardoor leemtes en onduidelijkheden kunnen worden opgelost). Er was immers in elk geval in de Tweede Kamer politieke steun voor aanwezig, de wetsvoorstellen zijn goed uitgewerkt en er is uitvoerig over van gedachten gewisseld. Verder bestaan er geen principiële bezwaren van ondernemerszijde tegen modernisering van het personenvennootschapsrecht (de bezwaren zagen op de wijze waarop enkele concrete onderwerpen waren uitgewerkt) en blijft nieuwe wetgeving voor personenvennootschappen wenselijk. Quasi-anticipatie kan bijvoorbeeld worden toegepast ten aanzien van het in het wetsvoorstel toegekende afgescheiden vermogen voor de stille maatschap en de regeling van vereffening. Quasi-anticipatie kan niet worden toegepast bij controversiële of (sterk) van het huidige recht afwijkende onderwerpen (bijvoorbeeld die een wettelijke basis behoeven), zoals de toekenning van rechtspersoonlijkheid aan een personenvennootschap of de omzetting van een personenvennootschap in een BV. Ten tweede kunnen ondernemers baat hebben bij de ingetrokken wetsvoorstellen. Zij kunnen bijvoorbeeld bepalingen uit de wetsvoorstellen overnemen in hun vennootschapsovereenkomst.24